id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071030.4 Rolnummer: P.07.0982.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2007-11-28 Raadplegingen: 615 - laatst gezien 2026-07-03 13:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechter oordeelt soeverein over de toepassing van artikel 190, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat, alhoewel de behandeling van de zaak in het openbaar geschiedt op straffe van nietigheid, het vonnisgerecht kan bevelen dat de zaak met gesloten deuren wordt behandeld, wanneer de vervolgingen zijn gegrond op de artikelen 372 tot 378 Strafwetboek, indien een van de partijen of het slachtoffer het vraagt, namelijk met het oog op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer; geen wetsbepaling schrijft voor dat de rechter of andere partijen, in zoverre zij tegen dat verzoek geen bezwaar of opmerking formuleren, dient te horen. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen familie en zeden - Aanranding van de eerbaarheid Vrije woorden: Behandeling met gesloten deuren - Beoordeling door de rechter Fiche 2 Artikel 375, tweede lid, Strafwetboek somt een aantal gevallen op waarin de persoon op wie de strafbare daad wordt gesteld, geacht wordt zijn toestemming niet te hebben verleend; die opsomming is niet beperkend en louter exemplatief, zodat de afwezigheid of het gebrek aan toestemming ook uit andere feitelijke gegevens kan blijken
(1).
(1)Cass., 2 nov. 1999, AR P.98.1366.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991102.6, nr
- Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen familie en zeden - Aanranding van de eerbaarheid Vrije woorden: Verkrachting - Constitutieve bestanddelen - Gebrek aan toestemming - Gevallen Tekst van de beslissing Nr. P.07.0982.N A M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt, tegen
- A V R, burgerlijke partij,
- W V R, burgerlijke partij,
- M L, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De veroordeling van de eiser tot het betalen van een voorschot aan de verweerders, de benoeming van een geneesheer-deskundige en de verwijzing van de zaak naar de eerste rechter voor de verdere afhandeling van de burgerlijke belangen, zijn geen eindbeslissingen. In zoverre het cassatieberoep tegen die beslissingen is gericht, is het voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert aan dat de appelrechters het beginsel van de openbaarheid van de rechtszittingen miskennen door de eiser niet te horen over het verzoek tot sluiting van de deuren, hetgeen leidt tot de nietigheid van de rechtspleging en van de uitspraak.
- Artikel 190, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, alhoewel de behandeling van de zaak in het openbaar geschiedt op straffe van nietigheid, het vonnisgerecht kan bevelen dat de zaak met gesloten deuren wordt behandeld, wanneer de vervolgingen zijn gegrond op de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek, indien een van de partijen of het slachtoffer het vraagt, namelijk met het oog op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. De rechter oordeelt hierover soeverein.
- Geen wetsbepaling schrijft daarbij voor dat de rechter de andere partijen, in zoverre zij tegen dat verzoek geen bezwaar of opmerking formuleren, dient te horen. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
- Voor het overige volgt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, dat het openbaar ministerie de sluiting der deuren heeft gevorderd op grond van artikel 190 Wetboek van Strafvordering met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van minderjarigen. Uit de vermelde stukken blijkt niet dat de eiser bij de behandeling van de zaak voor de feitenrechter, tegen de sluiting van de deuren enig bezwaar of kritiek heeft geformuleerd. De eiser kan het in het middel bedoelde verweer aldus niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Tweede middel
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, inzonderheid het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 april 2007, volgt dat na de beëindiging van het deskundigenonderzoek bevolen bij tussenarrest van 21 december 2006, de zaak in haar geheel is hernomen voor dezelfde rechters als deze die op 24 mei 2007 het arrest hebben uitgesproken. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert aan "dat artikel 375 Strafwetboek zelf reeds het begrip ‘toestemming' ruim omschrijft en een - door de strikte interpretatie noodzakelijk - limitatieve opsomming geeft van de hiermee gelijk te stellen situaties".
- Artikel 375, tweede lid, Strafwetboek somt een aantal gevallen op waarin de persoon op wie de strafbare daad wordt gesteld, geacht wordt zijn toestemming niet te hebben verleend. Die opsomming is niet beperkend louter exemplatief. De afwezigheid of het gebrek aan toestemming kan zodoende ook uit andere feitelijke gegevens blijken.
- Het Hof kan in dat verband alleen nagaan of de rechter uit de door hem vastgestelde concrete feiten en omstandigheden eigen aan de zaak en de persoon van het slachtoffer, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige trekken de appelrechters uit het geheel van de concrete feiten en omstandigheden die zij vermelden (arrest blz. 8 - 10), geen gevolgen die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Op grond van die feitelijke vaststellingen vermogen de rechters wettig te oordelen dat, wat de telastleggingen van verkrachting betreft, het slachtoffer geen geldige toestemming heeft gegeven. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 85,34 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071030.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991102.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div