id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.8 Rolnummer: P.07.1370.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-11-26 Raadplegingen: 501 - laatst gezien 2026-07-03 22:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het bepalen van een datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen of waarop de directeur een nieuw advies moet uitbrengen is een discretionaire bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank, die haar beslissing ter zake niet nader hoeft te motiveren. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - TENUITVOERLEGGING VAN DE STRAFFEN - Externe rechtspositie veroordeelden - Modaliteiten door strafuitvoeringsrechtbank Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Niet toekennen van de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit - Bepalen van een datum voor nieuw advies of nieuw verzoek - Bevoegdheid - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 149 Wet - 17-07-1963 - Art. 57 - 01 ELI link Pub nr 1963071701 Tekst van de beslissing Nr. P.07.1370.N A V, veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen van 18 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Zowel de eiser zelf als zijn raadsman stelden op 20 september 2007 cassatieberoep in. Het eerste van beide cassatieberoepen is ontvankelijk, het tweede niet. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 57 Wet Strafuitvoering en van artikel 149 Grondwet.
- Het artikel 57 Wet Strafuitvoering zegt dat indien de strafuitvoeringsrechtbank de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, zij in haar vonnis de datum bepaalt waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen of de datum waarop de directeur een nieuw advies moet uitbrengen, deze termijn niet langer mag zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen en hij maximaal een jaar is in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt. Het bepalen van een datum voor een nieuw advies is een discretionaire bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank. Zij hoeft haar beslissing ter zake niet nader te motiveren. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 54 en 57 Wet Strafuitvoering.
- Sedert de wetswijzing bij artikel 63 van de wet van 27 december 2006 houdende diversie bepalingen (II), in werking getreden op 1 februari 2007, bepaalt artikel 54, eerste lid, Wet Strafuitvoering dat de strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. Het middel dat ervan uitgaat dat de strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering en van artikel 149 Grondwet.
- Artikel 47, § 1, 1°, Wet Strafuitvoering bepaalt dat met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering, de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde kunnen worden toegekend, voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op onder meer de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde.
- Anders dan het middel aanvoert, beantwoordt de motivering van het bestreden vonnis betreffende "een te gering vooruitzicht op een veilige sociale reclassering" aan de wettelijke bepaalde tegenaanwijzing van afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 5,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Paul Maffei, en op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080429.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div