id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 26, § 2 Wet - 24-02-1921 - Artt.
1, en 2, 2° - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Decreet Vlaamse Raad - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Geneesmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vraag - Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugwet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugwet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen:
Art. 26, § 2 Wet - 24-02-1921 - Artt.
1, en 2, 2° - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Decreet Vlaamse Raad - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Geneesmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugwet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugwet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen:
Art. 26, § 2 Wet - 24-02-1921 - Artt.
1, en 2, 2° - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Decreet Vlaamse Raad - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: SPORT UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Geneesmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugwet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugwet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen:
Art. 26, § 2 Wet - 24-02-1921 - Artt.
1, en 2, 2° - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Decreet Vlaamse Raad - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Geneesmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugwet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugwet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen:
Art. 26, § 2 Wet - 24-02-1921 - Artt.
1, en 2, 2° - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Decreet Vlaamse Raad - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Geneesmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugwet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugwet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen:
Art. 26, § 2 Wet - 24-02-1921 - Artt.
1, en 2, 2° - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Decreet Vlaamse Raad - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. P.07.0778.N B C M H, beklaagde, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 april 2007. De eiser voert geen middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Overeenkomstig artikel 2, 3°, van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening (hierna Dopingdecreet), is de sportbeoefenaar "elke persoon die zich voorbereidt op of deelneemt aan een sportmanifestatie". Artikel 43, 3° Dopingdecreet stelt strafbaar "hij die zich schuldig maakt aan een dopingpraktijk, zoals omschreven in artikel 2, 6°, a), b),
- c)of d), of aan een daarmee gelijkgestelde praktijk zoals omschreven in artikel 21, § 2, 1°, 2° of 3°". Artikel 2, 6°, Dopingdecreet bepaalt welke de bij artikel 43 strafbare dopingpraktijken zijn. Artikel 21, § 2, 2°, Dopingdecreet, zoals het van toepassing was op het ogenblik van de aan de eiser ten laste gelegde feiten tot 19 mei 2004, bepaalt dat met dopingpraktijk gelijkgesteld wordt "het in bezit hebben tijdens of bij de voorbereiding van een sportmanifestatie van substanties als bedoeld in artikel 2, 6°, van het decreet". Artikel 21, § 2, 2°, Dopingdecreet, zoals het van toepassing is op de aan de eiser ten laste gelegde feiten vanaf 20 mei 2004, bepaalt dat met dopingpraktijk gelijkgesteld wordt "het in bezit hebben zonder gewettigde reden van substanties en middelen als bedoeld in artikel 2, 6°, onverminderd de bepalingen van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen". Artikel 44, eerste lid, Dopingdecreet bepaalt: "Wanneer de in artikel 43 strafbare feiten gepleegd worden door sportbeoefenaars ter gelegenheid van hun voorbereiding op of hun deelname aan een sportmanifestatie, geven ze alleen aanleiding tot disciplinaire maatregelen". 2. Uit die bepalingen volgt dat wanneer een sportbeoefenaar, dit is een persoon die zich voorbereidt op of deelneemt aan een sportmanifestatie, zich schuldig maakt aan dopingpraktijken of daarmee gelijkgestelde praktijken, hij voor die feiten niet strafrechtelijk kan vervolgd worden, maar enkel disciplinair kan worden gestraft. Hieruit volgt eveneens dat wanneer de dopingpraktijk van "het in bezit hebben tijdens of bij de voorbereiding van een sportmanifestatie van substanties en middelen als bedoeld in artikel 2, 6°, van het decreet" bepaald in artikel 21, § 2, 2°, Dopingdecreet, gepleegd door een sportbeoefenaar ter gelegenheid van zijn voorbereiding op of zijn deelname aan een sportmanifestatie, eveneens kan gekwalificeerd worden als bezit van verboden substanties als bedoeld in de Drugwet, zij het voorwerp uitmaakt van de strafuitsluitende verschoningsgrond bepaald in artikel 44 Dopingdecreet en niet meer strafrechtelijk kan vervolgd worden wegens inbreuk op de vermelde wet. Er, wat de vermelde dopingpraktijk betreft, anders over oordelen zou artikel 44 Dopingdecreet iedere draagwijdte ontnemen. Het feit dat de Drugwet waaronder die dopingpraktijk eveneens kan vallen, geniet van een eigen stelsel van verschoningsgronden, doet daaraan geen afbreuk. 3. De vraag rijst of de toepassing van de strafuitsluitende verschoningsgrond, bepaald in artikel 44 Dopingdecreet zoals hierboven uitgelegd, de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten miskent. 4. Het bestreden arrest stelt dat eens een dopingpraktijk, strafbaar gesteld door artikel 43 Dopingdecreet, eveneens gekwalificeerd wordt als overtreding van de Drugwet, die wet van toepassing is. 5. De Drugwet regelt in het belang van de openbare gezondheid, eensdeels, het vervoer, de invoer, de uitvoer, het bezit, de verkoop, het te koop stellen, het afleveren en het aanschaffen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende stoffen, ontsmettingsmiddelen en antiseptica, anderdeels, de uitoefening van de geneeskunde met betrekking tot die stoffen. Art. 2, 5°, Dopingdecreet bepaalt de medisch verantwoorde sportbeoefening als "het geheel van preventieve en curatieve maatregelen, bepalingen en aanbevelingen die de sportverenigingen en sportbeoefenaars in acht dienen te nemen met het oog op het fysiek en psychisch welzijn van de sportbeoefenaars". 6. Het Dopingdecreet beoogt aldus enkel de bescherming van het fysieke en psychische welzijn van de sportbeoefenaars in het kader van de sportbeoefening, dit is ter gelegenheid van de voorbereiding op of hun deelname aan een sportmanifestatie. Dit betreft niet de openbare gezondheid maar enkel het persoonlijk belang van de sportbeoefenaars. De Drugwet en het Dopingdecreet hebben bijgevolg elk een verschillend toepassingsgebied. 7. De vraag is derhalve of de decreetgever zijn bevoegdheid heeft overschreden doordat het toepassingsgebied van artikel 44 Dopingdecreet het toepassingsgebied van de Drugwet wat betreft de strafbaarheid van het bezit van in die wet bedoelde verboden substanties, uitsluit. 8. Er is grond tot het ambtshalve stellen van de hierna omschreven prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Dictum Het Hof, Houdt elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zal gedaan hebben over de volgende vraag: "Schendt artikel 44 van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, geïnterpreteerd in die zin dat door dat artikel een strafuitsluitende verschoningsgrond wordt gecreëerd die niet enkel geldt met betrekking tot feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 43 Dopingdecreet, maar dat deze ook geldt voor wat betreft louter het bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld door de Drugwet, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, in zoverre de toepassing ervan de residuaire bevoegdheid van de federale wetgever in het gedrang brengt". Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.3 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080603.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div