← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.2 Rolnummer: S.06.0091.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2007-11-29 Raadplegingen: 264 - laatst gezien 2026-07-03 06:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de samenlezing van de bepalingen van artikel 1, derde lid, 5, 7, en 9, van de Arbeidsinspectiewet volgt dat de sociale inspecteurs van een inspectiedienst de inlichtingen die zij tijdens hun onderzoek hebben ingewonnen, anders dan deze verkregen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid, zonder toestemming van deze laatste, kunnen meedelen aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn; de omstandigheid dat de sociale inspecteurs op grond van deze inlichtingen een proces-verbaal hebben opgesteld doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: ARBEID - ALLERLEI UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Toezicht en sancties Vrije woorden: Sociale inspectie - Mededelen van inlichtingen Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - Artt. 1, derde lid, 5, 7 en 9 Fiche 2 Artikel 6, § 1, derde lid, van de Arbeidsinspectiewet krachtens hetwelk inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures enkel mogen worden meegedeeld met de uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal, heeft enkel betrekking op het verstrekken van inlichtingen door andere diensten aan de sociale inspectiediensten op hun verzoek, maar heeft geen betrekking op inlichtingen die door een sociale inspectiedienst worden meegedeeld aan een instelling van sociale zekerheid

(1).
(1)Art. 6, § 1, derde lid, van de wet van 16 nov. 1972, vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 juli
  1. Thesaurus CAS: BEWIJS - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Toezicht en sancties Vrije woorden: Mededelen van inlichtingen - Toelating van de rechterlijke overheid - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - Art. 6, § 1, derde lid Fiche 3 Wanneer een akte van onderzoek en rechtspleging wordt meegedeeld door een sociale inspectiedienst aan de instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten of aan ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, wordt deze mededeling specifiek geregeld door artikel 5, van de Arbeidsinspectiewet en niet door het voorschrift van artikel 125, van het Koninklijk Besluit van 28 december
  2. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Toezicht en sancties Vrije woorden: Mededelen van inlichtingen door sociale inspectiedienst - Rechtsgrond Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - Art. 5 Koninklijk Besluit - 28-12-1950 - Art. 125 Tekst van de beslissing Nr. S.06.0091.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen DEMAKO, naamloze vennootschap, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Vitshoekstraat 2, verweerster, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 maart 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
  3. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het (gerechtelijk) strafonderzoek, dat in de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet, 1380 van het Gerechtelijk Wetboek, 458 van het Strafwetboek en artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 een toepassing vindt; - artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken; - artikel 458 van het Strafwetboek; - de artikelen 5, 6 en 9 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie (Arbeidsinspectiewet), de artikelen 5 en 6 voor hun wijziging bij wet van 20 juli 2006; - de artikelen 1, §1, 14 en 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), artikel 22 voor de wijziging bij wet van 27 december 2004; - artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, voor zijn wijziging bij wet van 13 februari 1998; - de artikelen 138, 152, 153, 155 en 1380 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 138, 152, 153 en 155 voor de wijziging bij wet van 12 april 2004; - artikel 1 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 22, 47, 59, 60, 61, 63, 66, 138, eerste lid, 145 en 182 van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 22, 145 en 182 zowel voor als na hun wijziging bij wet van 11 juli 1994, de artikelen 47, 59 voor hun wijziging bij wet van 12 maart 1998, artikel 182 voor zijn wijziging bij wet van 28 maart
  4. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en wijst, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de vorderingen van de eiser af als ongegrond nu niet werd aangetoond dat de verweerster niet voldeed aan de voorschriften met betrekking tot de detachering van buitenlandse werknemers, niet bewees dat de organische band tussen de uitgestuurde werknemers en de onderneming van het uitsturende land was verbroken en een gedeelte van het werkgeversgezag over deze werknemers door de verweerster werd uitgeoefend zodat niet vaststond dat de verweerster in strijd met artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 heeft gehandeld. Het bestreden arrest weigert bij deze bewijsvoering door de eiser rekening te houden met eisers onderzoeksverslag D. G. van 2 april 1997 omdat het gebaseerd was op een proces-verbaal van 23 oktober 1996, afkomstig van een inspecteur van de Inspectie van de Sociale Wetten (ISW), dat, niettegenstaande reeds een opsporingsonderzoek was gestart door de arbeidsauditeur, zonder diens toestemming aan de inspectie van de eiser was overgemaakt, met andere woorden met schending van het principe van het geheim van het strafonderzoek. De beslissing dat het geheim van het strafonderzoek te dezen was geschonden, werd op de volgende overwegingen geschraagd: "Dat de informatie waarop de huidige vorderingen van (de eiser) gesteund zijn inderdaad voortvloeit uit een schending van het (geheim van het) onderzoek, wordt door het (arbeidshof) beaamd. Ter motivering sluit het (arbeidshof) zich aan bij het advies, uitgebracht door het openbaar ministerie (...). De grond: Het geheim van het strafonderzoek Relevante wettelijke bepalingen Artikel 125, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1950 (Belgisch Staatsblad 30 december 1950): (...) De artikelen 5 en 6 van de wet 16 november 1972 op de arbeidsinspectie: (...) Voor (zoals in casu) de inwerkingtreding van de wet van 12 maart 1998 (de zogenaamde wet Franchimont) werd algemeen aanvaard dat artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 de grondslag vormde voor het algemeen principe van het geheim van het strafonderzoek (Torfs, D., T.S.R., 2000, p. 441; Bosly, H., J.T.T., 1988, 333). Daar waar de ‘gewone' politiediensten, telkens wanneer zij verbaliseren, gehouden zijn hun bevindingen (in de vorm van een PV) aan het bevoegde Openbaar Ministerie over te maken, geldt dit niet zo strikt voor de inspectiediensten waarop de wet van 16 november 1972 van toepassing is. Artikel 9 van die wet laat hen immers toe om zich te beperken tot het geven van waarschuwingen of om aan de overtreder een termijn te geven om tot regularisatie over te gaan. Maakt de sociale inspecteur gebruik van die mogelijkheid, dan volgt er geen mededeling aan het Openbaar Ministerie, zodat er ook geen strafonderzoek wordt gestart. De rechtsleer en de rechtspraak zijn het er immers over eens dat een strafonderzoek (opsporingsonderzoek) slechts - maar ook zeker - start op het ogenblik dat de verbalisant zijn PV overmaakt aan het Openbaar Ministerie (...) Voor de sociale inspectiediensten wordt het principe van het geheim van het onderzoek herhaald in de artikelen 5 en
  5. Rechtsleer en rechtspraak zijn het er ook over eens dat de bepalingen van die artikels niet alleen betrekking hebben op het gerechtelijk onderzoek, maar ook op het loutere opsporingsonderzoek (Torfs, D., o.c., 442; Verwimp, P., inf. RIZIV, 526). Met andere woorden van zodra de inspecteur zijn PV heeft overgemaakt aan het Openbaar Ministerie (de arbeidsauditeur), is het opsporingsonderzoek gestart en kan de inspecteur de inlichtingen waarover hij beschikt of de stukken in zijn bezit enkel overmaken aan andere instanties (waaronder (de eiser)) indien daarvoor vooraf toelating werd verleend door dat Openbaar Ministerie (artikel 5, derde lid, en artikel 6 §1, derde lid). Indien die inlichtingen, stukken, toch worden medegedeeld aan derden zonder toestemming van het Openbaar Ministerie, dan wordt aldus het geheim van het onderzoek geschonden en dienen de stukken uit het dossier geweerd te worden, en mag de ‘ontvangende instantie' (in casu (de eiser)) er geen gebruik van maken (supra). Zoals hoger reeds vermeld, werd door de ISW op 07 november 1996 het PV met nr. AW/96/367-368-369 aan de Arbeidsauditeur te Antwerpen overgemaakt. Op dat ogenblik is het opsporingsonderzoek dan ook van start gegaan. De berichten van wijziging zijn ontegensprekelijk gebaseerd op het onderzoeksverslag van 2 april 1997 van inspecteur D.G.. Dit onderzoeksverslag is enerzijds gebaseerd op het PV van de ISW (dat er deel van uitmaakt) en op eigen onderzoeksdaden, daterend van na 3 december 1996 (datum waarop deze inspecteur met een verder onderzoek belast werd). Het wordt niet betwist dat het PV van de ISW en zijn bijlagen aan (de eiser) werden meegedeeld nadat zij aan de Arbeidsauditeur werden overgemaakt. (...) Hierbij moet wel de kanttekening worden gemaakt dat aan het onderzoeksverslag van inspecteur De Vos van 16 oktober 1996 een afschrift is gehecht van de verklaring van de zaakvoerder van (de verweerster), op 26 juni 1996 afgelegd aan de ISW, en een afschrift van de verklaring van twee Engelse werknemers op 13 juli 1996 afgelegd aan de ISW. Gelet op de datum van dit verslag, kan het niet anders dan dat deze documenten aan (de eiser) werden overgemaakt voorafgaand aan de start van het opsporingsonderzoek, zodat deze stukken niet uit het dossier mogen worden geweerd. Gelet op het bovenstaande is dit onderzoeksverslag het enige bewijselement dat door (de eiser) in deze procedure kan aangewend worden tot bewijs van de gegrondheid van haar vordering. Zowel het onderzoeksverslag van inspecteur D.G., als de later door hem gestelde onderzoeksdaden, zijn immers overduidelijk gebaseerd op de kennis over en de inhoud van het PV van de ISW en de er aangehechte stukken" (arrest p. 5, derde alinea en p. 7 t.e.m. 9). Grieven Eerste onderdeel Het algemeen rechtsbeginsel van het geheim van het strafonderzoek houdt in dat geen procesgegevens mogen worden medegedeeld aan derden, tenzij binnen de bij wet bepaalde voorwaarden. Deze geheimhoudingsplicht geldt slechts wanneer de strafvordering wordt uitgeoefend, met andere woorden wanneer een beroep wordt gedaan op een rechter met het oog op de vervolging en bestraffing van daders van criminele feiten. Voor overtredingen van de wetten en verordeningen die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren, wordt de strafvordering uitgeoefend door de leden van het arbeidsauditoraat, respectievelijk het (auditoraat-generaal) (138, 152, 153 en 155 van het Gerechtelijk Wetboek). De strafvordering wordt, buiten de gevallen van ontdekking op heterdaad door de onderzoeksrechter (de artikelen 59, 60, 61 van het Wetboek van Strafvordering), door de arbeidsauditoraten in gang gezet (artikel 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en 138 van het Gerechtelijk Wetboek), hetzij, met een vordering bij de onderzoeksrechter strekkende tot het voeren van een gerechtelijk onderzoek (artikel 47, 138, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering), hetzij, via een rechtstreekse dagvaarding voor het vonnisgerecht (de artikelen 145 en 182 van het Wetboek van Strafvordering). Ook de benadeelde kan de stafvordering instellen met een rechtstreekse dagvaarding voor het vonnisgerecht (de artikelen 145 en 182 van het Wetboek van Strafvordering), ofwel door de onderzoeksrechter te adiëren met een burgerlijke partijstelling (artikelen 63 en 66 van het Wetboek van Strafvordering). Wanneer enkel een opsporingsonderzoek wordt gevoerd door het openbaar ministerie (artikel 22 van het Wetboek van Strafvordering) dan is de zaak nog niet aanhangig gemaakt bij een strafrechtsmacht en wordt de strafvordering niet uitgeoefend zodat het beginsel van het geheim van het (gerechtelijk) strafonderzoek in die fase van het onderzoek nog niet kan spelen. Er bestaat immers geen algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het voor- of opsporingsonderzoek. Een miskenning van dat geheim kan alleen invloed hebben op strafvervolgingen, voor zover deze gegrond zijn op die miskenning of als de verzamelde bewijzen daarna op die miskenning zijn gegrond (de voorliggende feiten speelden zich af voor de invoeging bij wet van 2 oktober 1998 van artikel 28quinquies, §1, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, waarin het geheim van het opsporingsonderzoek voortaan wordt gewaarborgd). Het bestreden arrest, op pagina 5, laatste alinea, stelt vast dat de arbeidsauditeur te Dendermonde op 6 februari 1997 heeft beslist om het dossier zonder gevolg te klasseren zodat er geen gerechtelijk onderzoek werd gevorderd, noch tot rechtstreekse dagvaarding werd overgegaan. Ook door de benadeelde partijen waren geen initiatieven ondernomen om de strafvordering in te stellen. Gezien er slechts een opsporingsonderzoek was gevoerd en de strafvordering niet was uitgeoefend, vermochten de appelrechters bijgevolg niet wettig te oordelen dat het proces-verbaal van de inspecteur van de ISW van 23 oktober 1996 met schending van het principe van het geheim van het strafonderzoek aan de eiser was overgemaakt nu dit zonder de toelating van de arbeidsauditeur was geschied. Hieruit volgt dat het bestreden arrest de draagwijdte van het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het strafonderzoek heeft miskend door het van toepassing te verklaren van zodra een opsporingsonderzoek wordt gestart, in casu vanaf het ogenblik dat de inspecteur van de ISW zijn proces-verbaal heeft overgemaakt aan de arbeidsauditeur (schending van de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet, 458 van het Strafwetboek, 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950, 138, 152, 153, 155 en 1380 van het Gerechtelijk Wetboek, 22, 47, 59, 60, 61, 63, 66, 138, eerste lid, 145 en 182 van het Wetboek van Strafvordering, 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, en het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het (gerechtelijk) strafonderzoek, dat in de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet, 1380 van het Gerechtelijk Wetboek, 458 van het Strafwetboek en 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 een toepassing vindt). In zoverre het bestreden arrest zodoende ten onrechte het onderzoeksverslag van de eiser van 2 april 1997, dat gesteund was op het proces-verbaal van de ISW, evenals dit proces-verbaal zelf, uit het dossier heeft geweerd wegens de schending van het geheim van het strafonderzoek, is de beslissing waarbij de vorderingen van de eiser worden afgewezen, bij gebrek aan bewijs, zodoende niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1, §1, 14 en 22 van de RSZ-wet en 31 van de wet van 24 juli 1987). Tweede onderdeel Het algemeen rechtsbeginsel van het geheim van het strafonderzoek, dat enkel strafzaken behelst waarvoor de strafvordering is uitgeoefend (zie het eerste onderdeel), vindt een grondslag in artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december
  6. Luidens artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken mag in criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep, en bij delegatie, de arbeidsauditeur. eerste subonderdeel De "akten van onderzoek en rechtspleging" die in voormelde bepaling worden geviseerd, zijn de akten die betrekking hebben op criminele, correctionele of politionele feiten waarvoor de strafvordering werd uitgeoefend, wat het geval is wanneer de zaak aanhangig is gemaakt bij de onderzoeksrechter of de vonnisgerechten (zie het eerste onderdeel). De "akten van onderzoek en rechtspleging" die enkel binnen het kader van een opsporingsonderzoek worden opgesteld en die betrekking hebben op een zaak die geen aanleiding heeft gegeven tot de uitoefening van de strafvordering vallen derhalve buiten het toepassingsgebied van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december
  7. Het proces-verbaal van 23 oktober 1996 dat ambtshalve door een inspecteur van de ISW was opgesteld en vervolgens was overgemaakt aan de arbeidsauditeur kon derhalve zonder de toestemming van deze laatste door de ISW worden medegedeeld aan de eiser nu er enkel een opsporingsonderzoek was opgestart zonder uitoefening van de strafvordering zodat er nog geen sprake kon zijn van een "akte van onderzoek en rechtspleging" in de zin van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december
  8. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, met verwijzing naar het voorschrift van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950, heeft kunnen oordelen dat het geheim van het onderzoek was miskend en dat het proces-verbaal van 23 oktober 1996 van de ISW en het daarop steunende onderzoeksverslag van 2 april 1997 van Inspecteur D.G. uit het dossier moeten worden geweerd bij gebrek aan toestemming van de arbeidsauditeur om het bedoelde proces-verbaal aan de eiser over te maken (schending van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 en van het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het strafonderzoek, alsook van de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet, 1380 van het Gerechtelijk Wetboek en 458 van het Strafwetboek, welke bepalingen, samen met artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950, de grondslag vormen van het aangehaalde algemeen rechtsbeginsel; schending van de artikelen 138, 152, 153 en 155 van het Gerechtelijk Wetboek en 22, 47, 59, 60, 61, 63, 66, 138, eerste lid, 145 en 182 van het Wetboek van Strafvordering en 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering). Het bestreden arrest heeft zodoende zijn beslissing dat de vorderingen van de eiser ongegrond zijn, bij gebrek aan bewijs van een onregelmatige tewerkstelling, niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1, §1, 14 en 22 van de RSZ-wet en 31 van de wet van 24 juli 1987). Tweede subonderdeel Wanneer een "akte van onderzoek en rechtspleging" bedoeld in artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 wordt medegedeeld aan een sociale inspectiedienst dan wordt deze informatieuitwisseling uitsluitend geregeld door de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet. Artikel 5 van de Arbeidsinspectiewet schept het kader waarbinnen de sociale inspectiediensten hun gegevens kunnen mededelen aan de openbare instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle andere met toezicht belaste ambtenaren. Artikel 6 van de Arbeidsinspectiewet heeft betrekking op het recht van de sociale inspectiediensten om bij andere overheden en instellingen inlichtingen in te winnen die zij nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de wetgevingen waarmee zij zijn belast. De gegevensuitwisseling die in casu had plaatsgevonden tussen de ISW en de inspectiediensten van de eiser werd derhalve geregeld door artikel 5 van de Arbeidsinspectiewet en niet door het voorschrift van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december
  9. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat het geheim van het onderzoek in casu was miskend doordat het proces-verbaal van de ISW aan de eiser was overgemaakt zonder naleving van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950, met name zonder de machtiging van de Procureur-generaal bij het hof van beroep (schending van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 en van het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het strafonderzoek, alsook van de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet, 1380 van het Gerechtelijk Wetboek en 458 van het Strafwetboek, welke bepalingen, samen met artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950, de grondslag vormen van het aangehaalde algemeen rechtsbeginsel). De beslissing dat de vorderingen van de eiser ongegrond zijn, bij gebrek aan bewijs van een onregelmatige tewerkstelling, was bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1, §1, 14 en 22 van de RSZ-wet en 31 van de wet van 24 juli 1987). Derde onderdeel Het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het strafonderzoek, vindt een bevestiging in artikel 5, derde lid, van de Arbeidsinspectiewet dat betrekking heeft op de informatieuitwisseling tussen de sociale inspectiediensten. Overeenkomstig artikel 5, derde lid, van de Arbeidsinspectiewet, mogen de inlichtingen die werden ingewonnen door de sociale inspecteurs van een inspectiedienst tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden medegedeeld mits toestemming van deze laatste. Wanneer de sociale inspecteur ambtshalve inlichtingen verzamelt en deze gegevens optekent in een proces-verbaal overeenkomstig artikel 9 van de Arbeidsinspectiewet, dan betreffen dit geen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid. Het ambtshalve opstellen van een proces-verbaal kan niet aangezien worden als een daad van opsporings- of vooronderzoek waardoor de betrokkene onder de dreiging leeft van een strafvervolging zodat de toestemming van de arbeidsauditeur niet is vereist voor de mededeling van dit proces-verbaal aan de sociale inspecteurs van andere inspectiediensten. Zelfs wanneer er op basis van het ambtshalve door de inspectie opgesteld proces-verbaal een opsporingsonderzoek wordt gestart, zal de toelating van de arbeidsauditeur, voor mededeling van dit proces-verbaal aan andere sociale inspectiediensten, niet zijn vereist nu ook in dat geval het proces-verbaal geen inlichtingen betreft die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid. In zoverre het proces-verbaal van 23 oktober 1996 te dezen autonoom door een inspecteur van de ISW was opgesteld, buiten elke instructie om van de arbeidsauditeur, kon dit proces-verbaal bijgevolg, zonder de in artikel 5, derde lid van de Arbeidsinspectiewet vereiste toestemming van de arbeidsauditeur, aan de inspectiediensten van de eiser worden overgemaakt. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door met toepassing van artikel 5, derde lid, van de Arbeidsinspectiewet, te oordelen dat de toelating van de arbeidsauditeur te dezen was vereist voor het overmaken door de ISW van het ambtshalve opgestelde proces-verbaal van 23 oktober 1996 aan de inspectiediensten van de eiser, om reden dat het opsporingsonderzoek toen reeds was gestart, deze bepaling heeft miskend (schending van de artikelen 5 en 9 van de Arbeidsinspectiewet en van het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het strafonderzoek, alsook van artikel 6 van de Arbeidsinspectiewet, artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950, 1380 van het Gerechtelijk Wetboek en 458 van het Strafwetboek, welke bepalingen, samen met artikel 5 van de Arbeidsinspectiewet, de grondslag vormen van het aangehaalde algemeen rechtsbeginsel). De beslissing om het bedoelde proces-verbaal en het onderzoeksverslag van inspecteur D.G., dat daarop steunde, uit het dossier te weren wegens schending van het geheim van het onderzoek, dienvolgens, om de vorderingen van de eiser ongegrond te verklaren bij gebrek aan bewijs van zijn beweringen, was bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1, §1, 14 en 22 van de RSZ-wet, 31 van de wet van 24 juli 1987). Vierde onderdeel Volgens artikel 6, §1, eerste lid, zijn alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en van alle rechtscolleges, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, en van de openbare instellingen die ervan afhangen, alsmede van alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, gehouden aan de sociale inspecteurs, op hun verzoek, alle inlichtingen te geven, alsmede alle boeken, registers, documenten, schijven, banden of gelijk welke andere informatiedragers ter inzage voor te leggen en uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopies of fotokopies ervan te verstrekken die deze laatsten nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de wetgevingen waarmee zij belast zijn. Ook in artikel 6, §1, derde lid, van de Arbeidsinspectiewet vindt het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het strafonderzoek een toepassing: de akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures mogen enkel worden medegedeeld met de uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal, bij delegatie, respectievelijk de procureur des konings en de arbeidsauditeur. Wanneer een sociale inspecteur van een inspectiedienst de inlichtingen die hijzelf heeft ingewonnen bij zijn ambtshalve onderzoek doorspeelt aan een andere inspectiedienst, zoals in casu het geval was met het proces-verbaal van 23 oktober 1996 dat door de ISW aan de inspectie van de eiser was overgemaakt, dan valt deze mededeling niet onder de toepassing van artikel 6, §1, van de Arbeidsinspectiewet, maar onder artikel 5 van diezelfde wet. Artikel 6, §1, heeft immers enkel betrekking op de hypothese waarbij er sprake is van een verzoek tot het inwinnen van inlichtingen dat uitgaat van een sociale inspectiedienst en dat gericht is aan een overheid of instelling, en is dus niet van toepassing op een ambtshalve mededeling van inlichtingen door een inspecteur van een sociale inspectie aan een andere sociale inspectie. De mededeling van het proces-verbaal in kwestie, verricht door de ISW aan de inspectie van de eiser, viel bijgevolg buiten het werkingsveld van de in artikel 6 geviseerde informatieuitwisseling. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig de schending van het geheim van het strafonderzoek in verband heeft kunnen brengen met de niet-naleving van de toestemmingsvereiste van artikel 6 van de Arbeidsinspectiewet, noch wettig, zonder schending van deze bepaling, heeft kunnen oordelen dat het proces-verbaal van 23 oktober 1996 van de inspecteur van de ISW, en het onderzoeksverslag van inspecteur D.G. dat daarop steunde, uit het dossier diende te worden geweerd (schending van artikel 6, §1 van de Arbeidsinspectiewet en van het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het strafonderzoek, dat in de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet, 1380 van het Gerechtelijk Wetboek, 458 van het Strafwetboek en artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 een toepassing vindt en waarvan de eiser de schending eveneens aanvoert). De vorderingen van de eiser werden dienvolgens niet wettig door het bestreden arrest ongegrond verklaard (schending van de artikelen 1, §1, 14 en 22 van de RSZ-wet en 31 van de wet van 24 juli 1987).
  10. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, §1, 5, 9, 14, 22, 31 en 40 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), artikel 22 voor de wijziging bij wet van 27 december 2004; - artikel 22 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers; - artikel 31 van de wet 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. de artikelen 5 en 6 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie (Arbeidsinspectiewet), de artikelen 5 en 6 voor hun wijziging bij wet van 20 juli 2006; - de artikelen 870 en 1380 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken; - artikel 458 van het Strafwetboek; - het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het (gerechtelijk-) strafonderzoek, dat in artikel 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet, 1380 van het Gerechtelijk Wetboek, 458 van het Strafwetboek en artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 een toepassing vindt, evenals in het huidige artikel 28quinquies, §1, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering dat op de voorliggende feiten evenwel nog niet van toepassing was; - de regels betreffende de bewijsvoering in strafzaken, waaronder de artikelen 154 en 189 van het Wetboek van Strafvordering; - artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gesloten te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO), gesloten te New York op 16 december 1960, goedgekeurd bij wet van 15 mei
  11. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en wijst, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de vorderingen van de eiser af als ongegrond nu niet werd aangetoond dat de verweerster niet voldeed aan de voorschriften met betrekking tot de detachering van buitenlandse werknemers, noch bewees dat de organische band tussen de uitgestuurde werknemers en de onderneming van het uitsturende land was verbroken in zoverre een gedeelte van het werkgeversgezag door de verweerster werd uitgeoefend zodat bijgevolg niet vaststond dat de verweerster in strijd met artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 heeft gehandeld. Het bestreden arrest weigerde bij de bewijsvoering door de verweerster rekening te houden met het onderzoeksverslag van 2 april 1997 van inspecteur D.G. omdat het gegrond was op een onwettig, met schending van het geheim van het strafonderzoek, verkregen proces-verbaal. Volgens het bestreden arrest kan bewijsmateriaal dat op onwettige wijze is verkregen in het geheel niet meer dienstig zijn om rechtsgevolgen te sorteren en dient het volledig uit het dossier te worden geweerd. Waar in het eerste middel tot cassatie door de eiser werd betwist dat het bedoelde proces-verbaal met schending van het geheim van het strafonderzoek aan de eiser zou zijn overgemaakt, richt de eiser zich in het tweede middel tot cassatie, in subsidiaire orde, tegen de sanctionering door de appelrechters van het gebruik van een onwettig verkregen bewijsmiddel: "De eerste rechter wees de vorderingen van (de eiser) als ongegrond af omdat deze zijn vorderingen had gestaafd aan de hand van onregelmatig verkregen bewijs. Deze bewijsstukken waren in het bezit van (de eiser) gekomen met schending van het geheim van het onderzoek. In zijn verzoekschrift in hoger beroep houdt (de eiser) in hoofdorde staande dat het onderzoek dat werd gevoerd en vervolgens zijn ambtshalve aangifte niet zijn gebaseerd op onwettig verkregen bewijs omdat er nooit (een) strafvordering zou zijn ingesteld en er dus nooit toestemming zou vereist geweest zijn. Ondergeschikt is (de eiser) van oordeel dat de toestand ten allen tijde kan worden geregulariseerd en hij brengt alsnog een toelating bij van de Eerste-substituut-Arbeidsauditeur van Dendermonde, gedateerd op 21 mei
  12. Op deze laatste datum laat deze weten geen bezwaar te hebben tegen het overmaken van drie Pro Justitia's (AW/96/367/Ad10 - AW/96/368/Fk en AW/96/369/Ed) aan (de eiser). In deze laatste redenering kan (de eiser) niet worden gevolgd. Een ambtshalve regularisatie van (de eiser) kan niet rechtsgeldig tot stand komen wanneer ze voortbouwt op onwettig verkregen informatie. Het effect van de vaststelling dat bepaalde informatie onwettig werd verkregen, is immers dat deze informatie niet dienstig kan zijn om rechtsgevolgen te sorteren. Zonder deze informatie zou (de eiser) nooit tot een dergelijke ambtshalve regularisatie zijn gekomen. Komt derhalve maar in aanmerking en kan maar rechtsgeldig worden onderzocht de ambtshalve regularisatie door (de eiser), die is gestoeld op wettig verkregen informatie. In casu kan dit enkel een ambtshalve regularisatie zijn, die tot stand gekomen is na het bekomen van de toestemming van de arbeidsauditeur van 21 mei
  13. Dergelijke (nieuwe) regularisatie ligt in casu niet voor en is niet het onderwerp van het huidige geding. Het huidige geding heeft enkel betrekking op de regularisatie die zelf de vrucht is van onwettig bekomen informatie. Alle vruchten die voortkomen uit de schending van het geheim van het onderzoek kunnen in het rechtsverkeer niet gehonoreerd worden. Dit zijn in casu: de ambtshalve regularisatie door (de eiser), de berichten van wijziging der bijdragen en de rekeninguittreksels. De vordering in rechte die er uit voortvloeit is ongegrond en niet onontvankelijk zoals (de verweerster) voorhoudt. In dat opzicht is het incidenteel beroep ongegrond. Dat de informatie waarop de huidige vorderingen van (de eiser) gesteund zijn inderdaad voortvloeit uit een schending van het onderzoek, wordt door het (arbeidshof) beaamd. Ter motivering sluit het (arbeidshof) zich aan bij het advies, uitgebracht door het Openbaar Ministerie (...)" (arrest p. 4, (in rechte t/m p. 5, derde alinea, p. 9, derde laatste alinea en p. 10, laatste alinea). Grieven Eerste onderdeel Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling schrijft voor dat het bewijs dat met miskenning van het algemeen beginsel inzake het geheim van het strafonderzoek, werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is, noch dat de vordering in rechte die erop steunt noodzakelijk ongegrond is. Ook de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet schrijven niet voor wat de sanctie is wanneer informatie wordt uitgewisseld door de inspectiediensten met miskenning van het geheim van het strafonderzoek, met name zonder de in het derde lid van artikel 5 en het derde lid van artikel 6, §1, van de Arbeidsinspectiewet voorgeschreven toestemming, respectievelijk van de rechterlijke overheid, de procureur-generaal of de auditeur-generaal, bij delegatie, de arbeidsauditeur. Artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 voorziet evenmin in een sanctie wanneer akten van onderzoek en rechtspleging worden medegedeeld zonder de voorgeschreven uitdrukkelijke machtiging van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep. In zoverre een verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling ontbreekt die de sanctie en rechtsgevolgen bepaalt van de miskenning van bepalingen die tot doel hebben het geheim van het strafonderzoek te vrijwaren, staat het derhalve aan de rechter om vrij te beslissen welke de gevolgen zijn van de begane onrechtmatigheid. In dat geval dient de rechter de toelaatbaarheid van het onrechtmatig verkregen bewijs te beoordelen in het licht van de artikelen 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die een eerlijke procesvoering voorstaan, rekening houdend met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan. Hierbij kan de rechter met name in afweging nemen of de naleving van bepaalde vormvoorwaarden is voorgeschreven op straffe van nietigheid, of de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of de onrechtmatigheid al dan niet doelbewust werd begaan en of de ernst van de wetsovertreding veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt. Ook met het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid en met het gebrek aan weerslag van het aangeklaagde gebrek op het recht dat door de overschreden norm wordt beschermd, in casu het recht op geheimhouding van de gegevens van het strafonderzoek, dient de rechter rekening te houden bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van het onrechtmatig verkregen bewijs. Bewijsuitsluiting is slechts te rechtvaardigen bij opzettelijke wetsschennis, grove onachtzaamheden, ingeval van miskenning van de beginselen van een eerlijk proces en wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast. Voorgaande regels zijn niet alleen van toepassing in strafzaken, maar ook in burgerlijke of sociale zaken, telkens wanneer onrechtmatig verkregen bewijs wordt aangewend in een context die de openbare orde raakt. Het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, zijn financiering en de inning van de socialezekerheidsbijdragen, raken de essentiële belangen van de Staat zodat de bepalingen van de RSZ-wet en van de wet van 29 juni 1981 van openbare orde zijn, wat rechtvaardigt dat aan het onrechtmatig verkregen bewijs, waarop een vordering tot invordering van socialezekerheidsbijdragen is gesteund, niet automatisch alle rechtsgevolgen wordt ontnomen. De onregelmatigheid, die er in casu in bestond dat een inspecteur van de ISW tijdens een opsporingsonderzoek, met schending van het geheim van het strafonderzoek, een proces-verbaal heeft overgemaakt aan de inspectiediensten van de eiser zonder hiervoor de toestemming te hebben gevraagd aan de arbeidsauditeur, diende derhalve door het bestreden arrest te worden afgetoetst aan voormelde criteria om te beoordelen of het bedoelde proces-verbaal als bewijs toelaatbaar was en of de eiser bijgevolg wettig op grond van dat proces-verbaal tot een regularisatie van bijdragen was kunnen overgaan bij de verweerster die geen aangifte had gedaan van de arbeidsprestaties van de buitenlandse werknemers die zij tewerkstelde. In zoverre het bestreden arrest automatisch tot bewijsuitsluiting heeft besloten zonder na te gaan of aan voormelde criteria voor bewijsuitsluiting was voldaan, heeft het bijgevolg zijn beslissing niet naar recht verantwoord en niet wettig het proces-verbaal van 23 oktober 1996 van de inspecteur van de ISW, en het onderzoeksverslag van inspecteur D.G. dat daarop steunde, uit het dossier geweerd wegens de schending van het geheim van het strafonderzoek en van de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet en 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 (schending van alle bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel). Tweede onderdeel Het bestreden arrest heeft alleszins niet wettig kunnen oordelen dat het proces-verbaal van de ISW, en alles wat daarop voortbouwt, te weten het onderzoeksverslag D.G. van 2 april 1997, evenals zijn onderzoeksdaden, niet dienstig zijn om rechtsgevolgen te sorteren, dienvolgens uit het dossier moeten worden geweerd, wegens de niet-naleving van de toestemmingsvereiste die besloten ligt in de artikelen 5 en 6 van de Arbeidsinspectiewet en 125 van het koninklijk besluit van 28 december
  14. Al deze toestemmingsvereisten hebben immers een zuiver formeel karakter en zijn niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Het algemeen rechtsbeginsel inzake het geheim van het strafonderzoek behelst bovendien geen absoluut recht, terwijl er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat inzake de geheimhouding van de gegevens van het opsporingsonderzoek. Komt daarbij dat niet werd betwist dat de onregelmatige toestand te dezen door de arbeidsauditeur naderhand was geregulariseerd doordat hij alsnog aan de ISW zijn toestemming had verleend tot mededeling van het proces-verbaal van 23 oktober 1996 aan de eiser. Niet onbelangrijk is ook het feit dat het met schending van het geheim van het strafonderzoek verkregen proces-verbaal van 23 oktober 1996 geen aanleiding heeft gegeven tot vervolging van de verweerster. Tenslotte was ook de betrouwbaarheid van de gegevens vermeld in het proces-verbaal van 23 oktober 1996 niet aangetast door het loutere feit dat dit proces-verbaal, zonder opzet, door de ISW aan de inspectiediensten van de eiser was medegedeeld zonder voorafgaande toestemming van de arbeidsauditeur. Alle elementen in hun geheel beschouwd, was bijgevolg voldaan aan de vereisten van een eerlijke procesvoering, zoals bepaald in de artikelen 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, zodat het bestreden arrest bij de belangenafweging tussen het geschonden belang, bestaande uit een schending van het geheim van het onderzoek, en het te vrijwaren hogere belang, zijnde het instandhouden van het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers en de strijd tegen sociale fraude, voorrang diende te geven aan de belangen die de eiser tot taak heeft te behartigen. Hieruit volgt dat aan de in het eerste onderdeel vermelde criteria voor bewijsuitsluiting, welke hier als herhaald moeten worden beschouwd, niet was voldaan zodat het bestreden arrest niet wettig het bewijs, dat de eiser op onrechtmatige wijze, met schending van het geheim van het strafonderzoek, had verkregen, uit het dossier heeft kunnen weren en de vorderingen van de eiser bijgevolg niet wettig heeft kunnen afwijzen op grond van een falende bewijsvoering (schending van alle bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Derde onderdeel
  15. Krachtens artikel 1, derde lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie (hierna: Arbeidsinspectiewet), houden de sociale inspecteurs toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie.
  16. Krachtens artikel 5, eerste lid, van die wet, delen de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, wanneer zij zulks nodig achten, de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de openbare en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn. Krachtens het tweede lid van dit artikel bestaat er een verplichting om deze inlichtingen mee te delen wanneer de openbare instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten of de andere met toezicht belaste ambtenaren erom verzoeken. Krachtens het derde lid van dit artikel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits toestemming van deze laatste.
  17. Krachtens artikel 7 van die wet, mogen de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, de inlichtingen verkregen op grond van respectievelijk artikel 5 of 6 gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn.
  18. Krachtens artikel 9 van deze wet, hebben de sociale inspecteurs het recht waarschuwingen te geven, voor de overtreder een termijn te bepalen om zich in regel te stellen en processen-verbaal op te maken. Bij het opmaken van de processen-verbaal kunnen krachtens het vierde lid van deze bepaling de materiële vaststellingen verricht door de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, met hun bewijskracht, gebruikt worden door de sociale inspecteurs van dezelfde dienst, van de andere inspectiediensten of door de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen.
  19. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de sociale inspecteurs van een inspectiedienst de inlichtingen die zij tijdens hun onderzoek hebben ingewonnen, anders dan deze verkregen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid, zonder toestemming van deze laatste, kunnen meedelen aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn. De omstandigheid dat de sociale inspecteurs op grond van deze inlichtingen een proces-verbaal hebben opgesteld doet hieraan geen afbreuk.
  20. De appelrechters stellen vast dat: - bij een controle op 26 juni 1996 door de inspecteur van de Inspectie van de Sociale Wetten werd vastgesteld dat de verweerster voor de uitvoering van de werken beroep deed op verschillende werknemers die niet de werknemers van de verweerster waren; - na verdere controlebezoeken, de Inspectie van de Sociale Wetten de inbreuken begaan door de verweerster in een proces-verbaal heeft vastgesteld; - het proces-verbaal van de Inspectie van de Sociale Wetten en zijn bijlagen aan de eiser werden meegedeeld nadat zij aan de arbeidsauditeur werden overgemaakt; - het onderzoeksverslag van de sociale inspecteur van de eiser, op basis waarvan de eiser is overgegaan tot het opstellen van berichten van wijziging, gebaseerd is op de kennis over en de inhoud van het proces-verbaal van de Inspectie van de Sociale Wetten en de eraan gehechte stukken. De appelrechters stellen niet vast en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de inlichtingen meegedeeld aan de eiser door de Inspectie van de Sociale Wetten werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten opgelegd door de rechterlijke overheid.
  21. Door in deze omstandigheden te beslissen dat het bedoelde proces-verbaal van de Inspectie van de Sociale Wetten en het daarop gesteunde onderzoeksverslag van de inspecteur van de eiser uit het dossier geweerd moeten worden omdat, na het overmaken van het proces-verbaal aan het openbaar ministerie, de Inspectie van de Sociale Wetten de inlichtingen en stukken waarover zij beschikt enkel mag overmaken aan andere instanties, waaronder de eiser, indien daarvoor vooraf toelating is verleend door dat openbaar ministerie, schendt het arrest artikel 5 van de Arbeidsinspectiewet. Het onderdeel is gegrond. Vierde onderdeel
  22. Overeenkomstig artikel 6, §1, eerste lid, van de Arbeidsinspectiewet, zijn alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de gemeenschappen en gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, en van de openbare instellingen die ervan afhangen, alsmede van alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, ertoe gehouden aan de sociale inspecteurs, op hun verzoek, alle inlichtingen te geven die de sociale inspecteurs nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de wetgevingen waarmee zij belast zijn. Evenwel mogen, krachtens het derde lid van artikel 6, §1, in de versie voor de wijziging ervan bij wet van 20 juli 2006, de akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal.
  23. Artikel 6, §1, van de Arbeidsinspectiewet heeft betrekking op het verstrekken van inlichtingen door andere diensten aan de sociale inspectiediensten op hun verzoek. Wanneer, zoals te dezen, inlichtingen worden meegedeeld door een sociale inspectiedienst aan een instelling van sociale zekerheid, valt deze mededeling niet onder de toepassing van artikel 6, §1, van de Arbeidsinspectie-wet.
  24. Het bestreden arrest kon niet wettig op grond van artikel 6, §1, derde lid, van de Arbeidsinspectiewet, beslissen dat het bedoelde proces-verbaal van de Inspectie van de Sociale Wetten en het daarop gesteunde onderzoeksverslag van de inspecteur van de eiser uit het dossier geweerd moeten worden omdat het proces-verbaal door de Inspectie van de Sociale Wetten aan de eiser werd overgemaakt zonder voorafgaande toelating van het openbaar ministerie. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel Tweede subonderdeel
  25. Artikel 125, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken bepaalt dat, in criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken, geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging mag worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal bij het Hof van beroep. Wanneer een akte van onderzoek en rechtspleging wordt meegedeeld door een sociale inspectiedienst aan de instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten of aan ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, wordt deze mededeling specifiek geregeld door artikel 5 van de Arbeidsinspectiewet en niet door het voorschrift van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december
  26. Het bestreden arrest kon niet wettig op grond van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950, beslissen dat het bedoelde proces-verbaal van de Inspectie van de Sociale Wetten en het daarop gesteunde onderzoeksverslag van de inspecteur van de eiser uit het dossier geweerd moeten worden omdat het proces-verbaal door de Inspectie van de Sociale Wetten aan de eiser werd overgemaakt zonder voorafgaande toelating van het openbaar ministerie. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  27. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.