← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071115.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071115.1 Rolnummer: C.06.0398.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-12-28 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-03 06:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche De bepalingen krachtens welke het Fonds tegenover de benadeelden niet gehouden is tot vergoeding indien zij hun vordering tegen een der aansprakelijken hebben laten verjaren maken geen onderscheid naargelang de benadeelde een vordering tegen het Fonds instelt vooraleer of nadat zijn vordering tegen een van de aansprakelijke daders is verjaard

(1).
(1)Zie Cass., 13 sept. 2001, AR C.99.0103.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010913.4, nr. 461 (en de verwijzing in de voetnoot 1). Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Algemeen (autoverzekering) Vrije woorden: Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds - Benadeelde - Vordering - Voorwaarde - Voorafgaande vordering tegen aansprakelijke - Verjaring Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 16-12-1981 - Artt. 18, b en 22, 2° Tekst van de beslissing Nr. C.06.0398.N
  1. D.M., en,
  2. D.G.
  3. D.E.,
  4. H.A.,
  5. D.C.,
  6. D.N., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 1210 Brussel, Liefdadigheidsstraat 33, bus 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 22, 2°, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Waarborgfonds; - artikel 18.b van het koninklijk besluit van 16 december 1981, houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 49 en 50 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, waarvan het opschrift bij koninklijk besluit van 23 oktober 1995 werd gewijzigd in "koninklijk besluit houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder¬nemingen", zoals van kracht vooraleer het werd opgeheven bij artikel 27 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende de vaststelling van de toela¬tingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Waarborgfonds. Aangevochten beslissingen Het Hof van Beroep te Gent verklaart in het aangevochten arrest van 5 januari 2006 de door de eisers lastens de verweerder ingestelde vorderingen, ertoe strekkende de verweerder te horen veroordelen tot vergoeding van de schade geleden naar aanleiding van het verkeersongeval van 19 september 1990, ontvankelijk, doch ongegrond en wijst deze vorderingen af. Het Hof van Beroep te Gent stoelt deze beslissing op volgende motieven: "Artikel 22, 2°, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, voormalig artikel 18, b, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, bepaalt dat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds tegenover de bena¬deelden niet tot vergoeding gehouden is indien zij hun vordering tegen één der aansprakelijke daders hebben laten verjaren. Bij het tussenarrest van 16 december 2004 werd geoordeeld dat uit het strafdossier blijkt dat het ongeval zich voordeed op een rijksweg waarvan de bewa¬ring bij het Vlaams Gewest ligt. Tevens werd vastgesteld dat het Vlaams Gewest dient beschouwd te worden als een aansprakelijke, nu haar aansprake¬lijkheid op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek betrokken zou geweest zijn, mocht de vordering lastens haar niet verjaard zijn. Aldus dient besloten te worden dat (de eisers en de heer D.) hun vordering tegen een aansprakelijke dader hebben laten verjaren en zij bijgevolg niet over een recht op vergoeding lastens het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds beschikken. De verwijzing van (de eisers en de heer D.) naar het arrest van 13 septem¬ber 2001 van het Hof van Cassatie is niet ter zake dienend gezien dit enkel betrekking had op het verval van het recht op vergoeding wanneer de bena¬deelde zich er van onthouden heeft een vordering tegen één der aansprake¬lijke daders in te stellen indien het Fonds hen hierom verzoekt en niet op het laten verjaren van de vordering tegen één der aansprakelijke daders. In het arrest werd bovendien enkel gesteld dat de benadeelde niet verplicht is voor¬afgaandelijk alle rechtsmiddelen uit te putten tegen de vermoedelijke daders vooraleer een rechtsvordering tegen het Fonds in te stellen, hetgeen geens¬zins belet dat het recht op vergoeding van de benadeelde verloren gaat wanneer hij zijn recht tegen één van de aansprakelijke daders heeft laten verjaren. Dat de verjaring tegen het Vlaams Gewest nog niet ingetreden was op het ogenblik dat de vorderingen tegen het Fonds werden ingesteld, is evenmin relevant. Vast staat immers dat (de eisers en de heer D.) hun vordering tegen het Vlaams Gewest hebben laten verjaren. Het feit dat zij voordien het Fonds hebben aangesproken, doet hier niet aan af. Artikel 22, 2°, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, voormalig artikel 18, b, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, interpreteren in de zin dat het Fonds enkel niet tot vergoeding gehouden is wanneer tegen haar een vordering wordt ingesteld op het ogenblik dat de vor¬dering tegen één der aansprakelijke partijen reeds verjaard is, is strijdig met de bewoordingen van deze bepaling. Het behoorde niet aan het Fonds als eerste het initiatief te nemen om het Vlaams Gewest te dagvaarden, noch de benadeelden hiertoe opdracht te geven. De vraag of het Fonds kan worden aangesproken op grond van schade ver¬oorzaakt door een onbekend gebleven voertuig dan wel doordat geen enkele verzekeringsonderneming tot vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder die het ongeval veroorzaakt, vrijuit gaat, is in de gegeven omstandigheden niet verder aan de orde. De vorderingen van (de eisers en de heer D.) zijn bijgevolg onge¬grond"(arrest, pp. 3-4). Grieven
  7. Naar luid van artikel 18.b van het koninklijk besluit van 16 de¬cember 1981, houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 49 en 50 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder¬nemingen, waarvan het opschrift bij koninklijk besluit van 23 oktober 1995 werd gewijzigd in "koninklijk besluit houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen", zoals van kracht vooraleer het werd opge¬heven bij artikel 27 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, en artikel 22.2° van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Ge¬meenschappelijk Waarborgfonds, is het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds tegenover de benadeelden niet gehouden tot vergoeding indien zij hun vordering tegen één der aansprakelijke daders hebben laten verjaren, daarvan afstand gedaan hebben of zich er van onthouden een vordering tegen hen in te stellen indien het Fonds hen hierom verzoekt.
  8. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepalingen, overgeno¬men uit het koninklijk besluit van 5 januari 1957, niet tot doel hebben de be¬nadeelde te verplichten een vordering tegen de dader van een door een mo¬torrijtuig veroorzaakte ongeval in te stellen alvorens hij voor een bijdrage van¬wege het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds in aanmerking komt. Deze bepalingen doelen op het geval dat er verschillende aansprakelijke daders zouden zijn, onder wie sommige buiten het toepassingsgebied van de WAM-wet vallen, zodat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds voor die daders niet gehouden is tot vergoeding. Het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds is ingevolge voornoemde bepalingen niet gehouden tot vergoeding van de benadeelde indien deze een vordering tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds instelt nadat zijn vordering tegen één van de aansprakelijke daders reeds is verjaard. Deze bepalingen vinden evenwel geen toepassing, en het Ge¬meenschappelijk Motorwaarborgfonds is derhalve wel tot vergoeding van de benadeelde gehouden, indien deze zijn vordering tegen het Fonds instelt alvo¬rens zijn vordering tegen één van de aansprakelijke daders is verjaard. Het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds is derhalve gehou¬den tot vergoeding van de benadeelde die zijn vordering tegen het Fonds heeft ingesteld vooraleer zijn vordering tegen de aansprakelijke dader was verjaard, zelfs indien de benadeelde nadien een vordering tegen deze aan¬sprakelijke instelt, op een ogenblik dat die vordering reeds is verjaard.
  9. De artikelen 18.b van het koninklijk besluit van 16 december 1981 en 22.2° van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 hebben tot doel het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, wanneer het door de benadeelde wordt aangesproken, de mogelijkheid te bieden zijn rechten veilig te stellen en aldus maatregelen te treffen om de eventuele uitoefening van zijn subrogratie¬recht veilig te stellen. Overeenkomstig artikel 80, §2, eerste lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, opgehe¬ven bij artikel 12 van de wet van 22 augustus 2002, en artikel 19bis-14, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijk¬heidsverzekering inzake motorrijtuigen, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 22 augustus 2002, treedt het Fonds immers, in de gevallen waarin de wet voorziet dat de benadeelde vanwege het Fonds vergoeding kan bekomen van de door een motorrijtuig veroorzaakte schade, in zoverre het de benadeelde heeft vergoed, in de rechten van de benadeelde tegen de aansprakelijke per¬sonen en eventueel tegen hun verzekeraars. Wanneer de benadeelde een vordering tot schadevergoeding tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds instelt op een ogenblik dat de vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijke reeds is verjaard, zal het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds geen mogelijkheid meer hebben om, na vergoeding van de benadeelde, de subrogatoire vordering tegen de aansprakelijke in te stellen. Dit is de reden waarom de artikelen 18.b van het koninklijk besluit van 16 december 1981 en 22.2° van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 voorzien dat het Fonds in die hypothese niet tot vergoeding zal gehouden zijn.
  10. Wanneer het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds aldus gehouden is tot vergoeding van de schade naar aanleiding van een verkeers¬ongeval waarbij een motorrijtuig slipte op een mazoutvlek op de rijbaan en het Vlaamse Gewest als bewaarder van de rijbaan op grond van artikel 1384, eer¬ste lid, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor het ongeval, zal het Fonds na vergoeding van de benadeelde in diens rechten treden ten aanzien van het Vlaams Gewest. Artikelen l8.b van het koninklijk besluit van 16 december 1981 en 22.2° van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 hebben tot doel te vermijden dat de benadeelde een vordering tot schadevergoeding tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds zou instellen nadat zijn vordering tegen het Vlaamse Gewest reeds verjaard is, omdat het Fonds alsdan, na vergoeding van de benadeelde, geen subrogatoire vordering tegen het Vlaamse Gewest zal kunnen instellen. Deze reglementaire bepalingen strekken er dus toe het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds toe te laten, wanneer een vordering tot scha¬devergoeding wordt ingesteld, zijn rechten te vrijwaren door een vordering tegen het Vlaamse Gewest in te stellen of de benadeelde aan te manen een vordering tegen het Vlaamse Gewest in te stellen. Zoals hiervoren uiteengezet, vinden de artikelen 18.b van het ko¬ninklijk besluit van 16 december 1981 en 22.2° van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 geen toepassing wanneer de benadeelde een vordering tot ver¬goeding tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds instelt vooraleer zijn vordering tegen het Vlaamse Gewest is verjaard, zelfs indien hij nadien een vordering tegen het Gewest instelt op een ogenblik dat deze vordering reeds is verjaard, nu in die hypothese aan het Fonds geenszins de mogelijk¬heid werd ontnomen zijn rechten veilig te stellen.
  11. Het hof van beroep beslist in het aangevochten arrest derhalve ten onrechte dat: - de vordering van de eisers lastens de verweerder ongegrond is omdat zij hun vor¬dering tegen een aansprakelijke derde - het Vlaamse Gewest - hebben laten verjaren en dat het feit dat de eisers een vordering tegen het Fonds hebben inge¬steld vooraleer de verjaring van hun vordering tegen het Vlaamse Gewest was ingetreden, hieraan niet afdoet, - artikel 22.2° van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, voormalig artikel 18.b van het koninklijk besluit van 16 december 1981, interpreteren in de zin dat het Fonds enkel niet tot vergoeding gehouden is wanneer tegen haar een vor¬dering wordt ingesteld op het ogenblik dat de vordering tegen één der aan¬sprakelijke partijen reeds verjaard is, strijdig is met de bewoordingen van deze bepaling, - het niet aan het Fonds behoorde als eerste het initiatief te nemen om het Vlaamse Gewest te dagvaarden, noch de benadeelden hiertoe opdracht te geven. Door de vordering van eisers op grond van de in het middel aangehaalde motieven als ongegrond af te wijzen, schendt het hof van beroep aldus de artikelen 22.2° van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Waarborgfonds en 18.b van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 49 en 50 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, waarvan het opschrift bij koninklijk besluit van 23 oktober 1995 werd gewijzigd in "koninklijk besluit houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen", zoals van kracht vooraleer het werd opgeheven bij artikel 27 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Waarborgfonds. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  12. Krachtens artikel 18.b van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, te dezen van toepassing tot dat het werd opgeheven bij artikel 27 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds en krachtens artikel 22.2° van dit koninklijk besluit, is het Fonds tegenover de benadeelden niet gehouden tot vergoeding indien zij hun vordering tegen één der aansprakelijke hebben laten verjaren.
  13. Deze bepalingen maken geen onderscheid naargelang de benadeelde een vordering tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds instelt vooraleer of nadat zijn vordering tegen één van de aansprakelijke daders is verjaard.
  14. Het middel dat aanvoert dat deze bepalingen geen toepassing vinden wanneer de benadeelde een vordering tot ver¬goeding tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds instelt vooraleer zijn vordering tegen een van de aansprakelijke daders is verjaard, zelfs indien hij nadien een vordering tegen het Gewest instelt op een ogenblik dat deze vordering reeds is verjaard, omdat in die hypothese aan het Fonds geenszins de mogelijkheid werd ontnomen zijn rechten veilig te stellen, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 449,26 euro jegens de eisende partijen en op de som van 152,41 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Benoît Dejemeppe en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 15 november 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071115.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010913.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.