id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.4 Rolnummer: S.06.0085.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-12-03 Raadplegingen: 448 - laatst gezien 2026-07-03 22:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Indien een bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst als voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op de daarin bepaalde aanvullende vergoeding, stelt dat het brugpensioen ingaat na het bereiken van de leeftijd van 58 jaar, zonder daarbij als vereiste te stellen dat het ingaat voor het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, voldoet een werknemer van wie het brugpensioen ingaat op de leeftijd van 60 jaar aan de in de C.A.O. bedoelde leeftijdsvoorwaarde
(1)Art. 4, tweede lid, C.A.O. van 19 sept. 2001, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, betreffende het conventioneel brugpensioen, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 22 juni 2003. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen Vrije woorden: CAO - Berekenen van de opzeggingstermijn - Overeenstemming met de wettelijke minimumopzeggingstermijn Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 82, § 2 Koninklijk Besluit - 22-06-2003 - Art. 4, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. S.06.0085.N CENTEA, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Mechelse-steenweg 180, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.W.L, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 april 2006 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 3, a), zoals gewijzigd bij artikel 1 cao nr. 17nonies van 7 juni 1983, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 8 augustus 1983 (Belgisch Staatsblad, 27 augustus 1983), met ingang van 7 juni 1983, en 5 van de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen (Belgisch Staatsblad, 31 januari 1975, hierna ook afgekort: "de cao nr. 17 van 19 december 1974"); - de artikelen 1, 2, 3 en 4 van de bij koninklijk besluit van 22 juni 2003 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, betreffende het conventioneel brugpensioen (Belgisch Staatsblad, 11 september 2003, hierna ook afgekort: "de cao van 19 september 2001"). Bestreden beslissing Na terecht vastgesteld te hebben dat "tussen partijen niet wordt betwist dat in huidig geschil de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001 van toepassing is" (arrest, p. 6), verklaart het bestreden arrest het hoger beroep van de verweerder gegrond en zegt het voor recht dat de verweerder ten laste van de eiseres recht heeft op de betaling van een aanvullende vergoeding brugpensioen die wordt bepaald op 95 pct. van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering, op grond van de hiernavolgende overwegingen: "Het arbeidshof stelt vooreerst vast dat het brugpensioen van (de verweerder) is ingegaan nadat hij de leeftijd van 58 jaar had bereikt, namelijk op 24 mei 2003. Hij was toen 60 jaar oud. Derhalve vervult (de verweerder) de leeftijdsvoorwaarde zoals voorzien in het eerste lid van artikel 4 van voormelde collectieve arbeidsovereenkomst om aanspraak te kunnen maken op de daarin bepaalde aanvullende vergoedingen ten beloop van 95 pct. van het verschil tussen het netto-referteloon en de normale werkloosheidsuitkering. Verder stelt het arbeidshof vast dat (de verweerder) de opzeggingstermijn van 22 maanden, die hem door (de eiseres) met aangetekende brief van 8 mei 2001 werd betekend, op verzoek van (de eiseres) uitdrukkelijk heeft aanvaard op 1 juni 2001. Artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet luidt als volgt: (...)"(arrest, p. 7). "De in voormelde bepaling bedoelde opzeggingstermijn is een minimumtermijn, zodat moet aanvaard worden dat de duur van de door de werkgever in toepassing van voormelde bepaling betekende opzeggingstermijn die langer is dan die welke hij strikt minimaal moet in acht nemen, eveneens ‘overeenkomstig artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet' is berekend" (arrest, p. 8). "Dat (de eiseres) aan (de verweerder) een opzeggingstermijn heeft betekend van 22 maanden, hetzij een opzeggingstermijn die - gelet op zijn anciënniteit bij (de eiseres) - langer was dan strikt minimaal door artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet is voorgeschreven, doet niets af aan het gegeven dat de duur van die termijn - zoals voorgeschreven door artikel 4, tweede lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001 - ‘overeenkomstig de bepalingen van artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet' werd berekend. Van belang hierbij is dat de opzegging steeds een eenzijdige rechtshandeling is die uitgaat van één van de partijen bij de overeenkomst en dat, gelet op het dwingend karakter van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet, voorafgaand aan de kennisgeving van de opzegging geen geldige overeenkomst kan gesloten worden over de duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn. Het is, zoals te dezen, de werkgever die volkomen eenzijdig de duur bepaalt van de opzeggingstermijn, met dien verstande dat de duur van de opzeggingstermijn die hij in acht moet nemen niet korter mag zijn dan die welke voorzien is in artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet. Dat het in casu niet de bedoeling zou geweest zijn van (de eiseres) om ‘vrijwillig' een opzeggingstermijn van 22 maanden te betekenen, zoals zij beweert, is dus niet verenigbaar met het gegeven dat de opzegging steeds een eenzijdige rechtshandeling is. En of het daarbij al dan niet tevens de bedoeling van (de eiseres) zou geweest zijn een aanvullende vergoeding brugpensioen van 95 pct. te betalen, doet daarbij niet ter zake. Verder kan worden opgemerkt dat niets eraan in de weg stond dat (de eiseres) een opzeggingstermijn zou betekend hebben die beantwoordde aan het strikte wettelijke minimum zoals voorzien door artikel 82, §3, tweede lid, van de Arbeidsovereen-komstenwet, waarin verwezen wordt naar de duur van de opzeggingstermijn die de werkgever volgens artikel 82, §2, minimaal moet in acht nemen wanneer de bediende een jaarlijks loon verdient dat de daarin bepaalde grens niet overschrijdt. De omstandigheid dat de werknemer in het kader van de in artikel 10 van de cao nr. 17 voorziene overlegprocedure zou hebben laten blijken liever niet met brugpensioen te gaan, doet aan dit alles evenmin iets af nu, enerzijds, partijen voorafgaand aan de betekening van de opzegging geen geldige overeenkomst kunnen sluiten over de duur van de opzeggingstermijn die de werkgever in acht moet nemen (behoudens in het - te dezen niet toepasselijke - geval van artikel 82, §5, van de Arbeidsovereenkomstenwet) en, anderzijds, de opzegging een eenzijdige rechtshandeling is waarover de wederpartij geen enkele zeggingskracht heeft, dus ook niet wanneer de opzegging wordt betekend om de werknemer in staat te stellen met brugpensioen te gaan" (arrest, pp. 8-9). "Het feit dat (de verweerder) de door (de eiseres) betekende opzeggingstermijn aanvaard heeft, betekent uiteraard niet dat hij daardoor zou verzaakt hebben aan het recht om aanspraak te maken op een aanvullende vergoeding brugpensioen ten beloop van 95 pct. van het verschil tussen het netto referteloon en de normale werkloosheidsuitkering. Niet ter zake dienend is eveneens het gegeven dat (de verweerder) op de hoogte zou geweest zijn van de wijze waarop (de eiseres) de betreffende collectieve arbeidsovereenkomst interpreteerde en/of er uitvoering aan gaf. Derhalve moet het bewijsaanbod van (de eiseres) dat daarop betrekking heeft niet worden ingewilligd. (De verweerder) voldoet bijgevolg aan alle voorwaarden zoals voorgeschreven door artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001, zodat hij aanspraak kan maken op de daarin voorziene vergoedingen". (arrest, p. 9). Grieven Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 22 juni 2003 (hierna afgekort: de cao van 19 september 2001) heeft deze overeenkomst tot doel de toegang tot het conventioneel brugpensioen mogelijk te maken voor de personeelsleden die beantwoorden aan de algemene wettelijke voorwaarden betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen, alsook aan de bijzondere bepalingen genoemd in artikel 2 van deze overeenkomst. Als een dergelijke "bijzondere bepaling" stelt artikel 2 van diezelfde overeenkomst in zijn eerste lid dat het conventioneel brugpensioen in alle gevallen van ontslag door de werkgever, behalve bij ontslag om dringende redenen, wordt toegestaan aan de werknemers bedoeld in artikel 1 die de leeftijd van 58 jaar bereikt hebben op het ogenblik dat hun opzegtermijn een einde neemt of op het ogenblik dat hun arbeidsovereenkomst zonder opzegtermijn maar met verbrekingsvergoeding beëindigd wordt. Krachtens artikel 3 van de cao van 19 september 2001 zijn de algemene toepassingsmodaliteiten van deze conventionele brugpensioenregeling die welke bepaald zijn door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige oudere werknemers indien zij worden ontslagen, in de Nationale Arbeidsraad voor onbepaalde duur gesloten op 19 december 1974, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 (hierna afgekort: cao nr. 17 van 19 december 1974). 2. Deze cao nr. 17 van 19 december 1974 voorziet in een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers "ten einde geëigende maatregelen te nemen om het hoofd te bieden aan toestanden van krappe werkgelegenheid en inzonderheid om de tewerkstelling van jongere werknemers te bevorderen" (artikel 1 van cao nr. 17 van 19 december 1974). Krachtens deze regeling hebben werknemers van 60 jaar en ouder die worden ontslagen (behalve wegens dringende reden) recht op een aanvullende vergoeding (artikel 3,
- a)van diezelfde cao nr. 17), waarvan het bedrag gelijk is aan de helft van het verschil tussen het netto-referteloon en de werkloosheidsuitkering (artikel 5 van diezelfde cao nr. 17). 3. Hoewel de algemene toepassingsmodaliteiten van de sectorale brugpensioenregeling in het P.C. (paritair comité) nr. 308 dus deze zijn van de conventionele brugpensioenregeling zoals vastgelegd bij voormelde cao nr. 17, voorziet de cao van 19 september 2001 in een bijzondere, bijkomende regeling in die zin dat brugpensioen reeds mogelijk is na het bereiken van de leeftijd van 58 jaar. Artikel 4 van de cao van 19 september 2001 bepaalt in dit verband dat het bedrag van de aanvullende vergoeding waarin wordt voorzien door artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, in die hypothese, namelijk dat het brugpensioen ingaat na het bereiken van de leeftijd van 58 jaar, op 95 pct. wordt gebracht van het verschil tussen het netto-referteloon en de normale werkloosheidsuitkering. 4. Uit het geheel van deze bepalingen, in hun onderlinge samenhang beschouwd blijkt dat een werknemer, tewerkgesteld binnen een onderneming die zoals de eiseres ressorteert onder het paritair comité nr. 308 de keuze heeft om - hetzij vanaf 60 jaar met brugpensioen te gaan, waarbij zijn aanvullende vergoeding 50 pct. bedraagt van het verschil tussen het netto-referteloon en de werkloosheidsuitkering; - hetzij vanaf 58 jaar met brugpensioen te gaan, met een aanvullende vergoeding die 95 pct. bedraagt van het verschil tussen het netto-referteloon en de werkloosheids-uitkering. 5. Uit de feitelijke vaststellingen van het arrest blijkt dat de verweerder het aanbod van de verweerder om op 58 jaar met brugpensioen te gaan heeft geweigerd, omdat hij tot de leeftijd van 60 jaar wenste te blijven werken (arrest, p. 4). Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat de verweerder voldeed aan de leeftijdsvoorwaarde van artikel 4 van de cao van 19 september 2001 op grond van de overweging dat "het brugpensioen van (de verweerder) is ingegaan nadat hij de leeftijd van 58 jaar had bereikt, namelijk op 24 mei 2003. Hij was toen 60 jaar oud" (arrest, p. 7). Door te oordelen dat de verweerder die op 60 jaar met brugpensioen ging, voldeed aan de leeftijdsvoorwaarde van artikel 4 van de cao van 19 september 2001 inzake het recht op brugpensioen van werknemers die de leeftijd van 58 jaar bereikt hebben, miskent het arrest dit artikel 4 van de cao van 19 september 2001 evenals de overige sectorale bepalingen inzake het recht op brugpensioen vanaf 58 jaar (de artikelen 1, 2 en 3 van de cao van 19 september 2001) evenals de bepalingen houdende de algemene regeling inzake het brugpensioen op 60 jaar (de artikelen 1, 3 en 5 van de cao nr. 17 van 19 december 1974). Tweede onderdeel Artikel 4 van de cao van 19 september 2001 bepaalt uitdrukkelijk dat de werkgever "slechts verplicht (zal) zijn de aanvullende vergoeding (ten belope van 95 pct. van het verschil tussen het netto-referteloon en de normale werkloosheidsuitkering) te betalen voor zover de werknemer de opzegtermijn (of de verbrekingsvergoeding ) heeft aanvaard die door de werkgever werd betekend en waarvan de duur werd berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 59 of 82, §2, van de wet van 3 juli 1978, naargelang het een arbeider of een bediende betreft". De artikelen 59 en 82, §2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten handelen over de wettelijke minimum opzeggingstermijnen die door de werkgever in acht moeten genomen worden bij ontslag van respectievelijk een arbeider dan wel een bediende. Enkel de bediende die zich uitdrukkelijk akkoord verklaart met de toekenning van de minimum opzeggingstermijn kan bijgevolg een aanspraak maken op de hoogste aanvullende vergoeding van artikel 4 van de cao van 19 september 2001. Het verkrijgen van die hoogste vergoeding is aldus onlosmakelijk verbonden met de aanvaarding van de minimum opzeggingstermijn. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat aan de verweerder, die, het weze herhaald, slechts op 60 jaar met brugpensioen ging, een opzeggingstermijn van 22 maanden werd betekend die langer was dan strikt minimaal door artikel 82, §2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten was voorgeschreven. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat dit gegeven "niets (afdoet) aan het gegeven dat de duur van die termijn - zoals voorgeschreven door artikel 4, tweede lid van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001 - ‘overeenkomstig de bepalingen van het artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet' werd berekend" (arrest, p. 8). Daarbij overweegt het arrest eveneens dat het hierbij "van belang (...) is dat de opzegging steeds een eenzijdige rechtshandeling is die uitgaat van één van de partijen bij de overeenkomst en dat, gelet op het dwingend karakter van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet, voorafgaand aan de kennisgeving van de opzegging geen geldige overeenkomst kan gesloten worden over de duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn" (ibid.). Noch het eenzijdig karakter van de opzegging, noch het gegeven dat partijen voorafgaand aan de opzegging geen akkoord konden aangaan nopens de duur van de opzeggingstermijn, doen afbreuk aan de draagwijdte van artikel 4 van de cao van 19 september 2001, dat, in samenhang met artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomsten-wet, bepaalt dat enkel die werknemers die met 58 jaar met brugpensioen willen gaan en daarbij de minimum-opzeggingstermijnen aanvaarden aanspraak kunnen maken op de (hoogste) vergoeding ten belope van 95 pct. van het verschil tussen het netto-referteloon en de normale werkloosheidsuitkering. Door te oordelen dat een opzeggingstermijn die langer is dan de wettelijke minimumtermijn die ten aanzien van de verweerder moest in acht genomen worden een opzeggingstermijn is die overeenkomstig artikel 82, §2, van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten werd berekend, schendt het arrest artikel 82, §2, van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten en 4, tweede lid, van de cao van 19 september 2001. Door te oordelen dat de verweerder, die met 60 jaar met brugpensioen ging en aan wie een opzeggingstermijn was betekend die niet beperkt was tot de wettelijke minimum-opzeggingstermijn maar die deze overschreed, voldeed aan alle voorwaarden zoals voorgeschreven door artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001, zodat hij aanspraak kan maken op de daarin bepaalde vergoedingen [ten belope van 95 pct. van het verschil tussen het netto-referteloon en de normale werkloosheidsuitkering], schendt het arrest alle in het middel aangeduide wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Enig middel Eerste onderdeel 1. Artikel 2, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, betreffende het conventioneel brugpensioen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 22 juni 2003, bepaalt dat het brugpensioen in alle gevallen van ontslag door de werkgever, behalve bij ontslag om dringende redenen, toegestaan wordt aan de werknemers bedoeld in artikel 1 die de leeftijd van 58 jaar bereikt hebben op het ogenblik dat hun opzeggingstermijn een einde neemt of op het ogenblik dat hun arbeidsovereenkomst zonder opzeggingstermijn maar met opzeggingsvergoeding beëindigd wordt. 2. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst wordt het bedrag van de aanvullende vergoeding waarin voorzien wordt door artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, voor zover het brugpensioen ingaat na het bereiken van de leeftijd van 58 jaar, op 95 pct. gebracht van het verschil tussen het nettoreferteloon en de normale werkloosheidsuitkering. Deze bepaling stelt als voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op de daarin bepaalde aanvullende vergoeding, dat het brugpensioen ingaat na het bereiken van de leeftijd van 58 jaar, zonder daarbij als vereiste te stellen dat het ingaat voor het bereiken van de leeftijd van 60 jaar. Een werknemer van wie het brugpensioen ingaat op de leeftijd van 60 jaar voldoet derhalve aan de in artikel 6, eerste lid, bedoelde leeftijdsvoorwaarde. Het onderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Tweede onderdeel 3. Krachtens artikel 4, tweede lid, van de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001, zal de werkgever slechts verplicht zijn de aanvullende vergoeding te betalen voor zover de werknemer de opzeggingstermijn heeft aanvaard die door de werkgever werd betekend en waarvan de duur werd berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 59 of 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet, naargelang het een arbeider of een bediende betreft. 4. Artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet regelt de wettelijke minimumopzeggingstermijn die door de werkgever in acht moet worden genomen bij ontslag van een bediende. De omstandigheid dat de opzeggingstermijn die de werkgever betekend heeft aan de bediende, de wettelijke minimumtermijn overschrijdt, doet er niet aan af dat de termijn berekend werd overeenkomstig de bepalingen van artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet. 5. Het bestreden arrest stelt vast dat de eiseres aan de verweerder een opzeggingstermijn heeft betekend van 22 maanden, hetzij een opzeggingstermijn die, gelet op zijn anciënniteit bij de eiseres en zijn jaarlijks loon, langer was dan strikt minimaal door artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet is voorgeschreven. Het oordeelt, zonder schending van de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen, dat de duur van die termijn werd berekend overeenkomstig de bepalingen van het artikel 82, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet, zoals voorgeschreven door artikel 4, tweede lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001. Het onderdeel kan niet aangenomen worden. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 125,90 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.4 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091109.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div