← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.1 Rolnummer: S.05.0131.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2007-11-29 Raadplegingen: 252 - laatst gezien 2026-07-03 06:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de samenlezing van de bepalingen van artikel 1, derde lid, 5, 7 en 9 van de Arbeidsinspectiewet volgt dat de sociale inspecteurs de inlichtingen die zij tijdens een autonoom optreden hebben ingewonnen, anders dan deze die zij verkregen bij de uitvoering van onderzoeksverrichtingen voorgeschreven door de rechterlijke overheid, kunnen meedelen aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn. Thesaurus CAS: ARBEID - ALLERLEI UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Toezicht en sancties Vrije woorden: Sociale inspectie - Mededelen van inlichtingen Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - Artt. 1, derde lid, 5, 7 en 9 Fiche 2 De bepalingen van de artikelen 1, derde lid, 5, 7 en 9 van de arbeidsinspectiewet maken wettelijk uitzonderingen uit als bedoeld in artikel 28quinquies van het Wetboek van Strafvordering op de regel dat het opsporingsonderzoek geheim is. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Toezicht en sancties Vrije woorden: Mededelen van inlichtingen door sociale inspecteurs - Proces-verbaal - Geheim van het opsporingsonderzoek Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - Artt. 1, derde lid, 5, 7 en 9 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: Orientation - GRATIA Marianne - 2009/9 - p. 11-19 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0131.N RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen L.J., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 september 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 28bis, 28ter, 28quater, 28quinquies, 28sexies, 28septies, 28octies, 55 en 57 van het Wetboek van Strafvordering; - artikel 458 van het Strafwetboek; - de artikelen 1, 5, 7 en 9 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie; - artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. Bestreden beslissing Met bevestiging van het beroepen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 3 juni 2002 vernietigen de appelrechters de beslissingen van het gewestelijk werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen van 31 mei 2001, waarbij (de verweerder) werd uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf 1 maart 2001 tot en met 28 maart 2001 en van het recht op uitkeringen vanaf 4 juni 2001 gedurende een periode van 8 weken en veroordelen zij de eiser tot betaling van de achterstallige uitkeringen en de kosten, op grond van volgende redenen: "5.

  1. Beoordeling Artikel 5, eerste lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie (hierna Arbeidsinspectiewet) bepaalt dat de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, wanneer zij zulks nodig achten, de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen meedelen aan de openbare en de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre de inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn. Het overmaken van inlichtingen is verplicht wanneer de voornoemde instellingen en diensten erom verzoeken. Deze bepaling heeft vooral tot doel het werk van de sociale inspecteurs efficiënter te maken alsook het aantal bezoeken van de verschillende inspectiediensten bij dezelfde werkgever te verminderen (Memorie van toelichting bij het ontwerp van Programmawet Parl. St. Kamer 1989-90, 70). Op de mogelijkheid tot uitwisseling van inlichtingen bestaan volgende uitzonderingen: - inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim (artikel 5, vierde lid, Arbeidsinspectiewet); - inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid mogen slechts worden meegedeeld mits toestemming van deze laatsten (artikel 5, derde lid, Arbeidsinspectiewet). In huidig geschil werd het proces-verbaal van 28 maart 2001 (P.V.: TU/01/128) niet opgesteld in uitoefening van een plicht voorgeschreven door een rechterlijke overheid maar wel op grond van artikel 9 van de Arbeidsinspectiewet. Krachtens artikel 9 van de Arbeidsinspectiewet hebben de sociale inspecteurs bij het vaststellen van een misdrijf een optierecht : zij hebben het recht waarschuwingen te geven, voor de overtreder een termijn te bepalen om zich in regel te stellen en processen-verbaal op te maken. Dit optierecht kan enkel uitgeoefend worden voor die inbreuken waarvoor de sociale inspecteur bevoegd is. De bevoegdheid van de inspecteur krachtens artikel 9 van de Arbeidsinspectiewet is een uitzondering op de bepalingen van artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering hetwelk bepaalt dat ieder gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdrijf verplicht is daarvoor dadelijk bericht te geven aan het openbaar ministerie en aan die magistraat alle inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen. Slechts indien de vastgestelde inbreuken betrekking hebben op een wetgeving die niet onder de controlebevoegdheid van de sociale inspecteurs vallen moeten laatstgenoemden handelen conform artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering en het openbaar ministerie in kennis stellen (Vr. en Antw., Kamer 1977-1978, 29 november 1977, 247, Vr. 4bis Remacle). Vanaf het ogenblik dat de sociale controleur ambtshalve overgaat tot het opstellen van een proces-verbaal of een pro justitia, hetwelk onbetwistbaar een akte van onderzoek is, stelt hij een handeling die onder de toepassing valt van de definitie van het opsporingsonderzoek. Artikel 28bis, §1, van het Wetboek van Strafvordering omschrijft het opsporingsonderzoek als het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering. Het is dus de beslissing van de sociale inspecteur om een proces-verbaal op te stellen die de breuklijn vormt tussen wat valt onder de geheimhoudingsplicht en wat niet. Zolang het handelen van de inspecteur niet intentioneel gericht is op het opstellen van een proces-verbaal, handelt hij in zijn hoedanigheid van administratieve overheid en kan hij vrij beschikken over de gegevens die hij heeft verzameld in uitvoering van zijn controleopdracht. Echter, vanaf het ogenblik van de vaststelling van een inbreuk door middel van een proces-verbaal geldt het geheim van het strafrechtelijk onderzoek. Het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek werd expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering en met name in artikel 28quinquies, §1, en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 28quinquies en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering bepalen dat, behoudens de wettelijke uitzonderingen, het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek geheim zijn en dat eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek, tot geheimhouding verplicht is en dat hij die dit geheim schendt, gestraft wordt met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. In huidig geschil hebben de sociale inspecteurs beslist een proces-verbaal op te stellen waardoor de zuiver administratieve fase van het handelen van sociale inspecteurs werd overschreden en zij gehouden waren de toestemming te vragen aan de arbeidsauditeur, om de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee te delen aan de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen. In de voorgelegde overtuigingsstukken waarop het (arbeidshof) vermag acht te slaan bevindt zich geenszins het bewijs dat de bevoegde arbeidsauditeur zijn toestemming zou gegeven hebben aan de sociale controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om het proces-verbaal van 28 maart 2001 (P.V.: TU/01/128) over te maken aan de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen. Met een schrijven van 4 december 2001 bevestigt de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen dat er geen toestemming van de arbeidsauditeur in het dossier aanwezig is (zie stuk 3 bundel (verweerder)). Het is derhalve duidelijk dat de administratieve beslissing van 31 mei 2001 gesteund is op onrechtmatig verkregen bewijs aangezien het verkregen werd ingevolge een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf (artikel 458 van het Strafwetboek). De omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen heeft als gevolg dat het (arbeidshof) bij het vormen van haar overtuiging, dat element noch rechtstreeks, nog onrechtstreeks in aanmerking mag nemen (Cass., 23 december 1998, R.W. 1999-2000; Cass., 14 oktober 2003, R.W. 2003-2004, 814). De rechtmatigheid van het bewijs wordt aangetast vanaf het moment dat de sociale inspecteurs dit bewijs overmaken aan de directeur van het werkloosheidsbureau, met schending van het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek. Alle bewijsmateriaal dat voortvloeit uit het aldus onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan evenmin als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking genomen worden; dienvolgens kan noch met de vaststellingen van de sociale inspecteurs tijdens de controle van 28 maart, noch met de verklaring die door (de verweerder) werd afgelegd tijdens het verhoor van 4 mei 2001 rekening gehouden worden. Aangezien (de eiser) geen andere bewijsstukken voorbrengt waaruit zou blijken dat (de verweerder) tijdens zijn werkloosheid arbeid heeft verricht in de zin van artikel 45 van het Werkloosheidsbesluit, heeft de eerste rechter terecht de bestreden administratieve beslissing vernietigd. Het hoger beroep is ongegrond". (p. 6-8 van het bestreden arrest). Grieven Eerste onderdeel Uit de samenlezing van de artikelen 28bis, 28ter, 28quater, 28quinquies, 28sexies, 28septies en 28octies van het Wetboek van Strafvordering, blijkt dat de procureur des Konings kan overgaan tot het instellen van een opsporingsonderzoek, dat wordt gevoerd onder zijn leiding en gezag. Er is derhalve enkel sprake van een opsporingsonderzoek wanneer het openbaar ministerie de uitvoering vraagt van onderzoeksverrichtingen teneinde de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering. Ingevolge artikel 55 van het Wetboek van Strafvordering is het gerechtelijk onderzoek het geheel van de handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen, dat wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de onderzoeksrechter. Krachtens de artikelen 28quinquies, §1, en 57 van het Wetboek van Strafvordering, zijn respectievelijk het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, behoudens de wettelijke uitzonderingen, geheim, is eenieder die er beroepshalve zijn medewerking aan dient te verlenen, tot geheimhouding verplicht en wordt hij die dit geheim schendt, gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. Krachtens artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken mag in criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal bij het hof van beroep. Het opstellen van een proces-verbaal door de sociale inspecteurs, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, heeft op zich niet tot gevolg dat er een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek is ingesteld. Dergelijk proces-verbaal, opgesteld door de sociale inspecteurs overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972, is tevens geen akte van onderzoek en rechtspleging in de zin van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950, wanneer het geen deel uitmaakt van een opsporingsonderzoek of van het gerechtelijk onderzoek. In zijn verzoekschrift tot hoger beroep voerde de eiser aan dat het proces-verbaal dat door de sociale controleurs op 28 maart 2001 was opgesteld, op 3 april 2001 aan het werkloosheidsbureau werd overgemaakt, op 4 april 2001 aan de verweerder en op 6 april aan de arbeidsauditeur. De eiser voerde tevens aan dat niet uit het dossier bleek dat het openbaar ministerie "vervolgingsdaden" stelde (tweede blad van het verzoekschrift tot hoger beroep van de eiser). Het bestreden arrest stelt niet vast dat de procureur des Konings vóór de overmaking van bedoeld proces-verbaal aan het werkloosheidsbureau reeds een opsporingsonderzoek had ingesteld, noch dat er een gerechtelijk onderzoek naar die feiten werd gevoerd. De appelrechters beslissen evenwel dat vanaf het ogenblik van de vaststelling van een inbreuk door middel van een proces-verbaal het geheim van het strafrechtelijk onderzoek geldt, dat in huidig geschil de sociale inspecteurs hebben beslist een proces-verbaal op te stellen waardoor de zuiver administratieve fase van het handelen van sociale inspecteurs werd overschreden en zij gehouden waren de toestemming te vragen aan de arbeidsauditeur, om de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee te delen aan de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen, dat bevoegde arbeidsauditeur (geenszins) zijn toestemming zou gegeven hebben aan de sociale controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om het proces-verbaal van 28 maart 2001 over te maken aan de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen en dat de administratieve beslissing van 31 mei 2001 derhalve gesteund is op onrechtmatig verkregen bewijs aangezien het verkregen werd ingevolge een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf (artikel 458 van het Strafwetboek). Door aldus te beslissen dat het werkloosheidsbureau het proces-verbaal van de sociale inspectie van 28 maart 2001 heeft verkregen ingevolge een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf, miskennen de appelrechters de artikelen 28bis, 28ter, 28quater, 28quinquies, 28sexies, 28septies, 28octies, 55 en 57 van het Wetboek van Strafvordering, 458 van het Strafwetboek en 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, waaruit volgt dat er nog geen opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek was ingesteld op het ogenblik dat de sociale inspecteurs het proces-verbaal aan het werkloosheidsbureau overmaakten, zodat het bedoelde proces-verbaal niet valt onder het geheim van het opsporingsonderzoek of van het gerechtelijk onderzoek en evenmin een der akten van onderzoek en rechtspleging in de zin van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 uitmaakt. Minstens bevat het bestreden arrest, in zoverre het niet vaststelt of, op het ogenblik van de overmaking van het kwestieus proces-verbaal door de sociale controleurs aan het werkloosheidsbureau, het openbaar ministerie reeds een opsporingsonderzoek naar dezelfde feiten had ingesteld dan wel of er reeds een gerechtelijk onderzoek was ingesteld, niet alle vaststellingen die het Hof zouden in staat stellen zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en is het derhalve niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tweede onderdeel Krachtens artikel 1, derde lid, van de wet betreffende de arbeidsinspectie, houden de sociale inspecteurs toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie Krachtens artikel 5 van de wet betreffende de arbeidsinspectie delen de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, wanneer zij zulks nodig achten, de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de openbare en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn. Artikel 5 van de wet betreffende de arbeidsinspectie bepaalt twee uitzonderingen op de vermelde regel, namelijk dat de inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits toestemming van deze laatste, en dat de inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard slechts mogen worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim. Overeenkomstig artikel 7 van de wet betreffende de arbeidsinspectie mogen de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, de inlichtingen verkregen op grond van respectievelijk artikel 5 of 6 van deze wet gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn. Krachtens artikel 9 van de wet betreffende de arbeidsinspectie hebben de sociale inspecteurs het recht waarschuwingen te geven, voor de overtreder een termijn te bepalen om zich in regel te stellen en processen-verbaal op te maken. Krachtens artikel 9, vierde lid, van de wet betreffende de arbeidsinspectie kunnen, bij het opmaken van de processen-verbaal, de materiële vaststellingen verricht door de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, met hun bewijskracht, gebruikt worden door de sociale inspecteurs van dezelfde dienst, van de andere inspectiediensten of door de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen. Uit de samenlezing van de hierboven aangehaalde wetsbepalingen blijkt dat de sociale inspecteurs de inlichtingen die zij hebben ingewonnen en desgevallend hebben vastgesteld in een proces-verbaal mogen overmaken aan de openbare instellingen en diensten van de ministeries die belast zijn met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid, en dit ongeacht het feit dat er reeds een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek is ingesteld. Derhalve komt het de auditeur-generaal bij het arbeidshof niet toe aan de sociale inspecteurs de toelating te geven hun processen-verbaal over te maken aan een werkloosheidsbureau en staat ook het geheim van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek aan deze overmaking niet in de weg. Door te beslissen dat het werkloosheidsbureau het proces-verbaal van de sociale inspectie van 28 maart 2001 op onrechtmatige wijze heeft verkregen - namelijk zonder de toelating van de arbeidsauditeur en met schending van het beroepsgeheim - miskennen de appelrechters de artikelen 1, 5, 7 en 9 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, krachtens dewelke de sociale inspecteurs gemachtigd zijn - zonder toelating te moeten vragen aan de arbeidsauditeur - de inlichtingen, vastgesteld in een proces-verbaal, over te maken aan de openbare instellingen en diensten van de ministeries die belast zijn met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid, zoals in casu het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Tevens miskennen de appelrechters door die beslissing de artikelen 28bis, 28ter, 28quater, 28quinquies, 28sexies, 28septies, 28octies, 55 en 57 van het Wetboek van Strafvordering en 458 van het Strafwetboek, nu het geheim van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek er niet aan in de weg staat dat de sociale inspecteurs de inlichtingen, vastgesteld in een proces-verbaal, overmaken aan de openbare instellingen en diensten van de ministeries die belast zijn met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid, alsook artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, nu het de auditeur-generaal bij het arbeidshof niet toekomt aan de sociale inspecteurs de toelating te geven hun processen-verbaal over te maken aan de openbare instellingen en diensten van de ministeries die belast zijn met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid, zoals in casu het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. III. BESLISSING VAN HET HOF Tweede onderdeel
  2. Krachtens artikel 1, derde lid, van de Arbeidsinspectiewet houden de sociale inspecteurs toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie.
  3. Krachtens artikel 5 van diezelfde wet delen de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, wanneer zij zulks nodig achten, de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de openbare en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn. Krachtens het tweede lid van deze bepaling bestaat een verplichting om deze inlichtingen mee te delen wanneer de openbare instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten of de andere met toezicht belaste ambtenaren erom verzoeken. Evenwel mogen krachtens het derde lid van deze bepaling inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits toestemming van deze laatste. Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen krachtens het vierde lid van deze bepaling slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.
  4. Krachtens artikel 7 van diezelfde wet mogen de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, de inlichtingen verkregen op grond van respectievelijk artikel 5 of 6 gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn.
  5. Krachtens artikel 9 van deze wet hebben de sociale inspecteurs het recht waarschuwingen te geven, voor de overtreder een termijn te bepalen om zich in regel te stellen en processen-verbaal op te maken. Bij het opmaken van de processen-verbaal kunnen krachtens het vierde lid van deze bepaling de materiële vaststellingen verricht door de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, met hun bewijskracht, gebruikt worden door de sociale inspecteurs van dezelfde dienst, van de andere inspectiediensten of door de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen.
  6. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de sociale inspecteurs de inlichtingen die zij tijdens een autonoom optreden hebben ingewonnen, anders dan deze die zijn verkregen bij de uitvoering van onderzoeksverrichtingen voorgeschreven door de rechterlijke overheid, kunnen meedelen aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn. De vaststelling dat de sociale inspecteurs op grond van deze inlichtingen een proces-verbaal opmaakten, doet hieraan geen afbreuk, nu de voormelde bepalingen wettelijk uitzonderingen uitmaken als bedoeld in artikel 28quinquies van het Wetboek van Strafvordering, op de regel dat het opsporingsonderzoek geheim is.
  7. De appelrechters gaan ervan uit dat vanaf het ogenblik dat de sociale controleur ambtshalve overgaat tot het opstellen van een proces-verbaal, hij een handeling stelt die onder de toepassing valt van de definitie van het opsporingsonderzoek, zoals bedoeld in artikel 28bis, §1, van het Wetboek van Strafvordering. De appelrechters stellen daarbij vast dat: - het proces-verbaal opgesteld door de sociale controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar aanleiding van een spontane controle op een bouwwerf per aangetekende post werd verzonden aan verweerder op 4 april 2001 en per drager in het bezit gesteld van de arbeidsauditeur bij de arbeidsrechtbank te Turnhout op 6 april 2001; - een exemplaar van datzelfde proces-verbaal volgens datumstempel werd ontvangen door het werkloosheidsbureau te Antwerpen op 12 april 2001; - de bestreden administratieve beslissing van 31 mei 2001 van de directeur van het Werkloosheidsbureau te Antwerpen gesteund is op de vaststellingen opgetekend in voornoemd proces-verbaal.
  8. Door in deze omstandigheden, die niet inhouden dat de inlichtingen werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid, te beslissen dat het werkloosheidsbureau het proces-verbaal van de sociale inspectie van 28 maart 2001 op onrechtmatige wijze heeft verkregen, schendt het arrest de als geschonden aangevoerde wettelijke bepalingen. Het onderdeel is gegrond. Kosten
  9. Krachtens artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient de eiser te worden veroordeeld in de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser in de kosten. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 346,29 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090910.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.