id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071112.1 Rolnummer: C.06.0590.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-12-24 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-07-03 06:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Dierenartsen zijn geen verzorgingsverstrekkers als bedoeld in artikel 2277bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - UITOEFENING VAN DE GENEESKUNDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Verzorgingsverstrekkers - Dierenartsen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2277bis, eerste lid Fiche 2 De rechtsvordering van dierenartsen met betrekking tot door hen geleverde prestaties, valt niet onder toepassing van de verjaringstermijn van twee jaar zoals bepaald in artikel 2277bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, nu dierenartsen geen verzorgingsverstrekkers zijn als bedoeld in dit artikel. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Duur - Rechtsvordering - Dierenartsen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2277bis, eerste lid Fiches 3 - 4 Krachtens artikel 26, § 2, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989, is het Hof van Cassatie verplicht aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen omtrent een in een middel aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek, nu het in die zin moet worden begrepen dat de erin bedoelde verzorgingsverstrekkers de beoefenaars van de geneeskunde op menselijke wezens omvat en niet de dierenartsen, zodat op de vorderingen van de beoefenaars van de geneeskunde ten aanzien van menselijke wezens met betrekking tot de door hen geleverde prestaties de in artikel 2277bis B.W., bepaalde verjaringstermijn van 2 jaar van toepassing is, en op de vorderingen van de door dierenartsen geleverde prestaties niet. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Verplichting - Schending van de artikelen 10 en 11 Gw. - Verjaringstermijn - Verzorgingsverstrekkers Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2277bis Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2277bis Tekst van de beslissing Nr. C.06.0590.N V.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen W.P., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 juni 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 16 oktober 2007 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet; - artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en grotendeels gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw wijzende. Verklaart de vordering gesteld bij de op 19 februari 2004 betekende dagvaarding ontvankelijk en grotendeels gegrond. Veroordeelt (de eiser) om aan (de verweerder) 11.480,48 euro te betalen, meer de moratoire rente aan 7 pct. vanaf 7 april 2003 tot 18 februari 2004 en meer de gerechtelijke rente vanaf 19 februari 2004 tot de dag van de algehele betaling. Veroordeelt (de eiser) tot de kosten van het geding van de beide instanties. (...)"; op grond van de motieven op p. 2-3: "Het hof deelt de zienswijze niet van de eerste rechter dat de vordering verjaard is op grond van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 64 van de wet van 6 augustus
- Voormelde facturen slaan immers niet op in artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde ‘geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen of bijkomende kosten'. (De eiser) kan zich niet met nut beroepen op het gezag van beslissingen en commentaren betreffende artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, omdat deze bepaling werd opgeheven door artikel 63 van de wet van 6 augustus 1993 (Belgisch Staatsblad 9 augustus 1993). Uit de bewoordingen noch uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat de wetgever heeft bedoeld ook de veeartsen te begrijpen onder de in deze bepaling bedoelde ‘verzorgingsverstrekkers'. Deze wetsbepaling beoogt de verjaringstermijn van de rechtsvorderingen van de verzorgingsverstrekkers op 2 jaar te brengen en ze aldus af te stemmen op de verjaringstermijn die krachtens artikel 106 van de wet van 9 augustus 1963 (thans artikel 174 Gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994) gold ten aanzien van de verzekeringsinstelling voor de terugbetaling van de ziekenhuiskamer en de honoraria van de verzorgingsverstrekkers. Daarmee werd een einde gesteld aan de discrepantie tussen de dertigjarige verjaringstermijn die gold in de rechtsverhouding tussen het ziekenhuis en de patiënt en de tweejarige termijn die gold voor de vordering tot terugbetaling van de patiënt-verzekerde tegen de verzekeringsinstelling. Alhoewel de wetgever de begrippen ‘verzorgingsverstrekker' en ‘geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen en bijkomende kosten' niet heeft omschreven, blijkt uit de context waarin artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek tot stand kwam afdoende dat daarmee de beoefenaars van de diergeneeskunde noch hun prestaties zijn bedoeld. (De eiser) doet de auteurs H. Vuye en P. Wéry geen eer aan door voor te houden dat zij in het artikel dat hij overlegt als stuk 3 zouden beweren dat dit wel het geval is. Het (hof van beroep) heeft zulks in dat artikel in elk geval niet kunnen lezen. Ook in de aangehaalde cassatiearresten wordt zulks niet beslist". Grieven Eerste onderdeel Destijds bepaalde het ondertussen op dat punt gewijzigde artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek dat "De rechtsvordering van geneesheren, heelkundigen en apothekers wegens hun bezoeken, heelkundige behandelingen en geneesmiddelen; (...) Verjaren door verloop van een jaar". Daaronder werd begrepen te zijn bedoeld elkeen die wettelijk een tak van de geneeskunde uitoefent, wat meteen de dierenartsen omvat nu zij wettelijk, onder meer in de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde van Dierenartsen en van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, een dergelijk gereglementeerde tak van de geneeskunde uitoefenen. Aan deze visie werd niet geraakt in het nieuwe artikel 2277bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat sedert de invoering bij artikel 64 van de wet van 6 augustus 1993 bepaalt: "De rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daarin begrepen de vordering wegens bijkomende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt". De rechtsvordering van een dierenarts, die een verzorgingsverstrekker is, derhalve onderworpen blijft aan de korte verjaring van 2 jaar. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat de vordering van de verweerder tot betaling van door hem uitgevoerde veterinaire diensten en levering van medicamenten niet verjaard is op grond van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek, nu een dierenarts wel een door deze bepaling bedoelde verzorgingsverstrekker is (Schending van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek) en zijn geleverde medicamenten en veterinaire diensten, - gezien het behandelingen zijn die evenzeer volgens artikel 1, eerste lid, 4°, van de voormelde wet van 28 augustus 1991 verstrekkingen zijn van preventieve of curatieve verzorging -, tevens geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen of bijkomende kosten zijn zoals bedoeld in artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek (Schending van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Zo artikel 2277bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de rechtsvorderingen van de dierenarts voor zijn diergeneeskundige prestaties niet omvat, maakt deze bepaling een onderscheid tussen de geneeskundige prestaties verricht door elkeen die wettelijk een tak van de geneeskunde uitoefent naargelang zij uitgeoefend worden op de mens in plaats van op een dier, hetwelk weliswaar objectief is, maar zonder enige verantwoording ten opzichte van de verschillende verjaringstermijn waaraan hun rechtsvorderingen voor de betaling van hun rekeningen door de patiënt dan worden onderworpen, hetgeen strijdig is met de door de Grondwet gewaarborgde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod (Schending van de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Enig middel Eerste onderdeel
- Artikel 2277bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daar inbegrepen de vordering wegens bijkomende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt.
- Onder verzorgingsverstrekkers moeten worden begrepen de zorgverleners bedoeld in artikel 2, n, van de Z.I.V.-Wet, waaronder de beoefenaars van de geneeskunst. Krachtens artikel 2, l, van de Z.I.V.-Wet, zijn de beoefenaars van de geneeskunst, de doctors in de genees-, heel- en verloskunde, de artsen, de licentiaten in de tandheelkunde en de tandartsen, de apothekers, de vroedvrouwen, die wettelijk gemachtigd zijn om hun kunst uit te oefenen. Overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, omvat de geneeskunst, de geneeskunde, de tandheelkunde inbegrepen, uitgeoefend ten aanzien van menselijke wezens, en de artsenijbereidkunde, onder hun preventief of experimenteel, curatief, continu en palliatief voorkomen.
- Hieruit volgt dat dierenartsen geen verzorgingsverstrekkers zijn als bedoeld in artikel 2277bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel werpt de vraag op of er een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige discriminatie bestaat op het vlak van de verjaring van hun vordering met betrekking tot de door hen geleverde verstrekkingen, diensten en goederen, tussen: - de beoefenaars van de geneeskunde op mensen, wier vorderingen onderworpen zijn aan de korte verjaringstermijn van twee jaar van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek, en - de dierenartsen, wier vorderingen niet onderworpen zijn aan de korte verjaringstermijn van twee jaar van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek.
- Het Grondwettelijk Hof doet overeenkomstig artikel 26, §1, 3°, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 bij wege van arrest uitspraak over de vragen omtrent de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Krachtens artikel 26, §2, van die Bijzondere Wet is het Hof verplicht de vraag te stellen die in het dictum van het arrest is geformuleerd. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof zal hebben geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: "Schendt artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu het in die zin moet worden begrepen dat de erin bedoelde verzorgingsverstrekkers de beoefenaars van de geneeskunde op menselijke wezens omvat, en niet de dierenartsen, zodat op de vorderingen van de beoefenaars van de geneeskunde ten aanzien van menselijke wezens met betrekking tot de door hen geleverde prestaties de tweejarige verjaringstermijn van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, en op de vorderingen van de dierenartsen niet?" Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071112.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div