← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071120.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071120.3 Rolnummer: P.07.1173.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2007-12-06 Raadplegingen: 508 - laatst gezien 2026-07-03 21:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Noch artikel 6.3, E.V.R.M., noch het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, noch artikel 1, Koninklijk Besluit nr 22 van 24 oktober 1934, noch artikel 195, Wetboek van Strafvordering, vereisen dat een beklaagde wordt verwittigd van de precieze straffen die tegen hem zullen kunnen worden uitgesproken

(1).
(1)Zie Cass., 30 mei 2006, AR P.06.0185.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.3, nr 296. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Vrijheid, veiligheid - art. 5 - Rechten gearresteerde/gevangen gehoudene: schadeloosstelling Vrije woorden: Verwittiging van beklaagde van de straffen die kunnen worden uitgesproken Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Vrijheid, veiligheid - art. 5 - Rechten gearresteerde/gevangen gehoudene: schadeloosstelling Vrije woorden: Kennisgeving aan beklaagde van straffen die kunnen worden uitgesproken Tekst van de beslissing Nr. P.07.1173.N I. R. M. F. D., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. II. J. G. H. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Engels, advocaat bij de balie te Antwerpen. III. S. P. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jannick Dams en mr. Tom Decaigny, advocaten bij de balie te Antwerpen. IV. 1. K. V. R., belanghebbende derde, 2. K. J., belanghebbende derde, eisers. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 21 juni 2007. De eiser I voert in een memorie een middel aan. De eiser II voert in een memorie een middel aan. De eiser III voert in een memorie drie middelen aan. De eisers IV voeren geen middel aan. De vermelde memories zijn aan dit arrest gehecht. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het bestreden arrest spreekt de eiser II vrij van de tenlastelegging E.IV.
  1. c)en sluit uit de schuldigverklaring van de eiser III bepaalde facturen uit. In zoverre de cassatieberoepen van deze eisers tegen deze beschikkingen zijn gericht, zijn zij bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Enig middel van de eiser I 2. Het middel voert schending aan van: - artikel 6 EVRM; - artikel 1 koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, zoals gewijzigd bij wet van 2 juni 1998; - artikel 195 Wetboek van Strafvordering; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de eerbiediging van het recht van verdediging. Eerste onderdeel 3. Het onderdeel stelt dat uit de stukken van de rechtspleging niet blijkt dat het openbaar ministerie gevorderd had of de eiser uitgenodigd werd zich over het hem opgelegde beroepsverbod van 10 jaar te verdedigen, zodat de veroordeling tot deze straf niet naar recht is verantwoord. 4. Artikel 6.3 EVRM bepaalt de rechten die eenieder heeft, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd. De in dit artikel vernoemde rechten waarborgen het recht van verdediging. Zo verleent artikel 6.3.a EVRM de beklaagde volgend recht: "onverwijld, in een taal welke hij verstaat, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen". Deze verdragsbepaling vereist evenwel niet dat de beklaagde wordt verwittigd van de precieze straffen die tegen hem zullen kunnen worden uitgesproken. 5. Artikel 1 koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, zoals gewijzigd bij wet van 2 juni 1998, en artikel 195 Wetboek van Strafvordering vereisen dit evenmin. 6. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging vereist dat de beklaagde vooraf in bijzonderheden kennis wordt gegeven van het misdrijf dat hem ten laste wordt gelegd. Het vereist niet dat hem vooraf kennis wordt gegeven van de facultatieve straffen of de maat ervan die tegen hem kunnen worden uitgesproken. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert aan dat het bestreden arrest het tegen de eiser uitgesproken beroepsverbod niet wettig motiveert omdat de overweging "teneinde recidive te vermijden" betrekking heeft op vijf beklaagden in het algemeen en die motivering evenmin de duur van de maatregel verantwoordt. 8. De motivering overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, wanneer de wet de rechter daartoe vrije beoordeling overlaat, van de keuze van de straf of maatregel en de rechtvaardiging van de duur ervan kan tezelfdertijd worden gegeven door dezelfde reden. Evenmin belet niets dat deze reden voor vijf verschillende beklaagden dezelfde is. 9. Met de reden die het bestreden arrest geeft motiveert dit het tegen de eiser uitgesproken beroepsverbod en de duur ervan. Het middel kan niet worden aangenomen. Enig middel van de eiser II 10. Het middel voert schending aan van: - artikel 6 EVRM ; - miskenning van het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Het middel stelt dat: - de eiser voor de raadkamer had laten gelden dat het hem verweten witwasmisdrijf gelden betreft die afkomstig zijn uit de illegale verkoop van CD's en CD-roms in Nederland; - deze feiten in Nederland zowel op strafrechtelijk als op fiscaal vlak werden geregulariseerd zodat hij zich niet meer schuldig kon hebben gemaakt aan witwassen; - de beschikking van de raadkamer eisers standpunt heeft gevolgd maar van oordeel was dat de dading met de fiscus de gelden niet legaal maakte; - het bestreden arrest zonder hem te verwittigen oordeelt dat de gelden voortkwamen van een door een medebeklaagde georganiseerde BTW-fraude, zodat hij in zijn rechtmatige verwachtingen werd verschalkt en hij zich niet doelgericht en efficiënt heeft kunnen verdedigen. 11. Uit de stukken waarop het Hof vermag te slaan, met name de schriftelijke vordering van de procureur-generaal van 8 september 2006, blijkt dat deze magistraat tegen de eiser de verbeurdverklaring van 3.420.023,40 euro heeft gevorderd "als vermogensvoordeel van het misdrijf van valsheid in geschrifte en fiscale fraude (tenlasteleggingen C, D, F en G)" Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser III 12. Het middel voert schending aan van artikel 90ter en 90quater Wetboek van Strafvordering en artikel 8 EVRM. Het middel stelt dat het afluisteren van de telefoon van een medebeklaagde cruciaal blijkt in de opbouw van de bewijsconstructie tegen de eiser, dat de vaststelling dat hij geen betwisting voerde over de wettigheid van dat bewijs, de appelrechters niet ontsloeg van de verplichting dit ambtshalve te onderzoeken, en dat het Hof, bij toetsing van de beschikking van de onderzoeksrechter, ambtshalve de vernietiging van het bestreden arrest moet uitspreken. 13. Tenzij uit zijn beslissing uitdrukkelijk kan worden afgeleid dat dit niet het geval is, wordt de strafrechter vermoed ambtshalve te hebben onderzocht, wat hij ambtshalve moest onderzoeken. In zoverre het middel berust op de onderstelling dat de rechter uitdrukkelijk moet vermelden dat hij de wettigheid van het bewijs heeft onderzocht, faalt het naar recht. 14. Voor het overige mist het onderdeel feitelijke grondslag daar de aangehaalde tekst van de telefoontapbeschikking niet beperkt is tot de in het onderdeel weerhouden enkele considerans van de vaststelling van de subsidiariteit. Tweede middel van de eiser III 15. Het middel voert schending aan van artikel 42 tot 43bis Strafwetboek en van de motiveringsverplichting van artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Het middel stelt dat het bestreden arrest niet motiveert waarom tegen de eiser een facultatieve verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen wordt uitgesproken. 16. Het bestreden arrest motiveert dat de verbeurdverklaring moet worden uitgesproken "omdat niet aanvaard kan worden dat [de veroordeelden] in het bezit zouden blijven van de illegale vermogensvoordelen". Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser III 17. Het middel voert schending aan van de rechten van verdediging, zoals vervat in artikel 6 EVRM. Het middel stelt dat de eiser, door het tegen hem bij toepassing van artikel 1, eerste lid, d),
  2. i)en
  3. j)K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934, uitgesproken verbod om een bepaalde beheersfunctie uit te oefenen gedurende een termijn van 10 jaar, zonder dat dit door het openbaar ministerie schriftelijk werd gevorderd noch de eiser uitgenodigd werd zich hieromtrent te verdedigen, verschalkt werd en niet in de effectieve mogelijkheid werd gesteld hieromtrent verweer te voeren, noch wat het opleggen van deze bijkomende straf, noch wat de duurtijd ervan betreft. 18. Om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het enige middel van de eiser I, faalt ook dit middel naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering 19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorge¬schreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 820,86 euro waarvan de eisers I, II en III elk 205,96 euro verschuldigd zijn en de eisers IV 172,98 euro verschuldigd zijn en 30 euro betaald hebben. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 20 november 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071120.3 Gerelateerde publicatie(
  4. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080610.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.5 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260401.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.