id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 7Provinciewet - 30-04-1836 - Art.
124, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1836043001 Decreet Vlaamse Raad - 28-04-1993 - Art. 30, § 1 Fiches 8 - 9 De provinciegouverneur die in zijn opdracht van algemeen bestuurlijk toezicht op de gemeenten van het Vlaamse Gewest een fout begaat, brengt de aansprakelijkheid van de provincie niet in het gedrang
(1).
(1)Zie Cass., 13 feb. 1970, A.C., 1970, 541. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Toegankelijkheid gebouwen voor gehandicapten Vrije woorden: Provinciegouverneur - Algemeen bestuurlijk toezicht - Fout - Aansprakelijkheid van de provincie Wettelijke bepalingen:
Art. 7Provinciewet - 30-04-1836 - Art.
124, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1836043001 Decreet Vlaamse Raad - 28-04-1993 - Art. 30, § 1 Thesaurus CAS: PROVINCIE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Toegankelijkheid gebouwen voor gehandicapten Vrije woorden: Provinciegouverneur - Algemeen bestuurlijk toezicht - Fout - Aansprakelijkheid Wettelijke bepalingen:
Art. 7Provinciewet - 30-04-1836 - Art.
124, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1836043001 Decreet Vlaamse Raad - 28-04-1993 - Art. 30, § 1 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0285.N PROVINCIE ANTWERPEN, vertegenwoordigd door de bestendige deputatie van de provincieraad, met kantoren te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen OSSEGOOR NV, naamloze vennootschap, met zetel te 2390 Westmalle, Sint-Jozeflei 3, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en
- GEMEENTE MALLE, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoren in het Gemeentehuis te 2390 Malle, Antwerpsesteenweg 246, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- VLAAMS GEWEST, met kantoren te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kabinet te 1210 Brussel (Sint-Joost-Ten-Node), Phoenixgebouw, Koning Albert II-laan 19,
- GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN, Provinciebestuur van Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. Nr. C.06.0295.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn Regering in de persoon van de bevoegde minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, de heer Dirk Van Mechelen, met kabinet te 1210 Brussel (Sint-Joost-Ten-Node), Phoenixgebouw, Koning Albert II-laan 19, met kantoren te 1000 Brussel, Koolstraat 36, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- OSSEGOOR, naamloze vennootschap, met zetel te 2390 Westmalle, Sint-Jozeflei 3, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en
- GEMEENTE MALLE, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoren in het Gemeentehuis te 2390 Malle, Antwerpsesteenweg 246, verweerster, minstens opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest,
- PROVINCIE ANTWERPEN, vertegenwoordigd door de bestendige deputatie van de provincieraad, met kantoren te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, verweerster, minstens opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest,
- GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN, provinciebestuur van Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, verweerder, minstens opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen C.06.285.N en C.06.0295.N zijn gericht tegen een arrest, op 3 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN A. Zaak C.06.0285.N De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 28, 30, §§1 en 5, 31, 32 en 33 van het decreet van de Vlaamse Raad van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten. Aangevochten beslissingen Het vonnis van de eerste rechter deels hervormend, veroordelen de appelrechters de eiseres, in solidum met het Vlaamse Gewest en de gemeente Malle, tot betaling aan de verweerster van het bedrag van 25.000 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 9 mei 1995, evenals de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten t.a.v. de verweerster en wijzen zij de tegenvorderingen tegen de verweerster van de eiseres af als ongegrond, na, op grond van volgende motieven, te hebben beslist dat de provinciegouverneur een fout heeft begaan: "2.4 Het optreden van de provinciegouverneur binnen het kader van het decreet van 28 april 1993 inzake het algemeen administratief toezicht, waarbij bij besluit van 29 maart 1995 de voormelde beslissingen van de gemeenteraad en het schepencollege van de gemeente Malle werden geschorst met verwijzing naar de ministeriële omzendbrief van 12 januari 1994, was onwettig. Immers noch de voorafgaande beslissing van de gemeenteraad omtrent de wegenis, noch de beslissing van het schepencollege omtrent de aflevering van de verkavelingsvergunning zijn onderhevig aan het algemeen administratief toezicht, gelet op het feit dat er hiervoor een bijzonder administratief toezicht is geregeld (J. Verkest, ‘De beoordeling van de goede plaatselijke aanleg en van de wegenbouwwerken door de gemeente en de gemachtigde ambtenaar bij het onderzoek van een verkavelingsaanvraag', T.R.O.S., 2003, afl. 29, 31-46). Derhalve is het decreet van 28 april 1993, meer bepaald art. 30, dat voorziet in een regeling van algemeen bestuurlijk toezicht, in casu in het geheel niet van toepassing nu een vorm van bijzonder bestuurlijk toezicht wordt opgelegd in de vorm van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar bij het afleveren van de vekavelingsvergunning en de beslissing van de gemeenteraad inzake de wegenis, en bovendien een administratieve beroepsmogelijkheid openstaat voor de gemachtigde ambtenaar" (...). Grieven Krachtens artikel 30, §1, van het Decreet (Vl. R.) van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten schorst de provinciegouverneur bij gemotiveerd besluit en binnen de termijnen bepaald in de artikelen 31 tot 33 de uitvoering van het besluit, waarbij de gemeenteoverheid de wet schendt of het algemeen belang schaadt. Naar luid van artikel 30, §5, van het vermelde decreet gelden voor de toepassing van dit artikel als strijdig met het algemeen belang, de besluiten die strijdig zijn met de beginselen van behoorlijk en goed bestuur of die strijdig zijn met het algemeen beleid of met de belangen van de hogere overheid. De appelrechters beslissen dat het vermelde decreet (Vl. R.) van 28 april 1993 in onderhavig geval niet van toepassing is omdat bij het afleveren van de verkavelingsvergunning en de beslissing van de gemeenteraad inzake de wegenis een bijzonder bestuurlijk toezicht wordt opgelegd in de vorm van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, en bovendien een administratieve beroepsmogelijkheid openstaat voor de gemachtigde ambtenaar. Evenwel volgt noch uit de artikelen 28, 30, §§1 en 5, 31, 32 en 33 van het Decreet (Vl. R.) van 28 april 1993, houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, noch uit enige andere wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel dat het besluit van het College van burgemeester en schepenen tot het verlenen van een verkavelingsvergunning en het besluit van de gemeenteraad inzake de aanleg van een wegenis niet onderhevig is aan het algemeen administratief toezicht van de provinciegouverneur omdat de "gemachtigd ambtenaar" terzake een eensluidend advies zou verstrekken en een administratief beroep zou kunnen instellen. Door te beslissen dat de schorsing, door de provinciegouverneur, van het besluit van 7 november 1994 van de gemeenteraad waarbij de aanleg van een wegenis was goedgekeurd en het besluit van het College van burgemeester en schepenen van 13 december 1994, waarbij een verkavelingsvergunning werd verleend, onwettig was en derhalve een fout uitmaakt in hoofde van de provinciegouverneur, schendt het bestreden arrest alle in de aanhef van dit middel aangeduide wetsbepalingen. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 7 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (zoals het bestond voor het werd vervangen door artikel 7, §1, van de Bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen); - de artikelen 4 en 124 van de Wet van 30 april 1836 betreffende de Provinciewet; - de artikelen 28, 30, §§1 en 5, 31, 32 en 33 van het decreet van de Vlaamse Raad van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten; - de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het vonnis van de eerste rechter deels hervormend, veroordelen de appelrechters de eiseres, in solidum met het Vlaamse Gewest en de gemeente Malle, tot betaling aan de verweerster van het bedrag van 25.000 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 9 mei 1995, evenals de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten t.a.v. de verweerster en wijzen zij de tegenvorderingen tegen de verweerster van de eiseres af als ongegrond, na, op grond van de hierna weergegeven motieven, te hebben beslist dat de provinciegouverneur is opgetreden als orgaan van de eiseres en dat de eiseres derhalve aansprakelijk is voor de fout van de provinciegouverneur: "2.6 (De verweerster) heeft schade geleden door de intrekking van de voormelde verkavelingsvergunning en het besluit inzake de wegenis (zie hierna). Zij beschikte over een (op dat ogenblik) geldige verkavelingsvergunning, die foutief werd ingetrokken. Gelet op wat voorafgaat, bestaat er in eerste instantie een fout in hoofde van de gemeente Malle in oorzakelijk verband met de schade van (de verweerster). Er kan evenwel niet worden voorgehouden dat de provinciegouverneur geen fout beging die mede aan de oorzaak ligt van de schade (zie hierna) van (de verweerster): zijn actie (in toepassing van in casu niet toepasselijke wetgeving) ligt aan de basis van de intrekking door de gemeente van de litigieuze besluiten. Hierdoor werd de gemeente Malle (foutief zoals thans blijkt) in zekere mate onder druk gezet om tot intrekking over te gaan. Immers, het optreden van de provinciegouverneur d.m.v. schorsingsbesluiten in het kader van het algemeen administratief toezicht, geeft de gemeente wel de mogelijkheid om haar beslissing (mits uitdrukkelijke motivering) te handhaven, maar het kan niet ontkend worden dat een schorsingsbesluit van de provinciegouverneur de beslissingsmacht van de gemeente in zekere mate beïnvloedt. In casu is dit zeker het geval geweest, vermits de gemeente in haar intrekkingsbesluiten de motieven van de schorsingsbesluiten van de gouverneur heeft overgenomen. Vermits de provinciegouverneur is opgetreden als orgaan van het Vlaams Gewest (wat door deze laatste ook niet wordt ontkend) dient zijn fout vooreerst te worden toegerekend aan deze laatste (welke laatste immers evenmin (argumenteert) dat de provinciegouverneur door de foutieve toepassing van de regels van het algemeen administratief toezicht kennelijk zijn bevoegdheden als orgaan van het Vlaams Gewest heeft afgewend zodat er niet kan besloten worden tot een loutere persoonlijke aansprakelijkheid van de provinciegouverneur). Bovendien blijft de provinciegouverneur, als overheid die in het kader van het algemeen administratief toezicht zijn schorsingsbevoegdheid uitoefent, orgaan van de provincie en handelt hij daarbij als orgaan van actief bestuur (in dezelfde zin mutatis mutandis: Gent, 3 mei 2000, R.W., 2002-03, 749, noot; de voorziening tot cassatie tegen dit arrest werd verworpen: Cass., 12 april 2002, R.W., 2002-03, 746, noot W. Lambrechts, "eindelijk rechtsherstel, na bijna dertig jaar"; Rb. Gent, 6 april 2005, N.J.W., 2005, nr. 130, p. 1272-1275). De gemeente Malle, het Vlaams Gewest evenals (de eiseres) zijn terzake in solidum aansprakelijk voor de schade van (de verweerster)" (...). Grieven Krachtens artikel 7 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, behoren de organisatie van de procedures alsook de uitoefening van het administratief toezicht op de provincies, de gemeenten en de agglomeraties en federaties van gemeenten tot de bevoegdheid van de Gewesten. Krachtens artikel 30, §1, van het Decreet (Vl. R.) van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten schorst de provinciegouverneur bij gemotiveerd besluit en binnen de termijnen bepaald in de artikelen 31 tot 33 de uitvoering van het besluit, waarbij de gemeenteoverheid de wet schendt of het algemeen belang schaadt. Naar luid van artikel 4 van de Provinciewet is de provinciegouverneur de commissaris van de regering in de provincie. De provinciegouverneur vertegenwoordigt krachtens artikel 124 van de Provinciewet de Staat in de provincie. Uit de vermelde wetsbepalingen volgt dat de provinciegouverneur, wanneer hij het algemeen administratief toezicht uitoefent dat het decreet (Vl. R.) van 28 april 1993 hem opdraagt, handelt als orgaan van het gewest en niet van de provincie, nu de uitoefening van het administratief toezicht op de provincies, de gemeenten en de agglomeraties en federaties van gemeenten tot de bevoegdheid behoort van de gewesten. Derhalve schenden de appelrechters, door te beslissen dat de provinciegouverneur, als overheid die in het kader van het algemeen administratief toezicht zijn schorsingsbevoegdheid uitoefent, orgaan van de provincie blijft en daarbij handelt als orgaan van actief bestuur en door op die grond de eiseres te veroordelen tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door de fout van de provinciegouverneur, alle in de aanhef van dit middel aangewezen wetsbepalingen. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1315, 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek; - 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het vonnis van de eerste rechter deels hervormend, veroordelen de appelrechters de eiseres, in solidum met het Vlaamse Gewest en de gemeente Malle, tot betaling aan de verweerster van het bedrag van 25.000 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 9 mei 1995, evenals de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten t.a.v. de verweerster op grond van onder meer de volgende motieven: "2.7 De omvang van de schade is evenwel niet deze zoals geraamd door (de verweerster). 2.7.
- (De verweerster) heeft zich niet gekweten van haar schadebeperkingsplicht. Zij heeft nl. haar administratieve beroepsmogelijkheden niet adequaat uitgeput, zodat zij in elk geval door haar eigen nalatigheid de thans beweerde schade, mogelijk voor een groot deel, mee in de hand heeft gewerkt. Immers dient een intrekkingsbeslissing te worden beschouwd als een weigeringsbeslissing, waartegen een georganiseerd administratief beroep openstaat (R.v.St., 10.04.1986, arrest nr. 26.356, met noot Lambrechts, W., "Twee procedureproblemen", R.W., 1986-1987, 1220). (De verweerster) heeft inderdaad geen gebruik gemaakt van haar wettelijke mogelijkheid om binnen de voorziene termijn bij de Bestendige Deputatie in beroep te komen tegen de intrekking van de aan haar verleende vergunning in toepassing van de specifieke procedure voorzien in de stedenbouwwetgeving. Nadat de Raad van State dit in zijn schorsingsarrest van 7 maart 1996 uitdrukkelijk heeft overwogen, heeft (de verweerster) het door de stedenbouwwet georganiseerde beroep ook ingesteld, doch zowel de Bestendige Deputatie als de Minister hebben dat beroep wegens laattijdigheid moeten verwerpen. 2.7.
- Ook was de litigieuze vergunning, indien zij niet was ingetrokken, niet onherroepelijk definitief verworven voor (de verweerster): particuliere bezwaarindieners hadden mogelijkerwijze dan zelf de Raad van State geadieerd, met mogelijkerwijze andere argumenten dan deze die totnogtoe in het (onderhavige alsmede het administratieve) geding zijn. 2.7.
- Bovendien is er de hoger vermelde tweede vergunningsaanvraag die werd ingediend door de NV Vestabuild voor (de verweerster) (zie stukken 11.1 en 11.3, dit laatste stuk betreft de eigen nota van de NV Vestabuild m.b.t. de hoorzitting van 13 september 2001 voor de Bestendige Deputatie welke op pagina 1 onderaan uitdrukkelijk vermeldt: ‘
- Tegen ontvangstbewijs dd. 30 september 1999 heeft beroepster een verkavelingsaanvraag ingediend in naam van de (de verweerster), ...') welke werd geweigerd maar waaromtrent een procedure voor de Raad van State hangende is. In deze procedure is er een gunstig advies van de Auditeur (zie hoger). Het is dan ook niet onmogelijk dat de verkavelingsvergunning alsnog wordt verkregen. Dit is een grote onbekende. Het spreekt vanzelf van (de verweerster) de onderhavige procedure mag activeren en niet dient te wachten op een einduitspraak van de Raad van State (en de eventuele reactie hierop van de gemeente Malle: vergunning alsnog verlenen of niet). 2.7.
- Gelet op wat voorafgaat, bestaat de schade van (de verweerster) m.b.t. de litigieuze verkavelingsvergunning dan ook slechts in het verlies van een kans. Deze kan ex aequo et bono geraamd worden op 25.000 euro" (...). Grieven
- Eerste onderdeel Krachtens de artikelen 1315, 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet degene die schadevergoeding vordert, bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals ze zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Genoemd verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade niet had kunnen ontstaan, zoals zij zich heeft voorgedaan. De rechter kan degene die een fout begaat niet veroordelen tot vergoeding van de werkelijk geleden schade, indien hij beslist dat er een onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade. Te dezen strekte de vordering van de verweerster niet tot de vergoeding van het verlies van een kans, maar wel van de schade, namelijk winstderving, die was ontstaan door de intrekking van de verkavelingsvergunning en de wegenisbeslissing. De verweerster vorderde de aanstelling van een deskundige om deze schade nauwkeurig te bepalen, alsook de veroordeling van alle tegenpartijen tot betaling van een bedrag van 966.784,75 euro, d.i. het door de verweerster voorlopig geraamde bedrag van de winstderving. Het bestreden arrest beslist dat de verweerster de vergunning, zelfs indien zij niet was ingetrokken, niet onherroepelijk definitief verworven had, nu particuliere bezwaarindieners mogelijkerwijze dan zelf de Raad van State hadden geadieerd. Het bestreden arrest sluit met die overwegingen noch met enige andere uit dat de door de verweerster aangevoerde schade, namelijk de winstderving die het gevolg is van het feit dat de verweerster haar perceel grond niet kan verkavelen, zich ook zonder de fouten van de provinciegouverneur en de gemeente - respectievelijk het schorsen en het intrekken van de beslissing tot het verlenen van een verkavelingsvergunning en van de wegenisbeslissing - had kunnen voordoen zoals ze ontstaan is. Door de eiseres te veroordelen tot vergoeding van de schade, terwijl er een onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade, schendt het bestreden arrest de artikelen 1315, 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek.
- Tweede onderdeel De feitenrechter kan het bedrag van de vergoeding tot herstel van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade ex aequo et bono ramen, mits hij de reden aangeeft waarom de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan worden aangenomen en tevens vaststelt dat het niet mogelijk is om de schade, zoals hij die heeft omschreven, anders te bepalen. Door de schade van de verweerster, die de appelrechters omschrijven als het verlies van een kans, ex aequo et bono te ramen op 25.000 euro, zonder vast te stellen dat het niet mogelijk is om deze anders te bepalen, schenden de appelrechters de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. B. Zaak C.06.0295.N De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het incidenteel hoger beroep van de eerste verweerster, dat er onder meer toe strekt om bij hervorming van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 22 maart 2004, haar oorspronkelijke vordering ten aanzien van de overige partijen gegrond te horen verklaren en deze partijen dienvolgens solidair, in solidum of de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding ten bedrage van 123.946,76 euro in afwachting van een deskundigenonderzoek, gegrond ten aanzien van de eiser, de tweede verweerster en de derde verweerster op grond van de volgende motieven: "2.
- Het optreden van de provinciegouverneur (de vierde verweerder) binnen het kader van het decreet van 28 april 1993 inzake het algemeen administratief toezicht, waarbij bij besluit van 29 maart 1995 de voormelde beslissingen van de gemeenteraad en het schepencollege van de gemeente Malle (de tweede verweerster) werden geschorst met verwijzing naar de ministeriële omzendbrief van 12 januari 1994, was onwettig. Immers noch de voorafgaande beslissing van de gemeenteraad omtrent de wegenis, noch de beslissing van het schepencollege omtrent de aflevering van de verkavelingsvergunning zijn onderhevig aan het algemeen administratief toezicht, gelet op het feit dat er hiervoor een bijzonder administratief toezicht is geregeld (J. Verkest, ‘De beoordeling van de goede plaatselijke aanleg en van de wegenbouwwerken door de gemeente en de gemachtigde ambtenaar bij het onderzoek van een verkavelingsaanvraag', T.R.O.S. 2003, afl. 29, 31-46). Derhalve is het decreet van 28 april 1993, meer bepaald art. 30, dat voorziet in een regeling van algemeen bestuurlijk toezicht, in casu in het geheel niet van toepassing nu een vorm van bijzonder bestuurlijk toezicht wordt opgelegd in de vorm van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar bij het afleveren van de verkavelingsvergunning en de beslissing van de gemeenteraad inzake de wegenis, en bovendien een administratieve beroepsmogelijkheid openstaat voor de gemachtigde ambtenaar. 2.
- Er bestaat geen valabele grondslag opdat resp. het college van burgemeester en schepenen en de gemeenteraad van de gemeente Malle (de tweede verweerster) op resp. 9 mei 1995 en 29 mei 1995 overgingen tot de intrekking van resp. de verkavelingsvergunning en het besluit inzake de wegenis. Er is geen manifeste onregelmatigheid aangetoond. Het hoger vermelde decreet van 28 april 1993 is, zoals gezegd, niet van toepassing. Een strijdigheid met enig beginsel van behoorlijk bestuur is niet aangetoond. Ook kan men in casu niet gewag maken van enige "in extremis" - beslissing die het beleid van het nieuwe gemeentebestuur nodeloos zou hypothekeren. Ook de argumentatie terzake de afwezigheid van woonbehoeftenstudie en de vrijwaring van het woonuitbreidingsgebied van de gemeente Malle (de tweede verweerster) kan niet worden gevolgd. Het litigieuze verkavelingsdossier was een vervolg op twee aanvragen tot het bekomen van een stedebouwkundig attest nr. 1 en 2 waarbij werd gesteld dat de ordening van het gebied vooreerst diende te worden vastgelegd, hetgeen overeenkomstig het Inrichtingsbesluit kan geschieden door het indienen van een globaal verkavelingsplan. De gemachtigde ambtenaar heeft in zijn gunstig advies een concreet onderzoek gedaan naar de verenigbaarheid van de verkavelingsaanvraag met de goede ruimtelijke ordening. Het verslag van de auditeur, inzake het annulatieberoep dat voor de Raad van State werd ingediend tegen de weigering van de (onder randnr. 2.2) hoger reeds vermelde opvolgende verkavelingsaanvraag door de NV Vestabuild (stuk 13 van de NV Ossegoor (de eerste verweerster), wijst eveneens de motivering van de gemeente Malle (de tweede verweerster) terzake de goede ruimtelijke ordening (met verwijzing naar de feitelijke situatie van het woonuitbreidingsgebied) af. Er kan dan ook worden aangenomen dat in casu het woonuitbreidingsgebied reeds was aangesneden en de litigieuze verkavelingsvergunning een terrein betrof in een reeds ontsloten woonuitbreidingsgebied, waarvan de ordening derhalve reeds was bepaald. Er bestond dan ook geen noodzaak tot het opmaken van een woonbehoeftenstudie. De resp. intrekkingen van de hoger vermelde verkavelingsvergunning en het besluit inzake de wegenis zijn dan ook foutief. 2.
- De NV Ossegoor (de eerste verweerster) heeft schade geleden door de intrekking van de voormelde verkavelingsvergunning en het besluit inzake de wegenis (zie hierna). Zij (de eerste verweerster) beschikte over een (op dat ogenblik) geldige verkavelingsvergunning, die foutief werd ingetrokken. Gelet op wat voorafgaat, bestaat er in eerste instantie een fout in hoofde van de gemeente Malle (de tweede verweerster) in oorzakelijk verband met de schade van de NV Ossegoor (de eerste verweerster). Er kan evenwel niet worden voorgehouden dat de provinciegouverneur (de vierde verweerder) geen fout beging die mede aan de oorzaak ligt van de schade (zie hierna) van de NV Ossegoor (de eerste verweerster); zijn (de vierde verweerder) actie (in toepassing van in casu niet toepasselijke wetgeving) ligt aan de basis van de intrekking door de gemeente (de tweede verweerster) van de litigieuze besluiten. Hierdoor werd de gemeente Malle (de tweede verweerster) (foutief, zoals thans blijkt) in zekere mate onder druk gezet om tot intrekking over te gaan. Immers, het optreden van de provinciegouverneur (de vierde verweerder) d.m.v. schorsingsbesluiten in het kader van het algemeen administratief toezicht, geeft de gemeente (de tweede verweerster) wel de mogelijkheid om haar beslissing (mits uitdrukkelijke motivering) te handhaven, maar het kan niet ontkend worden dat een schorsingsbesluit van de provinciegouverneur (de vierde verweerder) de beslissingsmacht van de gemeente (de tweede verweerster) in zekere mate beïnvloedt. In casu is dit zeker het geval geweest, vermits de gemeente (de tweede verweerster) in haar intrekkingsbesluiten de motieven van de schorsingsbesluiten van de Gouverneur (de vierde verweerder) heeft overgenomen. Vermits de provinciegouverneur (de vierde verweerder) is opgetreden als orgaan van het Vlaams Gewest (de eiser) (wat door deze laatste ook niet wordt ontkend) dient zijn (de vierde verweerder) fout vooreerst te worden toegerekend aan deze laatste (de eiser) (welke laatste immers evenmin geargumenteerd dat de provinciegouverneur (de vierde verweerder) door de foutieve toepassing van de regels van het algemeen administratief toezicht kennelijk zijn bevoegdheden als orgaan van het Vlaams Gewest (de eiser) heeft afgewend zodat er niet kan besloten worden tot een loutere persoonlijke aansprakelijkheid van de provinciegouverneur (de vierde verweerder)). Bovendien blijft de provinciegouverneur (de vierde verweerder) als overheid die in het kader van het algemeen administratief toezicht zijn schorsingsbevoegdheid uitoefent, orgaan de provincie (de derde verweerster) en handelt hij (de vierde verweerder) daarbij als orgaan van actief bestuur (in dezelfde zin mutatis mutandis: Gent, 3 mei 2000, R.W., 2002-03, 749, noot; de voorziening tegen dit arrest werd verworpen: Cass., 12 april 2002, R.W., 2002-03, 746, noot W. Lambrechts, "Eindelijk rechtsherstel, na bijna dertig jaar"; Rb. Gent, 6 april 2005, N.J.W., 2005, nr. 130, p. 1272-1275). De gemeente Malle (de tweede verweerster), het Vlaams Gewest (de eiser) evenals de Provincie Antwerpen (de derde verweerster) zijn terzake in solidum aansprakelijk voor de schade van de NV Ossegoor (de eerste verweerster)" (...). Grieven De appelrechters stellen op bladzijde 43 van het bestreden arrest vooreerst vast dat vierde verweerder door de toepassing van niet toepasselijke wetgeving een fout beging die mede aan de oorzaak ligt van de schade van de eerste verweerster. Op bladzijde 44 van het arrest overwegen zij vervolgens dat niet besloten kan worden tot de loutere persoonlijke aansprakelijkheid van de vierde verweerder en diens fout in eerste instantie moet worden toegerekend aan de eiser en de derde verweerster aangezien de vierde verweerder als orgaan van voornoemde partijen is opgetreden. Uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat de appelrechters minstens impliciet oordelen dat de vierde verweerder in beginsel eveneens persoonlijk aansprakelijk is voor de door hem begane fout. Voor zover de appelrechters de persoonlijke aansprakelijkheid van de vierde verweerder vervolgens uitsluiten, verduidelijken zij in het bestreden arrest niet op basis van welke overwegingen zij daartoe besluiten. Het arrest maakt geen melding van een grond van ontheffing van aansprakelijkheid aan de zijde van de vierde verweerder. Nu uit het bestreden arrest dus niet blijkt op welke grondslag de appelrechters de persoonlijke aansprakelijkheid van de vierde verweerder uitsluiten, schenden de appelrechters hun motiveringsverplichting zoals vervat in artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Minstens is het arrest aangetast door een tegenstrijdigheid van motieven nu de appelrechters enerzijds overwegen dat niet kan worden besloten tot de loutere persoonlijke aansprakelijkheid van de vierde verweerder, waaruit minstens impliciet blijkt dat zij van oordeel zijn dat de vierde verweerder eveneens persoonlijk aansprakelijk is, en anderzijds verder in het arrest niettemin oordelen dat de fout van vierde verweerder enkel de aansprakelijkheid van de eiser en de derde verweerster in het gedrang brengt (schending artikel 149 Grondwet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 144, 145 en 159 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 7, 11, 14, 14bis en 14ter van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State, zoals van toepassing na de wijziging bij Wet van 25 mei
- Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het incidenteel beroep van de eerste verweerster, in zoverre dit beroep ertoe strekt bij hervorming van het eerste vonnis de schorsingsbeslissing van de vierde verweerder van 29 maart 1995 en de daaropvolgende intrekkingsbesluiten van de tweede verweerster van 9 en 29 mei 1995 buiten toepassing te horen verklaren, gegrond op basis van de volgende motieven: "2.
- Overeenkomstig artikelen 144 en 145 van de Grondwet kunnen de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht kennis nemen van vorderingen tot schadevergoeding in natura of bij equivalent bij miskenning van subjectieve rechten. Artikel 159 Grondwet geeft de mogelijkheid voor de burger om de exceptie van onwettigheid in te roepen, maar tevens verschaft het de bevoegdheid aan de gewone hoven en rechtbanken om kennis te nemen van vorderingen die een rechtstreekse aanvechting van overheidsdaden tot voorwerp hebben en waarbij de rechter tot het onmiddellijk vrijwaren van de belangen van de belangen van de rechtzoekende geroepen is indien deze belangen door een bestuurshandeling, of door het ontbreken van dergelijke handeling, in gevaar worden gebracht. Daar waar de NV Ossegoor (de eerste verweerster) inderdaad subjectieve rechten (zie hierna, randnr. 2.7) heeft bekomen n.a.v. de aflevering van de litigieuze verkavelingsvergunning, kan in casu de NV Ossegoor (de eerste verweerster) evenwel geen herstel in natura bekomen (door het opnieuw doen herleven van de oorspronkelijke afgeleverde verkavelingsvergunning) doordat de litigieuze verkavelingsvergunning inmiddels werd ingetrokken. De litigieuze verkavelingsvergunning is immers definitief uit het rechtsverkeer verdwenen. De voormelde intrekking geldt immers als een administratieve weigeringsbeslissing. In casu kan dan ook hoogstens een schadevergoeding bij equivalent worden nagestreefd door de NV Ossegoor (de eerste verweerster). 2.
- Omwille van het feit dat de oorspronkelijke verkavelingsvergunning uit het rechtsverkeer is verdwenen, heeft de NV Ossegoor (de eerste verweerster) in ieder geval belang in de onderhavige procedure tot schadevergoeding, en dit ondanks het feit dat voor dezelfde gronden door de NV Vestabuild (voor de NV Ossegoor (de eerste verweerster)) een tweede verkavelingsaanvraag werd ingediend. De NV Ossegoor (de eerste verweerster) had subjectieve rechten bekomen (zie hierna randnummer 2.7.), ontleend aan de oorspronkelijke verkavelingsvergunning die uit het rechtsverkeer is verdwenen, maar er bestaat geen zekerheid dat er ooit een tweede verkavelingsvergunning wordt afgeleverd (Immers, deze tweede verkavelingsvergunning werd geweigerd, hiertegen is annulatieberoep ingesteld voor de Raad van State. Er is nog geen beslissing van de Raad van State, wel een voor de aanvrager gunstig advies van de auditeur. Als dit wordt gevolgd en de weigeringsbeslissing wordt vernietigd, betekent dit niet ipso facto dat de overheid genoodzaakt wordt daadwerkelijk een verkavelingsvergunning toe te kennen). 2.
- In casu dient te worden vastgesteld dat het gemeenteraadsbesluit van 7 november 1994 evenals het besluit van het College van burgemeester en schepenen van 13 december 1994 niet als onregelmatig kunnen worden beschouwd. Uit de loutere vaststelling dat leden van de raad en het college de vergadering verlieten bij de besluitvorming en uit het tijdsverloop waarbinnen het dossier werd afgehandeld kan dit niet worden afgeleid. Een en ander gebeurde na eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar. Zoals hierna nog zal blijken, kunnen ook de andere juridische en feitelijke argumenten ter ondersteuning van de litigieuze intrekkingen, niet worden aanvaard. 2.
- Het optreden van de provinciegouverneur (de vierde verweerder) binnen het kader van het decreet van 28 april 1993 inzake het algemeen administratief toezicht, waarbij bij besluit van 29 maart 1995 de voormelde beslissingen van de gemeenteraad en het schepencollege van de gemeente Malle (de tweede verweerster) werden geschorst met verwijzing naar de ministeriële omzendbrief van 12 januari 1994, was onwettig. Immers noch de voorafgaande beslissing van de gemeenteraad omtrent de wegenis, noch de beslissing van het schepencollege omtrent de aflevering van de verkavelingsvergunning zijn onderhevig aan het algemeen administratief toezicht is geregeld (J. Verkest, "De beoordeling van de goede plaatselijke aanleg en van de wegenbouwwerken door de gemeente en de gemachtigde ambtenaar bij het onderzoek van een verkavelingsaanvraag", T.R.O.S., 2003, afl. 29, 31-46). Derhalve is het decreet van 28 april 1993, meer bepaald art. 30, dat voorziet in een regeling van algemeen bestuurlijk toezicht, in casu in het geheel niet van toepassing nu een vorm van bijzonder bestuurlijk toezicht wordt opgelegd in de vorm van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar bij het afleveren van de verkavelingsvergunning en de beslissing van de gemeenteraad inzake de wegenis, en bovendien een administratieve beroepsmogelijkheid openstaat voor de gemachtigde ambtenaar. 2.
- Er bestaat geen valabele grondslag opdat resp. het college van burgemeester en schepenen en de gemeenteraad van de gemeente Malle (de tweede verweerster) op resp. 9 mei 1995 en 29 mei 1995 overgingen tot intrekking van resp. de verkavelingsvergunning en het besluit inzake de wegenis. Er is geen manifeste onregelmatigheid aangetoond. Het hoger vermelde decreet van 28 april 1993 is, zoals gezegd, niet van toepassing. Een strijdigheid met enig beginsel van behoorlijk bestuur is niet aangetoond. Ook kan men in casu niet gewag maken van enige "in extremis" -beslissing die het beleid van het nieuwe gemeentebestuur nodeloos zou hypothekeren. Ook de argumentatie terzake de afwezigheid van woonbehoeftenstudie en de vrijwaring van het woonuitbreidingsgebied van de gemeente Malle (de tweede verweerster) kan niet worden gevolgd. Het litigieuze verkavelingsdossier was een vervolg op twee aanvragen tot het bekomen van een stedebouwkundig attest nr. 1 en 2 waarbij werd gesteld dat de ordening van het gebied vooreerst diende te worden vastgelegd, hetgeen overeenkomstig het Inrichtingsbesluit kan geschieden door het indienen van een globaal verkavelingsplan. De gemachtigde ambtenaar heeft in zijn gunstig advies een concreet onderzoek gedaan naar de verenigbaarheid van de verkavelingsaanvraag met de goede ruimtelijke ordening. Het verslag van de auditeur, inzake het annulatieberoep dat voor de Raad van State werd ingediend tegen de weigering van de (onder randnr. 2.2) hoger reeds vermelde opvolgende verkavelingsaanvraag door de NV Vestabuild (...) (de eerste verweerster), wijst eveneens de motivering van de gemeente Malle (de tweede verweerster) terzake de goede ruimtelijke ordening (met verwijzing naar de feitelijke situatie van het woonuitbreidingsgebied) af. Er kan dan ook worden aangenomen dat in casu het woonuitbreidingsgebied reeds was aangesneden en de litigieuze verkavelingsvergunning een terrein betrof in een reeds ontsloten woonuitbreidingsgebied, waarvan de ordening derhalve reeds was bepaald. Er bestond dan ook geen noodzaak tot het opmaken van een woonbehoeftenstudie. De resp. intrekkingen van de hoger vermelde verkavelingsvergunning en het besluit inzake de wegenis zijn dan ook foutief" (...). Grieven
- Op grond van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet passen de hoven en de rechtbanken de algemene, plaatselijke en provinciale besluiten en verordeningen enkel toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Deze grondwetsbepaling heeft een algemene draagwijdte en is eveneens van toepassing op niet-verordenende beslissingen van de administratieve overheid en op bestuurshandelingen, zelfs al zijn deze van individuele aard.
- Op de burgerlijke hoven en rechtbanken rust bijgevolg de verplichting om in de geschillen die hun ter beoordeling voorgelegd worden, de besluiten van de administratieve overheid waarvan zij de onwettigheid vaststellen, niet toe te passen, zonder dat dit gebrek aan toepassing in het betrokken geschil raakt aan het bestaan van het administratieve besluit waarvan de toepassing in casu geweigerd wordt. Artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet machtigt de burgerlijke rechter niet om de onwettig bevonden administratieve besluiten erga omnes buiten toepassing te verklaren, welke bevoegdheid enkel toebehoort aan de afdeling administratie van de Raad van State. Het is de burgerlijke rechter enkel toegestaan om, met het oog op het effectief herstel van een geschonden subjectief recht, de uitvoering van het onwettig besluit te weigeren ten aanzien van de procespartij die het besluit in de procedure inroept en hieraan rechten tracht te ontlenen.
- In zoverre de appelrechters besluiten tot de onwettigheid van de schorsingsbeslissing van vierde verweerder van 29 maart 1995 en de daaropvolgende intrekkingsbesluiten van de tweede verweerster van 9 en 29 mei 1995, en vervolgens in het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest voormelde beslissing en besluiten erga omnes buiten toepassing verklaren, heeft het aldus door de appelrechters aan de eerste verweerster verleende rechtsherstel een algemene draagwijdte dat de grenzen van het geschil overstijgt, waardoor de appelrechters de in het middel aangehaalde grondwettelijke en andere wetsbepalingen schenden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Samenvoeging De cassatieberoepen in de zaken C.06.0285.N en C.06.0295.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd. A. De zaak C.06.0285.N Eerste middel
- Krachtens artikel 56, §1, eerste lid, van de Stedenbouwwet, zoals ter zake van toepassing, mag niemand een kavel, begrepen in een verkaveling, die bestemd is voor woningbouw of voor het opstellen van vaste of verplaatsbare inrichtingen, die voor bewoning kunnen worden gebruikt, te koop zetten of vrijwillig verkopen, voor meer dan negen jaar te huur zetten of verhuren, tenzij het college van burgemeester en schepenen voor die verkaveling vooraf schriftelijk en uitdrukkelijk vergunning heeft verleend. Krachtens artikel 57, §1, eerste lid, van de Stedenbouwwet zijn de artikelen 45, 46, 48, 53, 54 en 55 van deze wet mede van toepassing op de verkavelingsvergunning. De in artikel 54 bedoelde termijnen worden evenwel verdubbeld.
- Hieruit volgt dat de hoofdelementen van de procedure voor het bekomen van een verkavelingsvergunning dezelfde zijn als deze van een bouwvergunning.
- Krachtens artikel 45, §1 juncto 57, §1 van de Stedenbouwwet kan, zolang voor het gebied waarin het goed begrepen is, geen door de Koning goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, de verkavelingsvergunning niet worden verleend dan op eensluidend advies van de door de Minister gemachtigde ambtenaar of ambtenaren van het Bestuur van de Stedenbouw en de Ruimtelijke Ordening, verder "de gemachtigde ambtenaar" genoemd.
- Krachtens artikel 57bis, §1, van de Stedenbouwwet gelden voor de behandeling van de aanvraag, indien een verkavelingsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat en het college van burgemeester en schepenen bevindt dat de vergunning zijnentwege kan worden verleend, de volgende bijkomende formaliteiten: - het College van burgemeester en schepenen onderwerpt de aanvraag aan een openbaar onderzoek, waarvan de kosten ten laste van de aanvrager komen. De Koning bepaalt de wijze waarop dit onderzoek plaatsheeft; - de gemeenteraad neemt een besluit over de zaak van de wegen alvorens het College van Burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist.
- Deze beslissing van de gemeenteraad over de aanleg van nieuwe verkeerswegen of de tracéwijziging van bestaande wegen maakt deel uit van de procedure die dient gevolgd te worden voor het verlenen van een verkavelingsvergunning die de aanleg of wijziging van wegen inhoudt en is een component van het besluitvormingsproces dat leidt tot het verlenen van die vergunning.
- Krachtens artikel 45, §4, eerste lid, juncto 57, §1, van de Stedenbouwwet moet de verkavelingsvergunning het beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar overnemen. De aanvrager is gehouden de in dat advies gestelde voorwaarden in acht te nemen. Krachtens het tweede lid van voormeld artikel 45, §4, gaat de gemachtigde ambtenaar na of de procedure regelmatig was en of zijn advies in acht is genomen. Zo niet schorst hij de beslissing van het College en stelt dit laatste alsook de aanvrager daarvan in kennis binnen vijftien dagen na ontvangst van de vergunning. Binnen veertig dagen na de kennisgeving wordt de beslissing zo nodig door de Koning vernietigd. Heeft vernietiging binnen die termijn niet plaats, dan is de schorsing opgeheven. De vergunning moet dit lid overnemen. Krachtens artikel 54, §2, juncto 57, §1, van de Stedenbouwwet mag van de met toepassing van de artikelen 45 en 46 afgegeven verkavelingsvergunning gebruik worden gemaakt, indien binnen veertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, de gemachtigde ambtenaar geen beslissing tot schorsing van de vergunning ter kennis van de aanvrager heeft gebracht. De vergunning moet deze paragraaf overnemen.
- Uit voormelde bepalingen volgt dat een door het College van burgermeester en schepenen toegekende verkavelingsvergunning binnen vijftien dagen na ontvangst door de gemachtigde ambtenaar kan worden geschorst en pas uitvoerbaar wordt indien de aanvrager binnen veertig dagen na ontvangst van de vergunning geen beslissing tot schorsing ter kennis is gebracht.
- Het door de Stedenbouwwet georganiseerde specifiek bestuurlijk toezicht dat door de gemachtigde ambtenaar wordt uitgeoefend ten aanzien van een beslissing van het College van burgemeester en schepenen die een verkavelingsvergunning verleent, sluit de uitoefening van het algemeen bestuurlijk toezicht op de beslissing van het College van burgemeester en schepenen tot toekenning van de verkavelingsvergunning en op de voorafgaande beslissing van de gemeenteraad over de zaak van de wegen uit.
- Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 7 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen behoort de organisatie alsook de uitoefening van het gewoon administratief toezicht op de gemeenten in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de Brusselse randgemeenten en de gemeente Voeren, tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. Krachtens artikel 124, eerste lid, van de Provinciewet, is de gouverneur belast in de provincie met de tenuitvoerlegging van de wetten, van de decreten en van de besluiten van algemeen bestuur, alsmede van de besluiten van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, tenzij de wet, het decreet, de Koning of de regering er anders over beschikken. Krachtens artikel 30, §1, van het Decreet van de Vlaamse Raad van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, schorst de provinciegouverneur bij gemotiveerd besluit en binnen de termijnen bepaald in de artikelen 31 tot 33 van het Decreet, de uitvoering van het besluit, waarbij een gemeenteoverheid de wet schendt of het algemeen belang schaadt. Een afschrift van het schorsingsbesluit wordt zonder verwijl naar de Vlaamse regering gezonden.
- Uit voormelde bepalingen volgt dat in de uitoefening van die opdracht van algemeen bestuurlijk toezicht de gouverneur optreedt als orgaan van het Vlaamse Gewest en niet als orgaan van de provincie. Begaat de gouverneur hierbij een fout, dan brengt dit niet de aansprakelijkheid van de provincie in het gedrang.
- De appelrechters oordelen dat een provinciegouverneur die in het raam van het algemeen bestuurlijk toezicht een besluit van een gemeenteoverheid schorst, niet alleen optreedt als orgaan van het Vlaamse Gewest, maar ook als orgaan van de provincie.
- Door aldus te oordelen schenden zij artikel 30, §1, van het Decreet van de Vlaamse Raad van 28 april 1993, artikel 124, eerste lid, van de Provinciewet en de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Het middel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. B. De zaak C.06.0295.N Eerste middel
- De appelrechters oordelen: "Vermits de provinciegouverneur is opgetreden als orgaan van het Vlaams Gewest (wat door deze laatste ook niet wordt ontkend) dient zijn fout vooreerst te worden toegerekend aan deze laatste (welke laatste immers evenmin argumenteert dat de provinciegouverneur door de foutieve toepassing van de regels van het algemeen administratief toezicht kennelijk zijn bevoegdheden als orgaan van het Vlaams Gewest heeft afgewend, zodat er niet kan besloten worden tot een loutere persoonlijke aansprakelijkheid van de provinciegouverneur)".
- Het middel dat ervan uitgaat dat het arrest minstens impliciet de persoonlijke aansprakelijkheid van de vierde verweerder aanneemt, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het arrest oordeelt: - de respectievelijke intrekkingen van de hoger vermelde verkavelingsvergunning en het besluit inzake de wegenis zijn dan ook foutief; en "verklaart" in het dictum van de beslissing: - de schorsingsbeslissingen van de Gouverneur en de intrekkingsbeslissingen van de gemeenteraad en het schepencollege buiten toepassing; - zich evenwel zonder rechtsmacht om voor recht te zeggen dat de verkavelingsvergunning en de goedkeuring van de wegenis definitief verworven zijn.
- Het middel dat ervan uitgaat dat het arrest de schorsingsbeslissing en intrekkingsbesluiten erga omnes buiten toepassing verklaart, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.06.0285.N en C.06.0295.N. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de Provincie Antwerpen veroordeelt tot betaling aan de eerste verweerster van het bedrag van 25.000 euro meer de aldaar bepaalde interest en oordeelt over de kosten. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigd arrest. Veroordeelt de eiser in de zaak C.060295.N in de kosten van dit cassatieberoep. Houdt de kosten in de zaak C.06.0285.N aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten in de zaak C.06.0285.N begroot op de som van 1035,32 euro jegens de eisende partij en op de som van 170,41 euro jegens de eerste partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. De kosten in de zaak C.06.0295.N begroot op de som van 721,76 euro jegens de eisende partij, op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partij Ossegoor NV en op de som van 302,75 euro jegens de vierde partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Benoît Dejemeppe, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071011.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div