id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071108.5 Rolnummer: C.06.0624.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2007-12-19 Raadplegingen: 616 - laatst gezien 2026-07-03 23:34 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het in het vergunningenregister te vermelden vermoeden dat constructies, waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de Stedenbouwwet maar die dateren van voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, als vergund moeten worden beschouwd, indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht, is een weerlegbaar vermoeden van vergunning, met mogelijkheid van tegenbewijs door de overheid, die hiertoe alle middelen, behoudens getuigenbewijs, kan aanwenden. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Andere Vrije woorden: Vermoeden van vergunning - Aard Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 96, § 4, tweede lid Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Andere Vrije woorden: Stedenbouw - Bouwvergunning - Vermoeden van vergunning - Aard Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 96, § 4, tweede lid Fiches 3 - 4 Uit de wettelijke bepaling die voorziet dat constructies, waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de Stedenbouwwet maar die dateren van voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, in het vergunningenregister de vermelding krijgen dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd, indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht, volgt niet dat de afwezigheid van vermelding in het gemeentelijk register van bouwaanvragen en bouwvergunningen daterend van voor het vergunningenregister ingevoerd door artikel 96, § 1, van het Stedenbouwdecreet 1999 in geen geval als bewijs in aanmerking kan worden genomen. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Andere Vrije woorden: Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Afwezigheid van vermelding in het gemeentelijk register Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 96, § 4, tweede lid Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Andere Vrije woorden: Stedenbouw - Bouwvergunning - Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Afwezigheid van vermelding in het gemeentelijk register Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 96, § 4, tweede lid Fiches 5 - 6 De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die in kort geding uitspraak doet over een vordering tot opheffing van een stakingsbevel, beslist ten gronde. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Andere Vrije woorden: Stakingsbevel - Vordering tot opheffing - Kort geding - Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg - Beoordelingsbevoegdheid Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 154, laatste lid Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Andere Vrije woorden: Stedenbouw - Stakingsbevel - Vordering tot opheffing - Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg - Beoordelingsbevoegdheid Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 154, laatste lid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0624.N V.B.A., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, met burelen te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, tevens vertegenwoordigd door de Stedenbouwkundige Inspecteur bevoegd voor de provincie Antwerpen, met kantoren te 2018 Antwerpen, Copernicuslaan 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 juni 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 96, §4, tweede lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd door artikel 3, 2°, van het Decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft; - artikel 154 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; - de artikelen 584 en 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof beoordeelt het door de eiseres ingeroepen vermoeden van vergunning in artikel 96, §4, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en overweegt in dat verband het volgende: "Naar luid van artikel 96, §4, tweede lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals toegevoegd bij artikel 3, 3, 2°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 4 juni 2003 (B.S., 22 augustus 2003) krijgen constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, de vermelding in het vergunningenregister dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd, indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht. Door partijen wordt niet betwist dat het vakantieverblijf, waaraan de stopgezette werken werden uitgevoerd, zelf vergunningsplichtig was en dat deze constructie na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 doch vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbij zij gelegen is, is gebouwd. Door het hof dient evenwel te worden vastgesteld dat (de eiseres) nalaat een uittreksel uit het vergunningenregister over te leggen, waarin zou vermeld zijn dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd. (De verweerster) legt zijnerzijds een e-mailbericht voor gericht aan de gemeente Nijlen op 8 april 2004 en een brief van de gemeente Nijlen van 9 april 2004, waaruit dient te worden afgeleid dat het vakantieverblijf zonder bouwvergunning werd opgetrokken, nu de gemeente Nijlen (minstens) sedert 1962 registers van bouwaanvragen en bouwvergunningen bijhoudt en er haar geen bouwdossier bekend is voor het kwestieus perceel van (de eiseres). (De eiseres) kan zich derhalve niet beroepen op het vermoeden ingesteld bij artikel 96, §4, tweede lid, van het Decreet van 18 mei 1999, minstens wordt dit vermoeden, in zoverre (de eiseres) zich hierop zou kunnen beroepen, door (de verweerder) ten genoege van recht aan de hand van de voormelde stukken weerlegd. De decreetgever laat, inderdaad, een grote mate van vrijheid in de bewijsvoering aan de overheid, aangezien het in essentie om pure feiten gaat (...)". Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 96, §4, tweede lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd door artikel 3, 2°, van het Decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft (hierna artikel 96, §4, tweede lid, DRO).
- Artikel 96, §4, tweede lid, DRO luidt als volgt: "Constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, krijgen in het vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd, indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht". Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding wordt artikel 96, §4, tweede lid, DRO door rechtspraak en rechtsleer zo geïnterpreteerd dat dit artikel een materieelrechtelijk vermoeden van vergunning vestigt. Ook al schreef de decreetgever het vermoeden van vergunning neer in een bepaling die ogenschijnlijk alleen de opmaak van het vergunningenregister betreft (artikel 96 DRO), toch is het duidelijk dat de decreetgever beoogde de constructies die onder het toepassingsgebied van het vermoeden van vergunning vallen, gelijk te stellen met vergunde constructies. Het vermoeden van vergunning is dus een regel met materieelrechtelijke draagwijdte die onafhankelijk van het vergunningenregister geldt. De constructie die voldoet aan de voorwaarden van artikel 96, §4, tweede lid, DRO om te worden vermoed te zijn vergund, wordt gelijkgesteld aan een constructie waarvoor een regelmatige vergunning werd aangevraagd en verkregen.
- Het hof van beroep stelt in voorliggend geval vast dat het vakantieverblijf van de eiseres waaraan de stopgezette werken werden uitgevoerd vergunningsplichtig was en gebouwd werd na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 doch vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan. Overeenkomstig artikel 96, §4, tweede lid, DRO geldt in dat geval een materieelrechtelijk vermoeden van vergunning, behoudens bewijs door de overheid dat de constructie in overtreding werd opgericht. De overweging in het arrest dat "dient (...) te worden vastgesteld dat (de eiseres) nalaat een uittreksel uit het vergunningenregister over te leggen, waarin zou vermeld zijn dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd" en dat de eiseres zich derhalve niet op dit vermoeden kan beroepen, is onverenigbaar met de materieelrechtelijke draagwijdte van het vermoeden van vergunning dat door artikel 96, §4, tweede lid, DRO wordt gevestigd. Dit materieelrechtelijk vermoeden van vergunning bestaat zoals gezegd onafhankelijk van en voorafgaand aan de vermelding ervan in het vergunningenregister. In zoverre het hof van beroep de toepassing van het vermoeden van vergunning in artikel 96, §4, tweede lid, DRO afhankelijk maakt van de overlegging van een uittreksel uit het vergunningenregister waarin vermeld wordt dat de constructie als vergund moet worden beschouwd, miskent het hof dan ook de materieelrechtelijke draagwijdte van het vermoeden van vergunning in artikel 96, §4, tweede lid, DRO en schendt het arrest aldus de bewuste bepaling (schending van artikel 96, §4, tweede lid, DRO). Tweede onderdeel Schending van artikel 96, §4, tweede lid, DRO en van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de bewijslast.
- Overeenkomstig artikel 96, §4, tweede lid, DRO wordt een constructie die aan de daarin omschreven voorwaarden voldoet als vergund beschouwd, tenzij de overheid aan de hand van bewijsmateriaal aantoont dat de constructie in overtreding werd opgericht. Op de overheid rust derhalve de bewijslast in de zin van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek om aan de hand van stukken aan te tonen dat de constructie in overtreding werd opgericht. De decreetgever vermeldt in artikel 96, §4, tweede lid, DRO als mogelijke middelen tot bewijs van een overtreding een goedgekeurd bouwplan waaruit zou blijken dat de bestaande toestand of het bestaande gebruik afwijkt van de goedkeuring, een proces-verbaal of een bezwaarschrift.
- Het hof van beroep overweegt in voorliggend geval dat "(de verweerder) (...) zijnerzijds een e-mailbericht voorlegt gericht aan de gemeente Nijlen op 8 april 2004 en een brief van de gemeente Nijlen van 9 april 2004, waaruit dient te worden afgeleid dat het vakantieverblijf zonder bouwvergunning werd opgetrokken, nu de gemeente Nijlen (minstens) sedert 1962 registers van bouwaanvragen en bouwvergunningen bijhoudt en er haar geen bouwdossier bekend is voor het kwestieus perceel van (de eiseres). (De eiseres) kan zich derhalve niet beroepen op het vermoeden ingesteld bij artikel 96, §4, tweede lid, van het Decreet van 18 mei 1999, minstens wordt dit vermoeden, in zoverre (de eiseres) zich hierop zou kunnen beroepen, door (de verweerster) ten genoege van recht aan de hand van de voormelde stukken weerlegd".
- De beslissing van het hof van beroep dat het Vlaams Gewest het vermoeden in artikel 96, §4, tweede lid, DRO "ten genoege van recht" weerlegt aan de hand van de berichtgeving van de gemeente Nijlen dat zij sinds 1962 een register van bouwaanvragen en vergunningen bijhoudt en haar geen bouwdossier bekend is voor het kwestieus perceel, is onverenigbaar met de bewijsregel in artikel 96, §4, tweede lid, DRO. Niet alleen uit de - weliswaar exemplatieve - opsomming van bewijsmiddelen in dat artikel ("een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift"), maar ook uit de parlementaire voorbereiding van artikel 96, §4, tweede lid, DRO blijkt onmiskenbaar dat het nooit de bedoeling van de decreetgever geweest is om tot bewijs van een overtreding de aanwending van datzelfde vergunningenregister toe te laten. De eiseres verwees op dat punt in haar beroepsconclusie naar de verklaring van minister van ruimtelijke ordening Van Mechelen tijdens de parlementaire voorbereiding van het Decreet van 4 juni 2003: "Minister Dirk Van Mechelen verwijst naar wat momenteel in de praktijk door de gemeenten bij de opmaak van de vergunningenregisters wordt vastgesteld. Ten aanzien van gebouwen opgetrokken voor de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 zijn er geen problemen, want deze gebouwen worden geacht vergund te zijn. Vanaf de totstandkoming van de gewestplannen beschikt men in de archieven ook over vrij nauwkeurige gegevens over de bouwvergunning. Voor de periode tussen de inwerkingtreding van de wet van 1962 en de definitieve vaststelling van de gewestplannen stellen er zich wel grote problemen. Daarom wordt in het voorstel van decreet opgenomen dat de constructies die opgetrokken zijn in die tussenperiode, in het vergunningenregister de vermelding krijgen dat er het vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd. De bewijslast is omgekeerd: het zal aan de overheid zijn om aan te tonen dat de constructie in overtreding werd opgericht. Dat kan bijvoorbeeld aan de hand van een proces-verbaal." (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 31). Het vermoeden van vergunning zolang het bewijs van een overtreding niet geleverd wordt, geldt net in die gevallen waarin een vergunningsplichtige constructie opgericht werd en er geen bouwvergunning of vergunde plannen voorliggen. Toelaten dat de overheid het ontbreken van enige vermelding in het aanvragen- en vergunningenregister zou kunnen aanwenden om het vermoeden van vergunning te weerleggen en het bewijs van een overtreding te leveren, zou het door de decreetgever gevestigde vermoeden van vergunning volkomen uithollen. Dat het vermoeden van vergunning onafhankelijk van en voorafgaand aan de vermelding ervan in het vergunningenregister bestaat, heeft ook op het vlak van het bewijs van overtreding dat de overheid moet leveren uitwerking.
- In zoverre het hof van beroep beslist dat verweerder het vermoeden van vergunning "ten genoege" weerlegt aan de hand van de berichtgeving van de gemeente Nijlen dat zij sinds 1962 een register van bouwaanvragen en vergunningen bijhoudt en haar geen bouwdossier bekend is voor het kwestieus perceel, miskent het hof van beroep dan ook de bewijsregel gevestigd door artikel 96, §4, tweede lid, DRO en schendt het tevens, voor zoveel als nodig, de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Derde onderdeel Schending van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, alsook van de artikelen 96, §4, tweede lid, en 154 DRO, van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de bewijslast.
- Overeenkomstig artikel 154, laatste lid, DRO kan in kort geding de opheffing worden gevorderd van de bevolen staking van in overtreding verrichte werken of handelingen. De vordering tegen het Vlaamse Gewest wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan het werk en de handelingen werden uitgevoerd. Op de inleiding en de behandeling van de vordering zijn de procedureregels inzake kort geding in Boek II, Titel VI van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing (cf. artikel 154, laatste lid, DRO). Hoewel de procedureregels inzake kort geding van toepassing zijn, oordeelt de rechter nochtans ten gronde en mag hij zowel de formele als inhoudelijke wettigheid van het stakingsbevel onderzoeken. Zo het Hof van Cassatie desondanks van oordeel zou zijn dat de procedure uitgewerkt in artikel 154, laatste lid, DRO aan de rechter slechts een beoordelingsbevoegdheid in kort geding toelaat, geldt in ieder geval dat de rechter, door te beslissen dat de eiseres zich niet kan beroepen op het vermoeden ingesteld bij artikel 96, §4, tweede lid, DRO, minstens dat dit vermoeden door de verweerder "ten genoege van recht" wordt weerlegd, zowel de materieelrechtelijke draagwijdte van het vermoeden van vergunning als de bewijsregel in artikel 96, §4, tweede lid, DRO miskent en van die bepaling derhalve een toepassing maakt die zijn beslissing om de bevolen staking niet op te heffen niet redelijkerwijze kan staven (schending van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, alsook van de artikelen 96, §4, tweede lid, en 154 DRO, van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de bewijslast). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid van het onderdeel
- De verweerder voert aan dat het onderdeel niet ontvankelijk is nu het oordeel van de appelrechters dat eiseres geen baat heeft bij het vermoeden ingesteld bij het te dezen toepasselijk artikel 96, §4, tweede lid, van het de¬creet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening ook gesteund is op de weerlegging door de verweerder van dit vermoeden.
- Het arrest stelt eensdeels vast dat de eiseres zich niet kan beroepen op het vermoeden ingesteld bij voormeld artikel 96, §4, tweede lid, en anderdeels dat dit vermoeden "minstens, in zoverre (de eiseres) zich hierop zou kunnen beroepen, door (de verweerder) ten genoege van recht aan de hand van de voormelde stukken (wordt) weerlegd".
- Door die in het tweede onderdeel tevergeefs bestreden beslissing vertoont het onderdeel geen belang meer nu het betrekking heeft op het niet voorleggen door de eiseres van een uittreksel uit het vergunningenregister zodat zij zich niet op het vermoeden kan beroepen. De grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- Overeenkomstig artikel 96, §4, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening krijgen constructies, waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, in het vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd, indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht. Uit deze bepaling volgt dat voor de in die wetsbepaling vermelde construc¬ties een weerlegbaar vermoeden van vergunning voorhanden is, met mogelijkheid van tegenbewijs door de overheid, die hiertoe alle middelen, behoudens getuigenbewijs, kan aanwenden. Uit deze bepaling volgt niet dat de afwezigheid van vermelding in het gemeentelijk register van bouwaanvragen en bouwvergunningen daterend van voor het vergunningenregister ingevoerd door artikel 96, §1, van voormeld decreet in geen geval als bewijs in aanmerking kan worden genomen.
- De appelrechters stellen vast dat: - de verweerder een e-mailbericht voorlegt gericht aan de ge¬meente Nijlen op 8 april 2004 en een brief van de gemeente Nijlen van 9 april 2004; - deze gemeente (minstens) sedert 1962 registers van bouwaanvra¬gen en bouwvergunningen bijhoudt; - bij de gemeente geen bouwdossier bekend is voor het kwestieus perceel van de eiseres. De appelrechters oordelen vervolgens dat de decreetgever een grote mate van vrijheid in de bewijsvoering aan de overheid heeft gelaten, gezien het in essentie om pure feiten gaat. Zij geven hiermee te kennen te dezen de gemeentelijke registers van bouwaanvragen en -vergunningen als tegenbewijs in aanmerking te kun¬nen nemen. Zij oordelen dat uit de voormelde vaststellingen dient te worden afgeleid dat het vakantieverblijf zonder bouwvergunning werd opgetrokken.
- Het onderdeel dat er van uitgaat dat de afwezigheid van vermelding in voormelde gemeentelijke registers nooit als tegenbewijs in aanmerking kan worden genomen, faalt naar recht. Derde onderdeel
- Krachtens artikel 154, laatste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening kan de betrokkene in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen tegen het Vlaamse Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan het werk en de handelingen werden uitgevoerd. Boek II, titel VI van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behande¬ling van de vordering.
- Uit voormelde bepaling volgt dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg inzake de gevorderde opheffing van het stakingsbevel ten gronde beslist. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de beoordelingsbevoegdheid van de voorzitter op grond van voormeld artikel deze is van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 668,91 euro jegens de eisende partij en op de som van 236,27 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 8 november 2007 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071108.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091222.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130208.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130208.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130208.4 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131024.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131024.2 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150529.3 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160225.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080925.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div