← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071108.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071108.7 Rolnummer: C.07.0084.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-12-19 Raadplegingen: 535 - laatst gezien 2026-07-03 17:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het is een handelsagent niet verboden om op te treden voor andere principalen. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Handelsagent - Optreden voor andere principalen Wettelijke bepalingen: Wet - 13-04-1995 - Art. 6 Fiches 2 - 4 Wanneer een agentuurovereenkomst van een handelsagent met een andere principaal zaken tot voorwerp heeft die concurrentieel zijn aan die van zijn principaal, dan kan, onder omstandigheden, de handelwijze van de handelsagent strijdig zijn met de verplichting om loyaal en te goeder trouw te handelen

(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot vernietiging op het tweede onderdeel op grond van de zienswijze dat de verplichting tot loyaal en te goeder trouw handelen van de handelsagent algemeen is en dat daaronder ook valt het zich onthouden van concurrerende activiteiten, behoudens in geval van akkoord van de principaal. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Handelsagent - Optreden voor andere principalen - Concurrerende activiteiten Wettelijke bepalingen: Wet - 13-04-1995 - Artt. 6, 18 en 19 Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Handelsagent - Verplichting tot loyaal en te goeder trouw handelen - Optreden voor andere principalen - Concurrerende activiteiten Wettelijke bepalingen: Wet - 13-04-1995 - Artt. 6, 18 en 19 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur Vrije woorden: Uitvoering te goeder trouw - Handelsagentuurovereenkomst - Handelsagent - Optreden voor andere principalen - Concurrerende activiteiten Wettelijke bepalingen: Wet - 13-04-1995 - Artt. 6, 18 en 19 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0084.N AE FURNITURE, naamloze vennootschap, met zetel te 9660 Brakel, Ronsesteenweg 52, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen HERMAN VANHERBRUGGEN, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2630 Aartselaar, Drie Bunder 1, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 oktober 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 19, 774, tweede lid, 1042, 1068 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1108 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 6, 18 en 19 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst; - de algemene rechtsbeginselen van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel) en van de eerbied voor het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het door de eiseres ingestelde hoger beroep ongegrond en bevestigen de beslissing van de eerste rechter waarbij werd beslist dat de eiseres de subagentuurovereenkomst onrechtmatig heeft beëindigd en dat bijgevolg een opzeggingsvergoeding aan de verweerster dient te worden betaald. De appelrechters steunen hun beslissing op de volgende gronden: "
  1. De eiseres vordert om de beroepsconclusie, door de verweerster neergelegd op 24 april 2006, uit de debatten te weren vanwege laattijdigheid (artikel 747, §2, van het Gerechtelijke Wetboek). Volgens de dwingende termijnregeling conform artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek dienden partijen hun conclusies uiterlijk mede te delen en neer te leggen als volgt: de verweerster op 15 maart 2006, de eiseres op 15 april 2006 en de verweerster op 15 mei
  2. Alhoewel artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek niet de strekking heeft dat een partij - die nalaat binnen de door de rechter bepaalde termijn een conclusie te nemen - hierdoor noodzakelijk het recht verbeurt om binnen de voor haar bepaalde daaropvolgende termijn een conclusie te nemen, mag de rechter (op vordering van een wederpartij) deze conclusie uit de debatten weren als sanctie voor een deloyale proceshouding (Cass., 16 maart 2006, R.A.B.G. 2006, afl. 11, 844; Cass., 27 november 2003, A.R. C.01.0438.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031127.9, inzake Zurich Universal/Intraka, http://www.cass.be). De verweerster heeft haar eerste conclusie pas op 24 april 2006 neergelegd, waardoor het de eiseres niet meer mogelijk was enige conclusie te nemen en zodoende haar rechten van verdediging werden geschaad. De beroepsconclusie, door de verweerster neergelegd op 24 april 2006, wordt uit de debatten geweerd.
  3. Ter zitting van 4 september 2006 deed de verweerster afstand van haar incidenteel hoger beroep, verklaring waarvan akte wordt verleend.
  4. De ernstige tekortkoming voorzien in artikel 19, 1°, van de Handelsagentuurwet is een fout die zodanig ernstig moet zijn dat de contractuele relatie niet verder meer kan worden gezet, zelfs niet tot het einde van de opzeggingstermijn. De bewijslast met betrekking tot de door de eiseres ingeroepen ernstige tekortkomingen lastens de verweerster, rust op de eiseres. De partij die de handelsagentuur beëindigt wegens ernstige tekortkoming, draagt de bewijslast omtrent deze fout. De vonnissen a quo schenden artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek niet. In de overeenkomst van 1 augustus 2000 (stuk 1.1 appellante) voorziet de agentuur voor Nadir-meubelen tussen de eiseres en haar principaal nergens een concurrentieverbod lastens de agent. In artikel III wordt de autonomie van de handelsagent beklemtoond en er wordt zelfs expliciet toegestaan aan de agent om ook andere producten dan deze van de principaal te verdelen. Dezelfde dag sloten huidige partijen een mondelinge overeenkomst van subagentuur. Art. 6, 1°, van de wet van 13 april 1995 bepaalt dat de handelsagent de belangen van de principaal moet behartigen en loyaal en te goeder trouw moet handelen. Deze bepaling verhindert niet (tenzij dit specifiek contractueel zou zijn bedongen) dat een handelsagent gelijksoortige producten naast elkaar zou commercialiseren. Of de meubelen van het merk Nadir en Cappellini concurrentieel zijn tegenover elkaar is derhalve niet relevant. Bij gebreke aan enige contractuele grondslag, was dit aan de verweerster toegestaan. Desbetreffend kan er geen fout worden weerhouden. De grieven welke de eiseres aanhaalt tegen de vonnissen a quo met betrekking tot het al dan niet concurrentieel karakter van de betrokken zitmeubelen, zijn bijgevolg irrelevant. Overigens is er géén schending van gezag van gewijsde van het tussenvonnis van 1 juni 2004, waar de eerste rechter oordeelde zelf niet te kunnen uitmaken of de zitmeubels van Nadir en Cappellini concurrentieel zijn en hiervoor een deskundige aanstelde, door het eindvonnis van 11 oktober 2005 dat besluit (de expert werd nooit in werking gesteld) dat de eiseres niet slaagt in haar bewijslast omtrent dit concurrentieel karakter van beide agenturen.
  5. Al evenmin toont de eiseres de beweerde gedaalde inspanningen in hoofde van de verweerster aan. Er waren geen contractueel vastgestelde quota's die de verweerster moest behalen. Dalende verkoopcijfers zijn op zich geen ernstige tekortkoming in hoofde van de agent (Antwerpen, 9 november 1999, A.J.T., 2000-2001, 571). In tempore non suspecto werd desbetreffend trouwens geen enkele ingebrekestelling verstuurd. Ook hier kan het hof geen fout in hoofde van de verweerster weerhouden.
  6. Aangezien het hof (samen met de eerste rechter) vaststelt dat er geen ernstige tekortkomingen lastens de verweerster aanwezig zijn, heeft de eiseres de subagentuur onrechtmatig beëindigd op 2 september 2002 (stuk 1.4 eiseres) en moet zij een opzegvergoeding betalen conform artikel 18 Handelsagentuurwet. Voormeld artikel 18 gaat voor de berekening van de opzegtermijn en - vergoeding uit van de overeenkomst die tussen de handelsagent en de principaal, in casu de subagent (de verweerster) en de hoofdagent (de eiseres) werd afgesloten (Gent, 16 december 2002, R.A.B.G. 2004, 1347). Terecht kende de eerste rechter een vervangende opzegvergoeding toe van twee maanden op basis van de overeenkomst van subagentuur tussen partijen lopende van 1 augustus 2000 tot 2 september
  7. Ook de berekening op basis van het maandelijkse gemiddelde van de door verweerster verdiende commissies, kan worden bijgetreden". Grieven Eerste onderdeel Hoewel luidens artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep, staat het aan de partijen door het hoofdberoep of het incidenteel beroep de perken te bepalen waarbinnen de rechter in hoger beroep uitspraak moet doen over de aan de eerste rechter voorgelegde betwistingen (de artikelen 1068, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding). De rechter die uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet aanhangig is omdat de eerste rechter hierover reeds definitief uitspraak heeft gedaan en geen van de partijen tegen deze beslissing hoger beroep heeft ingesteld, overschrijdt dan ook zijn rechtsmacht (de artikelen 19, 1042, 1068 en 1138, 2°, en het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding). Voor de eerste rechter voerde de eiseres aan dat de verweerster een ernstige tekortkoming had begaan door een concurrerende subagentuur te hebben opgenomen. De verweerster betwistte voor de eerste rechter niet dat zij geen concurrerende producten mocht verkopen. Zij voerde enkel aan dat de producten die door haar verkocht werden niet als concurrerende producten beschouwd konden worden. De eerste rechter besliste in zijn tussenvonnis van 1 juni 2004 dat het uitvoeren van een concurrerende nevenactiviteit strijdig was met het beginsel van loyaliteit en de goede trouw. De eerste rechter aanvaardde dan ook impliciet doch zeker dat het uitoefenen van een concurrerende nevenactiviteit een ernstige tekortkoming uitmaakte in de zin van artikel 19 van de wet betreffende de handelsagentuur. De eerste rechter stelde een deskundige aan om te beoordelen of de nevenactiviteiten van de verweerster al dan niet concurrerend waren. In zijn eindvonnis besliste de eerste rechter dat de eiseres niet bewees dat de verweerster een concurrerende subagentuur had opgenomen. De eiseres stelde tegen dit vonnis hoger beroep in zoverre de eerste rechter had beslist dat de door de verweerster uitgeoefende nevenactiviteiten niet concurrerend zijn. De verweerster stelde in haar conclusie van 24 april 2006 incidenteel beroep in. Dit hoger beroep was niet gericht tegen de beslissing van de eerste rechter dat het de verweerster verboden was een concurrerende nevenactiviteit uit te oefenen. Overigens werd deze conclusie van 24 april 2006 van de verweerster, waarin zij incidenteel beroep instelde, uit de debatten geweerd en deed de verweerster ter zitting afstand van haar incidenteel beroep. Uit het geheel van deze gegevens blijkt dat de eerste rechter definitief uitspraak had gedaan over de vraag of de verweerster al dan niet het recht had om een concurrerende nevenactiviteit uit te oefenen, dat geen van de partijen hoger beroep tegen deze beslissing had ingesteld en dat de vraag of de verweerster al dan niet een concurrerende nevenactiviteit mocht uitoefenen dan ook niet aanhangig was voor de appelrechters. Door niettemin te beslissen dat de verweerster gelijksoortige producten naast elkaar kon commercialiseren, hoewel de eerste rechter had beslist dat het de verweerster verboden was om concurrerende producten te commercialiseren, geen van de partijen hoger beroep tegen deze beslissing had ingesteld en deze vraag derhalve niet voor de appelrechters aanhangig was, schenden de appelrechters de artikelen 19, 1042, 1068 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek alsook het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding. Door verder te beslissen dat de verweerster gelijksoortige producten naast elkaar mocht commercialiseren, hoewel er geen betwisting tussen partijen bestond over het feit dat de verweerster geen concurrerende producten mocht commercialiseren, zonder aan de eiseres de mogelijkheid te bieden haar standpunt hierover uiteen te zetten, schenden de appelrechters de artikelen 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Door te beslissen dat de verweerster geen enkele tekortkoming beging op grond dat het de verweerster was toegestaan concurrerende producten te verkopen, hoewel deze betwisting niet aan de appelrechters was voorgelegd, en door aan de verweerster derhalve een opzeggingsvergoeding toe te kennen, schenden de appelrechters eveneens de artikelen 18 en 19 van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst Tweede onderdeel Artikel 19 van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt dat elke partij, onverminderd alle schadeloosstellingen, de overeenkomst zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn kan beëindigen, wanneer uitzonderlijke omstandigheden elke professionele samenwerking tussen de principaal en de handelsagent definitief onmogelijk maken of wanneer de andere partij ernstig tekort komt in haar verplichtingen. Artikel 6 van voormelde wet bepaalt dat de handelsagent de belangen van de principaal moet behartigen en loyaal en te goeder trouw moet handelen. De verplichting van de agent om loyaal en te goeder trouw te handelen houdt in dat de agent in principe geen concurrerende producten mag verkopen. Enkel wanneer er dienaangaande een wilsovereenstemming tussen partijen bestaat, kan en mag de agent concurrerende producten verkopen. Alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, strekken degenen die deze hebben aangegaan, tot wet (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). Overeenkomstig artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek vereist de geldigheid van de overeenkomst de toestemming van hij die zich verbindt. Terzake stellen de appelrechters vast dat in de overeenkomst van 1 augustus 2000 de agentuur voor Nadir-meubelen tussen de eiseres en haar principaal nergens een concurrentieverbod lastens de agent voorziet. De appelrechters wijzen erop dat in artikel 3 de autonomie van de handelsagent wordt beklemtoond en dat er zelfs expliciet wordt toegestaan aan de agent om ook andere producten dan deze van de principaal te verdelen. De appelrechters stellen tenslotte vast dat de eiseres en de verweerster op dezelfde dag een mondelinge overeenkomst van subagentuur sloten. Aldus stellen de appelrechters niet vast dat er tussen de eiseres en de verweerster wilsovereenstemming bestond over het feit dat de verweerster concurrerende producten mocht verkopen. Door derhalve te beslissen dat het irrelevant is of de verweerster al dan niet concurrerende producten verkocht, zonder vast te stellen dat er tussen partijen wilsovereenstemming bestond aangaande het feit dat de verweerster concurrerende producten mocht verkopen, schenden de appelrechters artikel 6 van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst dat bepaalt dat de agent loyaal moet handelen, wat inhoudt dat de agent geen concurrerende producten mag verkopen. In zoverre de appelrechters impliciet doch zeker een dergelijke wilsovereenstemming vaststellen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing evenmin naar recht. De wilsovereenstemming kan immers niet worden afgeleid uit het enkele feit dat in de hoofdagentuurovereenkomst het de agent was toegestaan om ook andere producten dan deze van de principaal te verdelen (schending van de artikelen 1108 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek). Door op die gronden te beslissen dat de verweerster geen enkele tekortkoming beging en door aan de verweerster derhalve een opzeggingsvergoeding toe te kennen schenden de appelrechters eveneens de artikelen 18 en 19 van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  8. Het hoger beroep van de eiseres was eveneens gericht tegen het beroepen vonnis daar " gelet op de rechtmatige opzeg lastens de (verweerster), er geen opzegvergoeding verschuldigd (is)".
  9. De opzegging van de eiseres was aldus niet alleen gesteund op de aanvoering dat de Cappellini-meubelen concurrentieel waren, maar daarenboven dat de verweerster concurrentiele meubelen niet mocht verkopen.
  10. De betwisting of de verweerster wel of niet concurrentiele meubelen mocht verkopen was aldus wel in het debat. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  11. Het is een handelsagent niet verboden om op te treden voor andere principalen. Wanneer een agentuurovereenkomst met een andere principaal zaken tot voorwerp heeft die concurrentieel zijn, dan kan, onder omstandigheden, de handelwijze van de handelsagent strijdig zijn met de verplichting uit artikel 6 van de Handelsagentuurwet om loyaal en te goeder trouw te handelen. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het een handelsagent niet is toegestaan om concurrerende producten te verkopen, behoudens met toestemming van de principaal, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 643,83 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 8 november 2007 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071108.7 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031127.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.