← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.7 Rolnummer: P.07.1385.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-11-21 Raadplegingen: 462 - laatst gezien 2026-07-03 16:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wet doet het bestaan, de tegenwerpelijkheid of de rechtsgeldigheid van de door de onderzoeksrechter met toepassing van artikel 36, Voorlopige Hechteniswet genomen beslissingen niet afhangen van de betekening ervan

(1).
(1)Cass., 21 mei 2002, AR P.02.0691.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020521.12 - P.02.0693.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020521.12, nr
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek Vrije woorden: Onderzoeksrechter - Beslissing tot verlenging van de opgelegde voorwaarden - Betekening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 37 Tekst van de beslissing Nr. P.07.1385.N V R, verdachte, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 2, 28 en 38 Voorlopige Hechteniswet. Het stelt dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de onderzoeksrechter de eiser enkel heeft ondervraagd over de reden van de niet-naleving van de voorwaarden van zijn voorlopige invrijheidstelling, terwijl hij hem, alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, moest ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding.
  4. Het proces-verbaal van verhoor van de eiser door de onderzoeksrechter van 7 september 2007 verwijst naar de feiten waarvoor de eiser op 12 oktober 2006 in verdenking werd gesteld zoals vermeld in het bevel tot aanhouding, en vermeldt dat de onderzoeksrechter hem heeft gevraagd of zijn verklaringen verbeterd en/of aangevuld dienden te worden. Hieruit blijkt dat de eiser werd ondervraagd, zoals vereist door artikel 16, § 2, Wet Voorlopige Hechtenis. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Het stelt dat indien het bestreden arrest zo moet begrepen worden dat volgens de appelrechters de eiser voorafgaand aan het bevel tot aanhouding door de onderzoeksrechter werd ondervraagd over de feiten van de tenlastelegging, de appelrechters de bewijskracht van dit proces-verbaal miskennen.
  6. De appelrechters hebben van het proces-verbaal een uitlegging gegeven die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  7. Anders dan het onderdeel aanvoert, beantwoordt het bestreden arrest met zijn overweging 3.1, tweede zin, eisers verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, 18, § 1, 28 en 37 Wet Voorlopige Hechtenis. Het middel stelt dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de beslissingen tot verlenging van de opgelegde voorwaarden op regelmatige wijze aan de eiser werden ter kennis gebracht zodat ze hem niet langer tegenwerpelijk waren.
  9. Artikel 37 Voorlopige Hechteniswet bepaalt: "De beslissingen genomen ter uitvoering van de artikelen 35 en 36 worden aan de partijen betekend met inachtneming van de vormen bepaald voor de voorlopige hechtenis. Tegen deze beslissingen staan dezelfde rechtsmiddelen open als tegen de beslissingen die inzake voorlopige hechtenis worden genomen." Die wetsbepaling stelt geen enkele nietigheid in maar legt een vormvereiste op die ertoe strekt de termijnen voor hoger beroep of cassatieberoep te doen ingaan. De wet doet aldus het bestaan, de tegenwerpelijkheid of de rechtsgeldigheid van de door de onderzoeksrechter met toepassing van artikel 36 Voorlopige Hechteniswet genomen beslissingen niet afhangen van de betekening ervan. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorge¬schreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 50,85 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240605.2F.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020521.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.