id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071025.1 Rolnummer: C.06.0410.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-11-26 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-07-03 06:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche De mogelijkheid voor de deskundigen de vervulling van hun opdracht uit te stellen totdat de meest gerede partij op de griffie een voorschot in consignatie heeft gegeven, is - in tegenstelling tot de regeling van de bepaling van het bedrag van hun ereloon en kosten na de inlevering van hun verslag - toepasselijk op de voorschotten die vereist zijn tijdens het deskundigenonderzoek, en het opleggen van betaling ervan aan de deskundige is niet noodzakelijk beperkt tot de partij die het deskundigenonderzoek heeft gevorderd
(1)De wet van 15 mei 2007 "tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek (...) (B.S. 22 aug. 2007) voert een andere regeling in. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek - Algemeen Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Betaling van voorschotten - Gehouden partij Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 984 en 990, eerste, derde en vierde lid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0410.N BALMORAL GROUP LIMITED, vennootschap naar Schots recht, met zetel te Aberdeen (Schotland), Balmoral Park, Loirston, AB 12 3GY, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- MDC SYSTEMS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 3980 Tessenderlo, Hulsterweg 7A, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- CORCON, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9300 Aalst, Molendreef 43,
- CORCONI, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 9300 Aalst, Molendreef 47A,
- WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 56,
- AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, verweersters, de tweede tot en met de vijfde verweerster minstens opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking, op 2 november 2005 in laatste aanleg gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Hasselt. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 984 en 990 in het bijzonder het eerste en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen
- De bestreden beslissing "verklaart het verzoek van (de eerste verweerster) ontvankelijk en gegrond; veroordeelt (de eiseres) tot verdere provisionering van de gerechtsdeskundige overeenkomstig artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek met inbegrip van de 12.500,00 euro die voordien was gevraagd van (de eerste verweerster); verleent een bevel van tenuitvoerlegging jegens (de eiseres) ad 12.500,00 euro + 60.000,00 euro, hetzij totaliter ad 72.500,00 euro".
- De rechtbank stelt vast dat rechtspraak en rechtsleer verdeeld zijn omtrent de vraag tegen wie het bevel tot tenuitvoerlegging in de zin van artikel 990, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan gericht worden. Na "vier strekkingen" te hebben uiteengezet (beschikking, p. 8), treedt de beschikking de opvatting ("derde strekking") bij dat het bevel tot tenuitvoerlegging kan gericht worden tegen de meest gerede partij waarvan sprake in artikel 990, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij tegen de partijen in het derde lid van artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij tegen de partij die de uitvoering van het deskundigenonderzoek heeft gevorderd (...)" (beschikking, p. 8, lid 4; p. 9, lid 1).
- De ("vierde") strekking die stelt (beschikking, p. 8, lid 5) dat het in beginsel enkel, maar ook tezelfdertijd steeds, de partij is die de expertise heeft gevorderd, of, indien ze ambtshalve werd bevolen, ze heeft doen uitvoeren, die gehouden is het voorschot te storten, op gevaar af dat de deskundige voor de situatie komt te staan over de uitvoerbare titel te beschikken tegen een partij die het voorschot niet heeft gestort, waardoor hij geen aanspraak zou kunnen maken op het ter griffie geconsigneerde bedrag, vindt volgens de bestreden beschikking (p. 9, lid 1) "geen steun in het feit dat de meeste gerede partij in de zin van artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek een andere partij kan zijn dan die aangeduid in artikel 984 van het Gerechtelijk Wetboek" (beschikking, p. 9, lid 1). De beschikking overweegt (p. 8, nr. 3.4) dat "alhoewel de vierde opvatting door heel wat rechtspraak werd nagevolgd, (...), (het cassatiearrest van 16 november 1989, A.C. 1989-90, 373) "op verschillende wijze wordt geïnterpreteerd en dat het arrest zelf, behoudens de aanvoering van het middel door de eiser in cassatie, niet spreekt over artikel 990, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek (...)".
- De bestreden beschikking (p. 9) steunt daarenboven op volgende overwegingen: "Het ganse artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek dient als een geheel te worden gelezen, en heeft enkel betrekking op de uitvoerbaarverklaring van het voorschot tijdens het deskundigenonderzoek en niet na inlevering van het verslag (zij het op het einde van het deskundigenonderzoek)". "In gezelschap van auteurs Lysens en Naudts stelt deze rechtbank dat artikel 990, vierde lid, van toepassing is op alle partijen in de zin dat de rechter de meeste gerede partij kan aanduiden en kan veroordelen tot consignatie van de provisie na alle partijen en de deskundige te hebben gehoord (...)". "Ook proceseconomische redenen pleiten hiervoor nu, wanneer partijen het oneens zijn wie de provisie moet consigneren, partijen uit deze impasse moeten kunnen geraken, en de mogelijkheid moet bestaan om deze patstelling voor te leggen aan de rechtbank" (beschikking, p. 9, lid 4).
- Na aldus te hebben overwogen dat artikel 990, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op alle partijen in de zin dat de rechter de "meeste gerede partij" kan aanduiden en veroordelen tot consignatie van de provisie, oordeelt de rechtbank (p. 10 onderaan) dat "waar (de verweerster) aanvankelijk als, meest gerede partij werd aanzien (zij vroeg ondergeschikt om het deskundigenonderzoek en werd tevens tot een provisie veroordeeld op tegeneis), vanaf 15 december 2004 (na het neerleggen van het eindverslag nopens de technische aansprakelijkheid) (de eiseres) moet aanzien worden als ‘meest gerede partij'". De rechtbank steunt deze beslissing o.m. op de overwegingen dat: "ook (de eiseres) bijkomende en bijzondere onderzoeksdaden heeft gevraagd; (beschikking, p. 9, onderaan); (de eiseres) zich zelf heeft veruitwendigd als belanghebbende partij bij het onderzoek; (beschikking, p. 10); het bijzonder onbillijk zou zijn precies die partij voorschotten aan de deskundige te laten betalen (...), die door het deel I van het eindverslag van de deskundige niet wordt aangeduid als technisch aansprakelijke partij" (p. 10, voorlaatste lid)".
- Met betrekking tot de reeds vroeger van (de eerste verweerster) gevraagde provisie van 12.500,00 euro, oordeelt de beschikking (p. 11, nr. 3.6) dat (de eiseres) ten onrechte stelt dat deze provisie enkel kaderde in het licht van artikel 984 van het Gerechtelijk Wetboek. Daarbij steunt de rechtbank op volgende overwegingen (p. 11, nr. 3.6): "Vooreerst heeft de deskundige geen eindverslag over alle aspecten van het gevorderde door de rechtbank neergelegd. Vervolgens betreft zijn ‘tussentijdse staat van kosten en ereloon' geen eindstaat, waarop een deel onbetaald bleef, zodat artikel 984 van het Gerechtelijk Wetboek dan ook niet van toepassing is". Grieven Eerste onderdeel In haar conclusie voor de rechtbank liet de eiseres gelden (p. 9, nr. 17) dat artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek geenszins toelaat aan een rechter om een bepaalde procespartij te veroordelen tot betaling van het voorschot dat de gerechtsdeskundige krachtens dit artikel gerechtigd is om te vragen vooraleer hij met zijn werkzaamheden van start gaat. De eiseres verwees naar rechtspraak en rechtsleer en preciseerde dat "de reden hiervoor is dat partijen vrij zijn om al dan niet deel te nemen aan een deskundigenonderzoek (conclusie, p. 9, nr. 17). Een andersluidende opvatting waarbij de partijen "gedwongen" zouden kunnen worden om aan een deskundigenonderzoek deel te nemen, zou "strijdig zijn met het accusatoir karakter van de procedure van de burgerlijke rechtbanken" (conclusie, p. 10, lid 1 en lid 2). Noch door de bovenvermelde redenen noch door andere redenen beantwoordt de beschikking dit in conclusie aangevoerd middel. De beschikking is bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tweede onderdeel Schending van de artikelen 984 en 990, in het bijzonder het eerste en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Door de eiseres te veroordelen tot verdere provisionering van de gerechtsdeskundige overeenkomstig artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek met inbegrip van het bedrag van 12.500,00 euro dat voordien van de eerste verweerster was gevraagd en door een bevel van tenuitvoerlegging jegens de eiseres te verlenen van 12.500,00 euro + 60.000,00 euro, samen 72.500,00 euro op grond dat de eiseres "vanaf 15 december 2004 (...) aangezien moet worden als meest gerede partij in de zin van artikel 990, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek" (beschikking p. 10, laatste lid) terwijl de beschikking vaststelt (p. 10, laatste lid) dat het de eerste verweerster was die het deskundigenonderzoek vroeg, schendt de bestreden beschikking de artikelen 984 en 990 (in het bijzonder het eerste en vierde lid) van het Gerechtelijk Wetboek. Een deskundigenonderzoek is immers in de regel, een maatregel tot bewaring van rechten van de partij die het deskundigenonderzoek heeft gevorderd. Krachtens artikel 984 van het Gerechtelijk Wetboek is een vonnis dat op verzoek van de gerechtsdeskundige het bedrag van een ereloon en kosten begroot, uitvoerbaar tegen de partij die het deskundigenonderzoek heeft gevorderd. Ook het bevel tot tenuitvoerlegging van het door de rechter vastgesteld bedrag, in de zin van artikel 990, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan alleen gegeven worden lastens de partij die het deskundigenonderzoek heeft gevorderd. De rechtbank die vaststelt dat het deskundigenonderzoek was gevorderd door de verweerster kon derhalve niet, zonder schending van de twee bovenvermelde wetsbepalingen, de veroordeling tot verdere provisionering en het bevel van tenuitvoerlegging lastens de eiseres uitspreken. Derde onderdeel In haar conclusie voor de rechtbank (p. 7, nr. 12) voerde de eiseres aan dat: "de provisie van 12.500,00 euro die door de deskundige werd gevraagd op 15 december 2004 (...) niet kan worden beschouwd als een ‘voorschot' van kosten en ereloon met betrekking tot nog uit te voeren expertiseverrichtingen in de zin van artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek". Het betrof volgens de eiseres reeds gemaakte prestaties, hetgeen bleek uit de staat van kosten en ereloon van gerechtsdeskundige gevoegd bij het ‘definitief verslag met betrekking tot het eerste deel van de opdracht; dit werd ‘bevestigd' door de gerechtsdeskundige in zijn brieven aan de raadsman van (de verweerster) dd. 12 april 2005, 9 mei 2005 en 8 juni 2005 (stukken 11, 12 en 13)" (conclusie, p. 7, nr. 12) en erkend door (de verweerster) in haar verzoekschrift". Het arrest dat zich beperkt tot de vaststelling (p. 11, nr. 3.6, lid 2) dat het een "tussentijdse staat" van kosten en erelonen" en "geen eindstaat" betreft, "waarop een deel onbetaald bleef zodat artikel 984 van het Gerechtelijk Wetboek dan ook niet van toepassing is" antwoordt niet op bovenvermelde middel uit de conclusie waarin werd aangetoond waarom het bedrag van 12.500,00 euro betrekking had op een vergoeding voor "reeds gemaakte prestaties" zodat het niet ging om nog uit te voeren expertiseverrichtingen in de zin van artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek dat ambtshalve niet toepasselijk was (conclusie p. 8, lid 1). De eiseres voerde daarbij aan dat dit overigens gold voor het volledige bedrag van het saldo van de staat van kosten en erelonen van de gerechtsdeskundige van 8 augustus 2005 van 17.908,07 euro (waarin de gevraagde provisie van 12.500,00 euro begrepen is (conclusie, p. 8, nr. 13, lid 2). Bij gebrek aan antwoord op deze middelen uit de conclusie, is de beschikking niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De bestreden beschikking verwerpt het bedoelde verweer met de redenen die het aangeeft, zonder dat het nog afzonderlijk dient te antwoorden op het in het onderdeel bedoelde verweer dat enkel een argument was van de eiseres tot staving van haar stelling. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Artikel 990, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de deskundigen de vervulling van hun opdracht kunnen uitstellen totdat de meest gerede partij op de griffie een voorschot in consignatie heeft gegeven om in een gematigde verhouding tot zekerheid te dienen van de betaling van hun ereloon en de vergoeding van hun kosten. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de consignatie van het voorschot moet worden verricht door de partij die volgens bijzondere wetten of artikel 1017, tweede lid, van dit wetboek steeds in de kosten wordt verwezen. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat in geval van betwisting of wanneer de partij het verschuldigd voorschot niet stort, de rechter die het deskundig onderzoek gelast heeft, op verzoek van de meest gerede partij, een bevel tot tenuitvoerlegging geeft ten belope van het bedrag dat hij vaststelt, na zo nodig de opmerkingen van de betrokkenen in raadkamer te hebben gehoord.
- Uit artikel 984, tweede lid, van het Gerechtelijk wetboek volgt dat, indien de partijen niet schriftelijk binnen vijftien dagen na de inlevering van het verslag, hun instemming met het bedrag van het ereloon en de kosten die door de deskundigen zijn gevorderd, aan de rechter hebben meegedeeld, de rechter tot wie de deskundige of een van de partijen zich met een verzoekschrift heeft gewend het bedrag van het ereloon en de kosten bepaalt en dat het vonnis uitvoerbaar is tegen de partijen die het deskundigenonderzoek hebben gevorderd of tegen die welke het, ingeval het ambtshalve bevolen is, hebben doen uitvoeren.
- Uit de voorgaande wettelijke bepalingen volgt dat artikel 990 van het Gerechtelijk wetboek, in tegenstelling tot artikel 984 van dit wetboek, toepasselijk is op de voorschotten die vereist zijn tijdens het deskundigenonderzoek en het opleggen van betaling van voorschotten aan de deskundige, niet noodzakelijk beperkt is tot de partijen die het deskundigenonderzoek hebben gevorderd. Het onderdeel faalt naar recht. Derde onderdeel
- De bestreden beschikking stelt onder randnummer 6 vast dat de deskundige, na de verwerking van de opmerkingen van de partijen, een staat indiende van 33.963,07 euro voor het eerste deel van de expertise, waarop een bedrag van 16.055,00 euro door de eiseres werd geprovisioneerd en dat de deskundige tevens een raming maakte van de nog te verwachten kosten voor het tweede deel van de expertise.
- De bestreden beschikking oordeelt onder randnummers 3.
- en 3.
- dat artikel 984 van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk is op het geval dat het deskundigenverslag is neergelegd bij de voltooiing van de opdracht van de deskundigen. Het oordeelt onder randnummer 3.
- dat het artikel 990 van het Gerechtelijk wetboek als een geheel moet worden gelezen en enkel betrekking heeft op de uitvoerbaarverklaring van het voorschot tijdens het deskundigenonderzoek en niet na de inlevering van het verslag op het einde van het deskundigenonderzoek.
- Op grond van die vaststelling en die redenen veroordeelt de bestreden beschikking de eiseres tot betaling van een aanvullend voorschot. Aldus beantwoordt en verwerpt de bestreden beschikking het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 826,38 euro jegens de eisende partij en op de som van 111,76 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 25 oktober 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071025.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div