id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071018.5 Rolnummer: F.06.0086.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-12-06 Raadplegingen: 609 - laatst gezien 2026-07-03 06:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 358, § 1, 3°, en §2, 3° van het W.I.B.
(1992)hebben als doel de administratie een verlengde termijn te geven waarin zij een aanslag kan vestigen in geval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren voor het jaar waarin de vordering is ingesteld; dit artikel laat aan de administratie niet toe verder terug te gaan dan tot de inkomsten van één van de vijf jaren die het instellen van de rechtsvordering voorafgaan die de niet-aangifte van belastbare inkomsten heeft uitgewezen; dat artikel sluit evenwel niet uit dat de administratie ook de inkomsten belast die na het instellen van de rechtsvordering niet zijn aangegeven en waarvan het bestaan aan het licht is gebracht door deze rechtsvordering. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Algemeen Vrije woorden: Verlengde aanslagtermijnen - Niet-aangegeven inkomsten uitgewezen door een rechtsvordering - Bijzondere termijn van 12 maanden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 358, § 2, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 358, § 1, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Fisc.Act. - Jo ROSELETH; Leo DE BROECK; Slaat artikel 358, §1,3 ook op inkomsten die niet zijn aanegeven na instellen vordering? - 2008, 1-5 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0086.N M.-P. J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Patrick Lauwers, advocaat bij de balie te Hasselt, kantoor houdende te 3500 Hasselt, Plantenstraat 49, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, Federale Overheidsdienst Financiën, voor wie optreedt de Gewestelijk Directeur der Directe Belastingen te Hasselt, met kantoren te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 april 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift vijf middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 358, §1, 3°, W.I.B. 1992, gewijzigd door artikel 72 van de Wet van 6 juli 1994 (B.S. 16 juli 1994), zoals van toepassing voor aanslagjaar
- Aangevochten beslissingen Doordat het hof van beroep na te hebben vastgesteld (p. 9 arrest) dat ‘uit de door eiser in voorziening niet betwiste gegevens van het administratief dossier, en in het bijzonder de brief van de Bijzondere Belastinginspectie Hasselt I aan de Hoofdcontroleur der belastingen te Lanaken van 30 november 1995 (stuk 26 A.D.), blijkt dat de rechtsvordering tegen eiser in voorziening werd ingesteld op 12 november 1991'. oordeelt dat ‘dan ook dient te worden besloten dat de aanslag binnen de termijn voorzien in artikel 358 W.I.B. 1992 werd gevestigd en dat niet nader dient te worden onderzocht of de voorwaarde van toepassing van de termijn voorzien in artikel 354, tweede lid W.I.B. 1992, te weten het bewijs van bedrieglijk opzet of een oogmerk om te schaden, al dan niet vervuld is'. Grieven Artikel 358, §1, 3° W.I.B. 1992 zoals het van toepassing was voor aanslagjaar 1992 bepaalt dat ‘de belasting of aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde termijn is verstreken ingeval, ... 3° een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de rechtsvordering is ingesteld'; Dat in casu niet betwist wordt dat de rechtsvordering werd ingesteld op 12 november
- Met als gevolg dat met toepassing van artikel 358, §1, 3° W.I.B. 1992 enkel de belastbare inkomsten kunnen belast worden die niet werden aangegeven gedurende de aanslagjaren 1986, 1987, 1988, 1989 en 1990, zijnde de vijf (aanslag)jaren vóór het instellen van de rechtsvordering, doch niet zoals in casu aanslagjaar
- zodat, door te beslissen dat in casu de inkomsten met betrekking tot aanslagjaar 1992 konden belast worden op basis van artikel 358, §1, 3° W.I.B. 1992, gelet op het instellen van de rechtsvordering op 12 november 1991, deze bepaling door het Hof van Beroep werd geschonden. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 (B.S. 17 februari 1994 (tweede uitgave)) en van de artikelen 346 en 351 W.I.B. 1992 zoals van toepassing voor aanslagjaar
- Aangevochten beslissingen Doordat het hof van beroep in het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld (p. 3 arrest) dat ‘de hoofdcontroleur (...) dienvolgens voornemens (was) om inkomsten uit baten van een winstgevende onderneming voor een bedrag van (79 x 15.000 BEF=) 29.375,38 euro (1.185.000 BEF) te belasten' en nadat eiser in zijn op 4 november 2004 neergelegde conclusies (zie p. 5 bovenaan arrest) opmerkte: ‘bovendien is de aanslag niet gevestigd overeenkomstig de aangekondigde wijzigingen in het bericht van wijziging (kennisgeving van aanslag van ambtswege)'. In het bericht van wijziging (kennisgeving aanslag van ambtswege) wordt immers gemeld dat ‘baten van een winstgevende bezigheid' zullen belast worden, terwijl in de aanslag ‘winsten van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven' belast worden, zijnde een ander inkomen waarvoor er geen forfait geldt voor aftrek van kosten (zie stukken 195 en 196 administratief dossier neergelegd door administratie voor het hof van beroep). ‘Met als gevolg dat ‘de aanslag bijgevolg willekeurig en dus nietig is', geen oordeel velt over dit door eiser in zijn conclusies opgeworpen argument. Grieven Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed moet zijn. Dat dit veronderstelt dat de rechter, in casu het hof van beroep, antwoord op de door eiser opgeworpen grieven. Dat door in de beslissing geen oordeel uit te spreken over de door eiser opgeworpen grief in verband met de schending van de artikelen 346 en 351 W.I.B. 1992, artikel 149 van de Grondwet wordt geschonden, dat nochtans de artikelen 346 en 351 W.I.B. 1992 zoals van toepassing voor aanslagjaar 1992, uitdrukkelijk voorschrijven dat indien de Administratie de inkomsten en andere gegevens meent te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in zijn aangifte, dan wel schriftelijk heeft erkend, de Administratie de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief in kennis dient te stellen van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen. Dat dit in casu niet gebeurde doordat een ‘winst van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven' werd belast in plaats van de aangekondigde ‘baat van een winstgevende bezigheid', zodat door het belasten van een inkomen als een ‘winst van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven', hetgeen niet overeenkomt met hetgeen aangekondigd werd in het bericht van wijziging en de kennisgeving van aanslag van ambtswege, te weten het belasten van een inkomen als een ‘baat van een winstgevende bezigheid', de artikelen 346 en 351 W.I.B. 1992 werden geschonden en door niet te antwoorden op de grieven die door eiser in dit verband werden ingeroepen, artikel 149 van de Gecoordineerde Grondwet werd geschonden. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 351 W.I.B. 1992 zoals van toepassing voor aanslagjaar 1992 en van artikel 1110 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Doordat het Hof, na te hebben vastgesteld (p. 12 arrest) dat ‘eiser in voorziening (...) niet (betwist) het bericht van wijziging van 4 december 1995 te hebben ontvangen' en stelt dat ‘ten overvloede mag worden opgemerkt dat de kennisgeving van aanslag van ambtswege impliciet doch zeker verwijst naar het bericht van wijziging van aangifte en dat deze impliciete doch zekere verwijzing moest volstaan om eiser in voorziening toe te laten de meegedeelde gegevens te bespreken en gebeurlijk te weerleggen', het Hof verder, na te hebben vastgesteld dat eiser zich akkoord verklaarde met de kennisgeving van aanslag van ambtswege, stelt dat belastingplichtige weliswaar gebonden is door het akkoord doch, gelet op het openbare orde karakter van de fiscale wetgeving, hierop kan terugkomen als hij het bewijs levert dat het akkoord aangetast is door een dwaling/vergissing in feite of in rechte of door een wilsgebrek, het Hof oordeelt dat een verschoonbare dwaling in hoofde van eiser niet aanwezig is aangezien de kennisgeving van aanslag van ambtswege voldoende gegevens bevatte omtrent de voorgenomen aanslag van niet aangegeven inkomsten om eiser toe te laten de voorgenomen aanslag te onderzoeken, te verwerpen of aan te nemen, Artikel 351 W.I.B. 1992 uitdrukkelijk bepaalt: ‘Voor de aanslag van ambtswege wordt gevestigd, geeft de Administratie bij ter post aangetekende brief aan de belastingplichtige kennis van de redenen waarom zij van die procedure gebruik maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld', dat artikel 351 W.I.B. 1992 derhalve expliciet voorschrijft dat per aangetekend schrijven aan de belastingplichtige moeten worden meegedeeld, de redenen waarom van de procedure wordt gebruik gemaakt, het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen en de wijze waarop de inkomsten en gegevens zijn vastgesteld. Dat een impliciete verwijzing naar een bericht van wijziging - ter zake wordt enkel aangehaald dat niet binnen de door de Wet gestelde termijn werd geantwoord op het bericht van wijziging betreffende de aangifte in de personenbelasting (bericht dd. 4.12.95) (zie stuk 196 adm. dossier) - waarvan ten andere niet vaststaat dat het werd ontvangen, niet volstaat om te voldoen aan de vereisten voorgeschreven in artikel 351 W.I.B. 1992, dat verder, uit het feit dat de kennisgeving van aanslag van ambtswege niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 351 W.I.B. 1992 en derhalve in strijd is met deze bepaling, eiser op basis van deze kennisgeving niet in de gelegenheid werd gesteld om met kennis van zaken een akkoord te ondertekenen, akkoord dat ten andere niet werd gevolgd nu de aanslag eveneens gevestigd werd op basis van andere gegevens dan vermeld in de kennisgeving van aanslag van ambtswege. Grieven zodat door te beslissen dat een impliciete verwijzing van de kennisgeving van aanslag van ambtswege naar het bericht van wijziging volstaat om de voorgenomen aanslag te onderzoeken, te verwerpen of aan te nemen, artikel 351 W.I.B. 1992 werd geschonden, en, door te beslissen dat het akkoord van eiser met de kennisgeving van aanslag van ambtswege bindend is zodat eiser zich niet kan beroepen op een verschoonbare dwaling, artikel 351 W.I.B. 1992 en artikel 1110 van het Burgerlijk Wetboek werden geschonden. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 (B.S. 17 februari 1994 (tweede uitgave)), van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen. Aangevochten beslissingen Doordat het Hof oordeelt dat in de betwiste aanslag voor het aanslagjaar 1992 (...) toepassing (werd) gemaakt van een belastingverhoging, waarmee eiser zich ondubbelzinnig akkoord heeft verklaard door de kennisgeving van aanslag van ambtswege voor akkoord te ondertekenen, terwijl een belastingverhoging op basis van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 en op basis van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 uitdrukkelijk dient te worden gemotiveerd. Meer bepaald vereist artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk gemotiveerd moeten zijn en artikel 3 van diezelfde Wet dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet afdoende zijn. Artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 bepaalt verder dat telkens wanneer een belastingadministratie een bericht zendt waarbij hem (de belastingplichtige) een administratieve boete (of belastingverhoging; Arbitragehof 18 april 2001, nr. 48/2001, B.S. 19 juni 2001, F.J.F. No. 2002/116 en Cass. 8 oktober 2001, F.J.F. No. 2001/297) wordt opgelegd, dit bericht de feiten dient te vermelden die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en de motieven geven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen, dat in de kennisgeving van aanslag van ambtswege (stuk 196 adm. dossier), noch in enig ander bericht, aan deze voorwaarden is voldaan, zodat uit de ondertekening voor akkoord van de kennisgeving van aanslag van ambtswege, geen akkoord met de opgelegde belastingverhoging van 50 pct. kan worden afgeleid. Eiser werd immers door het gebrek in de motivering niet in de mogelijkheid gesteld het opleggen van de verhoging te onderzoeken, te verwerpen of aan te nemen, zodat door te beslissen dat het akkoord van eiser met de kennisgeving van aanslag van ambtswege ook een akkoord inhoudt met de opgelegde belastingverhoging van 50 pct., het Hof niet antwoord op de argumenten aangehaald door eiser in zijn beroepsbesluiten zodat artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet geschonden is en verder de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 en artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 werden geschonden. Vijfde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 24, 27 en 90, 1° van het W.I.B. 1992, zoals van toepassing voor aanslagjaar
- Aangevochten beslissingen Doordat het Hof, oordeelt (p. 12 arrest) dat ‘ervan uitgaande dat er in één jaar ongeveer 240 werkdagen zijn, dient te worden vastgesteld dat eiser in voorziening in 1991 gemiddeld om de drie dagen meewerkte aan een autodiefstal, die hem 15.000 BEF per diefstal of nog 5.000 BEF per werkdag opbracht' en dat ‘gezien de regelmaat van deze activiteit en de hoegrootheid van de bekomen inkomsten, (deze) inkomsten terecht als inkomsten uit een zelfstandige beroepsactiviteit (werden) belast'. terwijl een beroepswerkzaamheid slechts aanwezig is indien het gaat om een geheel van verrichtingen die zich vaak genoeg voordoen en met elkaar verbonden zijn om een voortdurende en gewone bedrijvigheid op te leveren en die, vallend buiten het normale beheer van het privaat vermogen, een beroepskarakter hebben (Cass. 6 mei 1969, Arr. Cass. 1969, p. 866). De aanwezigheid van een beroepswerkzaamheid veronderstelt een zekere organisatie die in het leven wordt geroepen en veronderstelt per definitie dat men frequent met de betrokken handelingen bezig is. Het hebben van een beroepswerkzaamheid veronderstelt dat men met een bepaalde infrastructuur, met publiciteit, naar buiten treedt teneinde kopers te vinden (zie Cass. 14 januari 1991, F.J.F. No. 91/171). Onroerende verrichtingen vormen een handelsactiviteit indien het gaat om talrijke verrichtingen die een geheel vormen (verkavelingen, infrastructuurwerken, publiciteit) (Antwerpen 23 december 1991, F.J.F. No. 92/63). Het beroep doen op een organisatie om een zeer belangrijk onroerend goed te verkavelen en te verkopen, en het verwerven van delen in de onverdeeldheid met het aangaan van een belangrijk risico, overschrijdt het normaal beheer van het privé-vermogen (Brussel 3 maart 1994, F.J.F. No. 94/107). Een privé-werkzaamheid met vermogensbestanddelen zal slechts dan een bedrijfsinkomen worden, wanneer ze in zekere zin op een hoog georganiseerde manier geschiedt (Antwerpen 2 oktober 1995, F.J.F. No. 95/201). Een beroepswerkzaamheid is slechts aanwezig indien de verrichtingen werden gerealiseerd op een systematische, geprogrammeerde manier en ingegeven door de bedoeling een onroerend vermogen op te bouwen waarvan de vruchten, relatief belangrijk, de enige winstgevende activiteiten uitmaken van de belastingplichtige (Luik 24 februari 1995, F.J.F. No. 96/195). Een beroepswerkzaamheid is slechts aanwezig wanneer de gerealiseerde operaties voldoende frequent met elkaar verbonden zijn om een bestendige bezigheid uit te maken (in casu 46 verhuringen en bepaalde bijkomende prestaties) (Bergen 7 juni 1996, F.J.F. No. 96/228). Is geen normaal beheer van het privaat vermogen, het verwerven van een onverdeelde helft en vervolgens het deelnemen aan een vastgoedproject waarvan het welslagen en rendement onmogelijk op voorhand gekend is (Luik 26 maart 1999, F.J.F. No. 99/189). De loutere afleiding gemiddeld om de drie dagen (als chauffeur) deel te hebben genomen aan een diefstal - zonder dat aangegeven wordt in welke tijdspanne de verrichtingen gebeurden en zonder dat aangetoond wordt dat dit gepaard ging met een organisatie vanwege eiser - en het gegeven dat dit 15.000 BEF (371,84 euro) per diefstal opleverde, toont niet aan dat het ging om een geheel van verrichtingen die zich vaak genoeg voordoen en die met elkaar verbonden zijn om een voortdurende en gewone bedrijvigheid op te leveren en die, vallend buiten het normale beheer van het privaat vermogen, een beroepskarakter hebben, zodat door te beslissen dat de behaalde ‘inkomsten' terecht als inkomsten uit een zelfstandige beroepsactiviteit werden belast, de artikelen 24, 27 en 90, 1° van het W.I.B. 1992 werden geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Artikel 358, §1, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bepaalt dat de belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld.
- Artikel 358, §2, 3°, van hetzelfde wetboek bepaalt dat in die gevallen de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de in §1, 3°, genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingesteld.
- Artikel 358 heeft als doel in de gevallen erin bepaald, de administratie een verlengde termijn te geven waarin zij een aanslag kan vestigen. Dit artikel laat aan de administratie niet toe verder terug te gaan dan tot de inkomsten van één van de vijf jaren die het instellen van de rechtsvordering voorafgaan die de niet-aangifte van belastbare inkomsten heeft uitgewezen. Dit artikel sluit evenwel niet uit dat de administratie ook de inkomsten belast die na het instellen van de rechtsvordering niet zijn aangegeven en waarvan het bestaan aan het licht is gebracht door deze rechtsvordering. Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht. Tweede middel
- De appelrechters zetten op p. 7 en 8 van het arrest onder de rubriek 2.1 betreffende de ontvankelijkheid van de nieuwe grieven uiteen waarom op bepaalde grieven vervat in de conclusie van de eiser van 4 november 2004 dient te worden geantwoord en op andere niet. De appelrechters motiveren aldus waarom de grief aangehaald in het middel niet moet worden beantwoord.
- In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 346 en 351 Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)is het gericht tegen de aanslag en niet tegen de aangevochten beslissing. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- De appelrechters oordelen op p. 11 van het arrest onder de rubriek 2.4 betreffende het akkoord met de kennisgeving van aanslag van ambtswege dat de eiser de kennisgeving van aanslag van ambtswege voor akkoord heeft ondertekend en teruggezonden en dat een dergelijk akkoord dezelfde bewijskracht heeft als de aangifte, wier plaats zij inneemt en dat de administratie gerechtigd is op basis van de in de akkoordverklaring vermelde gegevens de aanslag te vestigen.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat de betwiste aanslag geldig is gevestigd doordat de kennisgeving van aanslag van ambtswege, waarvan sprake in artikel 351 Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), impliciet verwijst naar het bericht van wijziging, berust het op een verkeerde lezing.
- Het middel verwijt de appelrechters voorts te oordelen dat het akkoord van de eiser met de kennisgeving van aanslag van ambtswege bindend is zodat de eiser zich niet kan beroepen op een verschoonbare dwaling. De appelrechters laten hun beslissing dat de eiser zich niet kan beroepen op een verschoonbare dwaling evenwel niet afhangen van het bindend karakter van het akkoord van de eiser met de kennisgeving van aanslag van ambtswege. Het arrest stelt vooreerst dat de belastingplichtige weliswaar gebonden is door het akkoord, maar hierop kan terugkomen als hij het bewijs levert dat het akkoord aangetast is door een dwaling, een vergissing in feite of in rechte of door een wilsgebrek. Het hof van beroep oordeelt vervolgens dat de eiser zich niet kan beroepen op een verschoonbare dwaling daar de kennisgeving van aanslag van ambtswege voldoende gegevens omtrent de voorgenomen aanslag bevatte om hem toe te laten die aanslag te onderzoeken. De grief berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- De eiser voert schending aan van artikel 149 van de Grondwet zonder evenwel de vordering, het verweer of de exceptie aan te geven waarop niet is geantwoord. Het Hof is daardoor niet in staat na te gaan of het bestreden arrest de bekritiseerde beslissing toepast zonder te antwoorden op de conclusie van de eiser. Het middel is in zoverre onduidelijk.
- De overige in het middel aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit het vergeefs aangevoerd motiveringsgebrek. Het middel is niet ontvankelijk. Vijfde middel
- Het middel geeft niet aan op welke manier de appelrechters artikel 90, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)schenden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk bij gebrek aan nauwkeurigheid. 12. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 24 en 27 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)gaat het ervan uit dat de appelrechters uit de door hen vastgestelde feitelijke elementen niet konden afleiden dat de eiser een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefende. In zoverre vereist het middel een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van honderd en elf euro twaalf cent door eiser betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 18 oktober 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071018.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.3 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100211.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131017.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div