← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.1 Rolnummer: P.07.0627.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-11-28 Raadplegingen: 854 - laatst gezien 2026-07-03 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de dader van het hoofdmisdrijf de gelden die de vermogensvoordelen uit dit misdrijf zijn, gebruikt om ermee waarden te kopen die in de plaats ervan komen, dan komen die gelden terecht in het patrimonium van de verkoper van die waarden en kunnen zij het voorwerp van het misdrijf van witwassen zijn dat met toepassing van artikel 505, derde lid, Strafwetboek wordt verbeurdverklaard

(1).
(1)Zie: Cass., 6 juni 2006, AR P.06.0274.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060606.8, nr 311. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Rechterlijk STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Witwassen van vermogensvoordelen - Vermogensvoordelen bestaande uit gelden - Gelden gebruikt om waarden aan te kopen - Gelden terug te vinden in het patrimonium van de verkoper van de waarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1° en 3°, en 505, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Rechterlijk STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Witwassen van vermogensvoordelen - Vermogensvoordelen bestaande uit gelden - Gelden gebruikt om waarden aan te kopen - Gelden terug te vinden in het patrimonium van de verkoper van de waarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1° en 3°, en 505, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 3 Een witgewassen vermogensvoordeel als bedoeld in artikel 42, 3e, Strafwetboek maakt het voorwerp van het misdrijf van witwassen uit in de zin van artikel 42, 1e, Strafwetboek en niet een vermogensvoordeel dat voortkomt uit dit misdrijf als bedoeld in artikel 42, 3e, Strafwetboek
(1).
(1)Zie de conclusie van proc.-gen. De Swaef, 4 april 2006, AR P.06.0042.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.2, nr 200. Thesaurus CAS: HELING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Rechterlijk STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Vermogensvoordeel rechtstreeks uit misdrijf verkregen - Witwassen van het vermogensvoordeel - Witgewassen vermogensvoordeel - Aard Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1° en 3°, en 505, eerste en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 5 Geen enkele wetsbepaling noch rechtsbeginsel staan eraan in de weg dat meerdere daders die samen een van de in artikel 505, eerste lid, Strafwetboek bepaalde misdrijven hebben gepleegd die een bepaald vermogensvoordeel tot voorwerp hebben, allen, zelfs samen met de daders van het hoofdmisdrijf, tot verbeurdverklaring ervan worden veroordeeld, mits de uitvoering van verbeurdverklaring de omvang van dit voordeel niet overschrijdt
(1).
(1)Cass., 21 okt. 2003, AR P.03.0757.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031021.3, nr 515. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Rechterlijk STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Witwassen van vermogensvoordelen - Meerdere daders Thesaurus CAS: HELING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Rechterlijk STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Witwassen van vermogensvoordelen - Meerdere daders Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1° en 3°, en 505, eerste en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 6 Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet uitdrukkelijk de rentevoet van de compensatoire rente bepalen; indien hij dat niet uitdrukkelijk doet, dan geldt de wettelijke rentevoet
(1).
(1)Anders dan het Hof oordeelde, concludeerde het openbaar ministerie dat de feitenrechter die compensatoire interesten toekent, de rentevoet dient vast te stellen. Daarbij werd uitgegaan van een precedent in die zin: Cass., 6 jan. 1993, AR 9980, nr
  1. Thesaurus CAS: INTERESTEN - COMPENSATOIRE INTERESTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Rechterlijk STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Zwaarste straf Vrije woorden: Rentevoet - Geen conclusie strekkende tot het bepalen van de rentevoet - Taak van de rechter Annotaties Publicaties: R.W. - C.IDOMON; Verbeurdverklaring bij equivalent en meervoudige verbeurdverklaring bij witwasmisdrijven. - 2007-2008, 1716-1723 R.W. - Britt WEYTS; De toepassing van Fraus omnia corrumpit bij de samenloop van aansprakelijkheden... - nr 41, 1723-1726 R.W. - A.VAN OEVELEN; De rentevoet van de compensatoire intrest bij buitencontractuele aansprakelijkheid. - 2007-2008, 1726-1727 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0627.N I A A G U M B, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Filiep De Ruyck en mr. Kris Beirnaert, advocaten bij de balie te Antwerpen, tegen
  2. DEUTSCHE BANK nv, rechtsopvolgster van Credit Lyonnais Belgium nv, met zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 13-15, burgerlijke partij,
  3. Frank VAN VLAENDEREN, advocaat, met kantoor te 9000 Gent, Krijgslaan 47, in zijn hoedanigheid van sekwester, burgerlijke partij, verweerders. II R A H C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tom Bauwens, advocaat bij de balie te Brussel, tegen Frank VAN VLAENDEREN, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder. III J R C D W, beklaagde, eiser, tegen DEUTSCHE BANK nv, reeds vermeld, burgerlijke partij. verweerster. IV H P T, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Victor Dauginet en mr. Mark Crommen, advocaten bij de balie te Antwerpen. V
  4. P V H, burgerlijke partij,
  5. B V H, burgerlijke partij, eisers, tegen
  6. D F B R, beklaagde,
  7. L S D, beklaagde, verweerders. VI L S D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. René Verstringhe, advocaat bij de balie te Gent, tegen
  8. DEUTSCHE BANK nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  9. P V H, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  10. B V H, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  11. FORTIS BANK nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, burgerlijke partij. verweerders. VII A M V M, beklaagde, eiser, tegen DEUTSCHE BANK nv, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster. VIII J-P V N, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Claude Van Marcke, advocaat bij de balie te Kortrijk, tegen
  12. A A G U M B, reeds vermeld, beklaagde,
  13. R A H C, reeds vermeld, beklaagde,
  14. J R C D W, reeds vermeld, beklaagde,
  15. H P T, reeds vermeld, beklaagde,
  16. D F B R, reeds vermeld, beklaagde,
  17. L S D, reeds vermeld, beklaagde,
  18. A M V M, reeds vermeld, beklaagde,
  19. F W D R, beklaagde,
  20. C A V P, beklaagde,
  21. J A V D S, beklaagde,
  22. J D I V, beklaagde,
  23. Y J M V T, beklaagde,
  24. B C V D, beklaagde, verweerders. IX J D I V, reeds vermeld, beklaagde, eiser, tegen DEUTSCHE BANK nv, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 maart
  25. De eiser I voert in een memorie zes middelen aan. De eiser II voert in een memorie acht middelen aan. De eiser IV voert in een memorie twee middelen aan. De eiser VI voert in een memorie twee middelen aan. De eiser VIII voert in een memorie een middel aan. De memories zijn aan dit arrest gehecht. De overige eisers voeren geen middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van A B Eerste middel Eerste onderdeel
  26. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt het arrest niet dat het misdrijf waaruit de gelden voortkomen, een fiscaal misdrijf is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  27. De in het onderdeel weergegeven redenen van het arrest zijn deze op grond waarvan het arrest de eiser wegens de telastleggingen J. 25.1 tot en met 3 vrijspreekt. Anders dan het onderdeel aanvoert zijn deze redenen niet deze op grond waarvan het arrest oordeelt dat de eiser kennis had van de oorsprong van de gelden die het voorwerp zijn van het bewezen verklaarde witwasmisdrijf, voorwerp van de telastlegging J.25.
  28. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  29. Het onderdeel voert aan dat de geldsommen, zijnde illegale vermogensvoordelen voortkomende uit een oplichting, die de eiser heeft ontvangen ter betaling van door hem verkochte aandelen, niet in zijn vermogen zijn overgedragen, maar enkel een reeds bestaand bestanddeel van dit vermogen hebben vervangen. Het leidt hieruit af dat de bijzondere verbeurdverklaring bepaald in artikel 505, derde lid, Strafwetboek niet kon worden uitgesproken.
  30. Overeenkomstig artikel 505, derde lid, Strafwetboek maken de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel het voorwerp uit van de misdrijven die gedekt worden door deze bepalingen, in de zin van artikel 42, 1°, en zij worden verbeurdverklaard, ook indien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde zonder dat deze verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring, schaadt. De ingevolge die bepaling verplicht uit te spreken verbeurdverklaring slaat op de geheelde of witgewassen vermogensvoordelen.
  31. Wanneer de dader van het hoofdmisdrijf de gelden die de vermogensvoordelen uit dit misdrijf zijn, gebruikt om ermee waarden te kopen die in de plaats ervan komen, dan komen die gelden terecht in het patrimonium van de verkoper van die waarden en kunnen zij het voorwerp van het misdrijf witwassen zijn dat met toepassing van artikel 505, derde lid, Strafwetboek wordt verbeurdverklaard. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  32. Artikel 505, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel het voorwerp uitmaken van de misdrijven die gedekt zijn door deze bepalingen, in de zin van artikel 42, 1°, Strafwetboek. Hieruit volgt dat een witgewassen vermogensvoordeel als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek het voorwerp van het misdrijf witwassen uitmaakt in de zin van artikel 42, 1°, Strafwetboek en niet een vermogensvoordeel dat voorkomt uit dit misdrijf als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek. Wanneer het witgewassen vermogensvoordeel vervolgens meermaals opnieuw door een der operaties vermeld in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° of 4°, Strafwetboek wordt witgewassen, blijft dit telkens ingevolge het witwassen gewijzigde vermogensvoordeel het voorwerp van het misdrijf witwassen.
  33. Wanneer het witgewassen vermogensvoordeel ingevolge het witwassen geïncorporeerd is in het vermogen van de witwasser, blijft dit het voorwerp van het misdrijf. Het witgewassen vermogensvoordeel wordt dan met toepassing van artikel 505, derde lid, voornoemd, als voorwerp van het misdrijf verbeurdverklaard. Die verbeurdverklaring heeft niet vermogensvoordelen als bedoeld in het artikel 43bis Strafwetboek tot voorwerp, welke enkel deze zijn die niet in het vermogen van de dader teruggevonden worden.
  34. Vermits het witgewassen vermogensvoordeel zelf geen vermogensvoordeel is dat rechtstreeks is verkregen uit het misdrijf witwassen, kan het niet met toepassing van artikel 42, 3°, worden verbeurdverklaard. Evenmin kan de bijzondere verbeurdverklaring krachtens artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek worden uitgesproken wanneer, zoals hier, het witgewassen vermogensvoordeel geïncorporeerd is in het vermogen van de witwasser en bijgevolg erin wordt teruggevonden.
  35. Het arrest beveelt de bijzondere verbeurdverklaring van 1.115.520,86 euro niet enkel met toepassing van artikel 505, derde lid, Strafwetboek omdat de witgewassen vermogensvoordelen het voorwerp uitmaken van de bewezen verklaarde telastlegging J.25.4, zijnde het misdrijf witwassen, als bedoeld in artikel 42, 1°, van hetzelfde wetboek. Het arrest oordeelt ook dat die witgewassen gelden en de andere goederen of waarden die in de plaats ervan zijn gesteld in het vermogen van de eiser geïncorporeerd zijn en daarom ook een rechtstreeks uit het feit J.25.4 verkregen vermogensvoordeel zijn. Op die grond beveelt het ook de verbeurdverklaring met toepassing van de artikelen 42, 3°, en 43bis, Strafwetboek. Aldus is die laatste beslissing niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Derde onderdeel
  36. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging van de beslissing met betrekking tot de uitgesproken verbeurdverklaring op grond van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek, behoeft het onderdeel geen antwoord. Derde middel
  37. In zoverre het middel betrekking heeft op de ten laste van de eiser bevolen verbeurdverklaring met toepassing van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek, behoeft het middel, gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, geen antwoord. Eerste onderdeel
  38. Het arrest verklaart de geldsom van 1.115.520,86 euro als voorwerp van de bewezen verklaarde telastleging J.25, 4 verbeurd op grond van artikel 505, derde lid, Strafwetboek. Die verbeurdverklaring is uitvoerbaar bij degene in wiens patrimonium de verbeurdverklaarde geldsom terug te vinden is.
  39. Het arrest stelt vast, zonder desbetreffende door het middel te zijn bekritiseerd, dat de hierbovenvermelde geldsom zich nog steeds in het vermogen van de eiser bevindt. Dit houdt in dat de verbeurdverklaring in elk geval bij hem moet worden uitgevoerd.
  40. De eiser heeft er geen belang bij dat de verbeurdverklaring van diezelfde geldsom niet ten laste van andere medebeklaagden wordt uitgevoerd. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  41. Krachtens artikel 505, derde lid, Strafwetboek, maken de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4°, van dit artikel het voorwerp uit van de misdrijven die gedekt zijn door deze bepalingen in de zin van artikel 42, 1°, en worden zij verbeurdverklaard zelfs indien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde, zonder dat deze verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die er het voorwerp van uitmaken, kunnen schaden.
  42. Geen enkele wetsbepaling noch rechtsbeginsel staan eraan in de weg dat meerdere daders die samen een van de in artikel 505, eerste lid, bepaalde misdrijven hebben gepleegd die een bepaald vermogensvoordeel tot voorwerp hebben, allen, zelfs samen met de daders van het hoofdmisdrijf, tot de verbeurdverklaring ervan worden veroordeeld, mits de uitvoering van de verbeurdverklaring de omvang van dit voordeel niet overschrijdt. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel
  43. Het middel preciseert niet in welke lezing de beslissing wettig en in welke andere lezing ze onwettig is. In zoverre het middel dubbelzinnigheid van de motivering aanvoert, is het onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  44. Het feit dat de eiser niet als mededader van de oplichtingen die de geldsommen hebben voortgebracht welke hij heeft witgewassen, is vervolgd, belet niet dat het door hem gepleegde misdrijf witwassen samen met de oplichtingen gepleegd door een derde een gemeenschappelijke fout kan zijn die de door het slachtoffer geleden schade heeft veroorzaakt. De redenen waarmee het arrest een medebeklaagde wegens oplichting schuldig verklaart, zonder de eiser bij dit misdrijf te betrekken, zijn niet tegenstrijdig met de redenen waarmee het arrest de eiser wegens het misdrijf witwassen schuldig verklaart. In zoverre het middel tegenstrijdigheid in de motivering aanvoert, mist het feitelijke grondslag.
  45. De rechter stelt onaantastbaar de feiten vast waaruit hij het al dan niet bestaan van een oorzakelijk verband tussen schuld en schade afleidt. Het Hof toetst evenwel of de rechter de beslissing wettig heeft kunnen gronden op zijn vaststellingen.
  46. In geval van samenlopende fouten, moet de rechter nagaan of er een causaal verband bestaat tussen elke fout en de schade. Hij moet bijgevolg voor elke vastgestelde fout nagaan of die fout, los van de andere, de schade heeft veroorzaakt.
  47. Het bestreden arrest oordeelt, onder uitdrukkelijke verwijzing naar hetgeen met betrekking tot L D, werd overwogen dat niet alleen blijkt uit de gegevens van het "voorliggende strafdossier dat de vermogensdelicten door D R ten nadele van de N.V. Crédit Lyonnais Belgium niet zouden zijn gepleegd indien L D niet samen met derden voor de weggenomen gelden (door witwaspraktijken) een ‘afzetmarkt' hadden gecreëerd - zodat in werkelijkheid de witwasmidrijven een ‘aanzuigend effect' hadden ten aanzien van de vermogensdelicten door de eerste beklaagde D R". Het oordeelt ook: "bovendien staat vast dat - zonder de witwasmisdrijven van L D en anderen - het nadeel waarvoor de N.V. Deutsche Bank thans vergoeding vordert reeds zou hersteld geweest zijn, nu immers de ontstolen gelden nog voorhanden zouden geweest zijn." Op grond van deze motieven die ook op de eiser van toepassing zijn, konden de appelrechters wettig oordelen dat er tussen de fout van de eiser en de schade van de Deutsche Bank een causaal verband bestaat. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  48. Voor het overige verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. Het is in zoverre niet ontvankelijk. Vijfde middel
  49. Het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit verbiedt bedrog of oneerlijkheid aan te wenden om schade te berokkenen of winst te behalen. Dit beginsel sluit uit dat de dader van een opzettelijk misdrijf, dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid in het gedrang brengt, aanspraak kan maken op een vermindering van de aan de getroffene van dat misdrijf verschuldigde vergoedingen, wegens de onvoorzichtigheden of nalatigheden die deze zou hebben begaan. Daartoe is vereist dat de handeling werd gesteld met de bedoeling schade te berokkenen.
  50. Wanneer het misdrijf witwassen een gemeenschappelijk fout is met het misdrijf oplichting dat schade berokkent aan de eigenaar van de witgewassen gelden, pleegt de dader het feit met het oogmerk de gelden buiten het bereik van de eigenaar van de witgewassen gelden te houden. Aldus pleegt de dader het misdrijf met de bedoeling te schaden. Hieruit volgt dat de appelrechters niet bijzonder hoefden vast te stellen dat de eiser de bewezen verklaarde telastlegging gepleegd heeft met de bedoeling schade te berokkenen. Het middel kan niet aangenomen worden. Zesde middel
  51. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet uitdrukkelijk de rentevoet van de compensatoire rente bepalen. Indien hij dit niet uitdrukkelijk doet, dan geldt de wettelijke rentevoet. Het middel faalt naar recht. Middelen van R C Eerste middel Eerste onderdeel
  52. Het arrest spreekt de verbeurdverklaring uit wegens de heling van een geldsom van 89.637,31 euro, voorwerp van de telastlegging L.
  53. Krachtens artikel 505, derde lid, Strafwetboek, maken de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4°, van dat artikel het voorwerp uit van de misdrijven die gedekt zijn door deze bepalingen als bedoeld in artikel 42, 1°, en worden zij verbeurdverklaard, ook indien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde, zonder dat deze verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring, schaadt. Hieruit volgt dat geldsommen die worden geheeld, het voorwerp zijn van het misdrijf als bedoeld in artikel 505, eerste lid, 1°, Strafwetboek. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het geheelde bedrag geen voorwerp van het misdrijf kan uitmaken, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  54. De bijzondere verbeurdverklaring van het bedrag van 89.637,31 euro wegens de bewezen verklaarde telastlegging L.13 is bevolen op grond van de artikelen 42, 1°, en 505, derde lid, Strafwetboek. Het enkele feit dat het arrest voor die verbeurdverklaring verwijst naar de motieven van de verbeurdverklaring van een ander bedrag, bevolen op grond van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek, houdt niet in dat toepassing van artikel 42, 3°, Strafwetboek wordt gemaakt. Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  55. Krachtens artikel 42, 1°, Strafwetboek, is de bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van het misdrijf verplicht. Hieruit volgt dat het arrest de bijzondere verbeurdverklaring van de geheelde geldsommen, voorwerp van de telastlegging L.13, niet nader diende te motiveren.
  56. Het onderdeel dat het arrest ten grieve duidt de bijzondere verbeurdverklaring wegens de bewezen verklaarde telastlegging niet rechtsgeldig of tegenstrijdig te hebben gemotiveerd, kan niet leiden tot cassatie en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel in zijn geheel
  57. Het arrest beveelt de verbeurdverklaring van de geldsom van 176.563,35 euro wegens de bewezen verklaarde telastleggingen J.24, K.28 en K.29 (met uitzondering van K.29.6), eensdeels, met toepassing van de artikelen 42, 1°, en 505, derde lid, Strafwetboek, anderdeels, met toepassing van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek. Het stelt vast dat die geldsom zich nog steeds in het vermogen van de eiser bevindt.
  58. Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het tweede middel van de eiser I. Het is om dezelfde redenen gegrond. Derde middel
  59. Het bestreden arrest geeft geen uitlegging van het PV 8083/2002 die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. Mitsdien miskent het de bewijskracht ervan niet. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel in zijn geheel
  60. Het middel preciseert niet waarin het motiveringsgebrek bestaat. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  61. De rechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens van het strafdossier, waaronder de verklaringen van de beklaagden en van de getuigen. Het staat de rechter vrij bepaalde verklaringen geloofwaardig te achten en bepaalde andere verklaringen als ongeloofwaardig te verwerpen. Door aldus met opgave van redenen te oordelen, miskent de rechter het recht op een eerlijk proces niet. In zoverre het schending van artikel 6.
  62. EVRM aanvoert, faalt het middel naar recht.
  63. Voor het overige voert het middel formeel miskenning aan van de bewijskracht van de erin weergegeven verklaringen, maar komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de bewijswaarde van het geheel van de verklaringen van de eiser en zijn medebeklaagden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vijfde middel
  64. Het bestreden arrest geeft met de in het middel weergegeven redenen waarbij een passage van eisers verklaring zou weggelaten zijn, geen uitlegging van het proces-verbaal 752/
  65. Bijgevolg miskent het de bewijskracht van dit stuk niet. Het middel mist feitelijke grondslag. Zesde middel
  66. Anders dan waarvan het middel uitgaat, laten de appelrechters hun oordeel niet steunen op een verklaring van eiser omtrent de financiële zijde van zijn functie als ziekenhuisdirecteur, maar leiden zij uit zijn verklaringen af dat zijn functie van ziekenhuisdirecteur financieel bijzonder interessant was. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Zevende middel
  67. In zoverre het middel een motiveringsgebrek aanvoert, preciseert het niet op welke conclusie niet is geantwoord. In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  68. Het bestreden arrest geeft geen uitlegging van het PV 9729/97 die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. Bijgevolg miskent het de bewijskracht ervan niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  69. Het onderdeel, dat aanvoert dat het arrest "de inhoud van het strafdossier schendt", preciseert niet van welke stukken de bewijskracht is miskend. In zoverre het onderdeel miskenning van bewijskracht aanvoert, is het onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  70. Voor het overige duidt het onderdeel het arrest ten grieve geen rekening te houden met "boekhoudkundige technieken, zoals deze aangehaald door F R in het eerste onderdeel". Aldus komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters betreffende het bestaan en het gebruik van valse facturen alsmede van heling en witwassen van illegale vermogensvoordelen, beoordeling die steunt op de overige redenen van het arrest, die het onderdeel niet betrekt in zijn kritiek. In zoverre is het onderdeel bijgevolg niet ontvankelijk. Achtste middel in zijn geheel
  71. Het bestreden arrest geeft geen uitlegging van de beroepsbesluiten van de eiser, de in het tweede onderdeel aangehaalde stukken uit het strafdossier en het PV 3095, die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  72. Voor het overige komt het middel op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Middelen van H T Eerste middel Eerste onderdeel
  73. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het tweede middel van de eiser I. Het is om dezelfde redenen gegrond. Tweede tot vierde onderdeel
  74. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, behoeven het tweede, derde en vierde onderdeel geen antwoord. Tweede middel
  75. In zoverre het middel betrekking heeft op de ten laste van de eiser bevolen verbeurdverklaring met toepassing van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek, behoeft het middel, gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, geen antwoord. Eerste onderdeel
  76. Het arrest verklaart de geldsom van 265.120,44 euro verbeurd op grond van artikel 505, derde lid, Strafwetboek daar die geldsom het voorwerp uitmaakt van de bewezen verklaarde telastleggingen J.23, 1, 3, 4 en 5, K.31 en K.
  77. Die verbeurdverklaring is uitvoerbaar bij degene in wiens patrimonium de verbeurdverklaarde geldsom terug te vinden is.
  78. Het arrest stelt vast, zonder desbetreffende door het middel te zijn bekritiseerd, dat de hierbovenvermelde geldsom zich nog steeds in het vermogen van de eiser bevindt. Dit houdt in dat de verbeurdverklaring in elk geval bij hem moet worden uitgevoerd.
  79. De eiser heeft er geen belang bij dat de verbeurdverklaring van diezelfde geldsom niet ten laste van andere medebeklaagden wordt uitgevoerd. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  80. Krachtens artikel 505, derde lid, Strafwetboek, maken de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4°, van dit artikel het voorwerp uit van de misdrijven die gedekt zijn door deze bepalingen in de zin van artikel 42, 1°, en worden zij verbeurdverklaard zelfs indien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde, zonder dat deze verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die er het voorwerp van uitmaken, kunnen schaden.
  81. Geen enkele wetsbepaling noch rechtsbeginsel staan eraan in de weg dat meerdere daders die samen een van de in artikel 505, eerste lid, bepaalde misdrijven hebben gepleegd die een bepaald vermogensvoordeel tot voorwerp hebben, allen, zelfs samen met de daders van het hoofdmisdrijf, tot de verbeurdverklaring ervan worden veroordeeld, mits de uitvoering van de verbeurdverklaring de omvang van dit voordeel niet overschrijdt. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Middelen van L D Eerste middel
  82. De enkele omstandigheid dat de rechter voor dezelfde vervolging op grond van feitelijke gegevens eigen aan elke beklaagde oordeelt dat de redelijke termijn voor één beklaagde niet en voor een andere beklaagde wèl overschreden is, levert geen tegenstrijdigheid in de motivering op. Het middel faalt in zoverre naar recht.
  83. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden, of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en het arrest al dan niet is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de vaststellingen die hij verricht, geen gevolgtrekking afleidt die deze niet kunnen verantwoorden. Dit is hier niet het geval. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede middel
  84. Het arrest oordeelt dat het aan eisers beroepsconclusie niet het minste gunstig onthaal kan "verlenen, omdat uit de gegevens van het strafdossier ten overvloede blijkt dat hij - voornamelijk door beloftes maar ook door bedreigingen - de betreffende - door hem betwiste - feiten (geldtransfers, bezit, beheer en overdrachten van en door de eerste beklaagde D R en/of andere beklaagden) rechtstreeks heeft uitgelokt, hetgeen hem (mede-)dader maakt in de zin van artikel 66 Sw., ook al zou hij de betreffende geldsommen nooit persoonlijk in handen hebben gehad." Aldus beantwoordt het arrest die conclusie. Het middel mist feitelijke grondslag. Middel van J-P V N
  85. Het middel voert aan dat door de plaatsing van gelden op de rubriekrekening, de desbetreffende gelden het vermogen van L D hebben verlaten en in het vermogen van de eiser terecht gekomen zijn. De eiser voert meer bepaald aan dat het feit dat bij overeenkomst was bepaald dat de bedoelde gelden op een rubriekrekening werden geplaatst tot het houden van de jaarvergadering 1997 van de voetbalclub K.S.V. Waregem, geen afbreuk doet aan het feit dat deze gelden vóór deze jaarvergadering reeds tot diens vermogen behoorden.
  86. Artikel 1179 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vervulde voorwaarde terugwerkt tot op de dag waarop de verbintenis is aangegaan.
  87. De appelrechters stellen vast dat de op rubriekrekening geplaatste geldsom in beslag genomen werd vooraleer de overeengekomen voorwaarde, meer bepaald het houden van de jaarvergadering 1997 van de voetbalclub K.S.V. Waregem, gerealiseerd werd. Het oordeelt dat die inbeslagname verhinderd heeft dat de voormelde geldsom in het bezit en het vermogen van de vrijwillig tussenkomende partij J-P V N kwam en dat de situatie geheel anders zou geweest zijn indien de inbeslagname had plaatsgevonden nadat de jaarvergadering 1997 van de voetbalclub K.S.V. Waregem reeds had plaatsgevonden vermits in dat geval de voormelde geldsom zou behoord hebben tot het vermogen van eiser. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet aangenomen worden. Ambtshalve middel ten aanzien van de eiser VI Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 42, 3°, en 43bis, Strafwetboek.
  88. Het arrest beveelt de verbeurdverklaring van het bedrag van 38.961.138,91 euro, 3.807.592,80 Zwitserse frank en 50.000 Britse pond, voorwerp van de bewezen verklaarde telastleggingen J.1 tot en met J.25, J.28, J.29 en J.30, alsmede van 33.961.659,91 euro, 48.455.314,20 Zwitserse frank, 320.000 Britse pond en 3.415.000 US dollar, voorwerp van de bewezen verklaarde telastleggingen J.27 en K.1 tot en met K.
  89. Het arrest stelt vervolgens vast dat die bedragen in het vermogen van de eiser geïncorporeerd zijn en zich nog steeds in dit vermogen bevinden zodat ze ook vermogensvoordelen vormen. Op die grond beveelt het, op vordering van het openbaar ministerie ook de verbeurdverklaring van die bedragen met toepassing van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek.
  90. Om de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel van het tweede middel van de eiser I, is die laatste beslissing niet naar recht verantwoord en schendt het arrest de vermelde wettelijke bepalingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  91. Wat betreft het overige van de strafvorderingen ingesteld tegen de eisers I, II, IV en VI, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en zijn de beslissingen naar recht verantwoord.
  92. Wat de eisers III, VII en IX betreft, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en zijn de beslissingen overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het ten aanzien van de eisers A B, R C, H T en L D verbeurdverklaringen uitspreekt met toepassing van de artikelen 42, 3°, en 43bis, Strafwetboek. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt in de rand van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers III, V, VII, VIII en IX in de kosten van hun cassatieberoep. Veroordeelt de eiser I tot zeven tienden en de eisers II, IV en VI tot acht tienden van hun cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep van Antwerpen. Begroot de kosten in het geheel op 2.304,03 euro, waarvan op elk cassatieberoep 256 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynksy. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100429.14 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230510.2F.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260108.1N.7 ECLI:BE:HBGNT:2016:ARR.20160606.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031021.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060606.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140909.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.