id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.10 Rolnummer: F.06.0081.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-12-27 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-03 05:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche Om zijn goederen te kunnen onttrekken aan het verhaal van de belastingontvanger dient de echtgenoot van de belastingplichtige vooreerst aan te tonen dat die goederen hem eigen zijn krachtens het huwelijksvermogensstelsel en vervolgens dat die eigen goederen op één van de vier in de artikelen 394, § 1, van het W.I.B.
(1992)vermelde onverdachte wijzen in zijn bezit zijn gekomen; het vermoeden van artikel 1468, tweede lid, van het B.W., dat slechts uitsluitsel geeft over het onverdeeld karakter van goederen, is daartoe op zich onvoldoende. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Rechtsmiddelen - Andere Vrije woorden: Aanslagprocedure - Invordering op de eigen goederen van de echtgenoot van de belastingplichtige - Uitzonderingsstelsel - Bewijslast - Vermoeden van onverdeeldheid van artikel 1468, lid 2, B.W. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1468, tweede lid Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 394, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Art. 295, § 1 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0081.N C.B., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Lier 1, met kantoor te 2500 Lier, Kruisbogenhofstraat 24, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 maart 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest "Ontvangt het hoger beroep, doch verklaart het ongegrond. Bevestigt dienvolgens de bestreden beschikking. Verwijst (de eiseres) in de kosten van de procedure in hoger beroep, in hoofde van (de verweerder) begroot op 237,98 euro rechtsplegingsvergoeding". Op grond van het motief op p. 4: "Uit de neergelegde uittreksels valt af te leiden dat er inderdaad op de rekening 610-4063770-46 eigen inkomsten van (de eiseres) worden gestort, met name en onder meer haar loon. Bij gebrek aan een volledig overzicht kan evenwel niet nagegaan worden of de in beslag genomen gelden uitsluitend afkomstig zijn van eigen inkomsten of voldoen aan de criteria van artikel 394 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Van de andere rekeningen worden geen of slechts uiterst summiere gegevens voorgebracht, zodat ook hier het door de wet vereiste bewijs niet is geleverd. De overige stukken (waaronder de brief van notaris Van Cauwelaert) bevestigen dat er wellicht eigen inkomsten of gelden uit een nalatenschap zijn of geweest zijn, maar bewijzen geenszins dat de saldi op de rekeningen die voorwerp zijn van het beslag daaruit uitsluitend zijn samengesteld. Met de eerste rechter dient dan ook vastgesteld te worden dat (de eiseres) niet slaagt in het wettelijk vereiste bewijs, zodat haar verzet als ongegrond moet afgewezen worden". Grieven Het bestreden arrest vermeldt uitdrukkelijk dat het hof (van beroep) op grond van de hem voorgelegde stukken heeft vastgesteld dat de banktegoeden waarop het beslag werd gelegd, onder andere voortkomen van het loon van de eiseres. Hieruit volgt dat het bestreden arrest enkel mits miskenning van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek heeft kunnen beslissen dat het bestreden beslag in zijn geheel moet worden gehandhaafd, nu lonen slechts binnen de bij wet bepaalde drempels beslagbaar zijn. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1468 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 394, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest "Ontvangt het hoger beroep, doch verklaart het ongegrond. Bevestigt dienvolgens de bestreden beschikking. Verwijst (de eiseres) in de kosten van de procedure in hoger beroep, in hoofde van (de verweerder) begroot op 237,98 euro rechtsplegingsvergoeding". Op grond van het motief: "Uit de neergelegde uittreksels valt af te leiden dat er inderdaad op de rekening 610-4063770-46 eigen inkomsten van (de eiseres) worden gestort, met name en onder meer haar loon. Bij gebrek aan een volledig overzicht kan evenwel niet nagegaan worden of de in beslag genomen gelden uitsluitend afkomstig zijn van eigen inkomsten of voldoen aan de criteria van artikel 394 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Van de andere rekeningen worden geen of slechts uiterst summiere gegevens voorgebracht, zodat ook hier het door de wet vereiste bewijs niet is geleverd. De overige stukken (waaronder de brief van notaris Van Cauwelaert) bevestigen dat er wellicht eigen inkomsten of gelden uit een nalatenschap zijn of geweest zijn, maar bewijzen geenszins dat de saldi op de rekeningen die voorwerp zijn van het beslag daaruit uitsluitend zijn samengesteld. Met de eerste rechter dient dan ook vastgesteld te worden dat (de eiseres) niet slaagt in het wettelijk vereiste bewijs, zodat haar verzet als ongegrond moet afgewezen worden". Grieven De eiseres heeft in een regelmatig genomen verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 9 juni 2004, opgeworpen dat de eiseres gehuwd is onder het stelsel van de volledige scheiding van goederen en dat het kwestieuze beslag werd gelegd uit hoofde van belastingschulden van haar echtgenoot. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing om het kwestieuze beslag in zijn geheel te handhaven niet wettig verantwoordt door enkel te beslissen dat "met de eerste rechter dient (...) vastgesteld te worden dat (de eiseres) niet slaagt in het wettelijke (door artikel 394 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)) vereiste bewijs, zodat haar verzet als ongegrond moet afgewezen worden", nu het gegeven dat de eiseres er niet in slaagt het door artikel 394 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)vereiste bewijs te leveren geenszins impliceert dat alle beslagen goederen zouden toebehoren aan haar echtgenoot die de eigenlijke belastingschuldige is. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 1409, §1, van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen, onder meer, bedragen uitgekeerd ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst onbeperkt in beslag genomen worden, voor het gedeelte van het totaal bedrag boven 1.111 euro per kalendermaand. Het gedeelte van die bedragen boven 921 euro en tot ten hoogste 1.016 euro kan niet in beslag genomen worden voor meer dan 30 pct. in totaal; het gedeelte boven 1.016 euro en tot ten hoogste 1.111 euro per kalendermaand, kan niet worden in beslag genomen voor meer dan 40 pct. in totaal; het gedeelte boven 857 euro en tot ten hoogste 921 euro per kalendermaand kan niet worden in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal. Het gedeelte van genoemde bedragen dat 857 euro niet te boven gaat, is niet vatbaar voor beslag.
- Onder de te dezen toepasselijke wetsbepalingen, gelden de voormelde beslagbeperkingen niet wanneer de beslagene het loon of de gelijkgestelde uitkeringen op een bankrekening ontvangt en beslag onder derden op die bankrekening wordt gelegd. Een beslag onder de bank op de rekening waar het loon of de gelijkgestelde uitkeringen werden gestort, is geen beslag op het loon of de gelijkgestelde uitkeringen maar heeft als voorwerp het rekeningtegoed.
- Het middel dat ervan uitgaat dat de bedoelde beslagbeperkingen ook gelden in geval van beslag onder derden op een bankrekening, faalt naar recht. Tweede middel
- Luidens artikel 1468, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, worden, wanneer de echtgenoten gehuwd zijn onder scheiding van goederen, de roerende goederen waarvan niet wordt bewezen dat ze eigendom zijn van een der echtgenoten, beschouwd als onverdeeld tussen de echtgenoten.
- Krachtens de te dezen toepasselijke artikelen 295, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)en 394, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), mag elk gedeelte van de belasting in verband met de onderscheiden inkomsten van de echtgenoten alsook de voorheffing ingekohierd op naam van één van hen, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel, worden vervolgd op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten. Het gedeelte van de belasting in verband met de inkomsten van één van de echtgenoten, die hem eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing, ingekohierd op naam van één van hen, mogen evenwel niet worden vervolgd op de eigen goederen van de andere echtgenoot wanneer deze laatste aantoont: 1° dat hij ze bezat vóór het huwelijk; 2° of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot; 3° of dat hij ze heeft verworven door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen; 4° of dat hij ze heeft verkregen met inkomsten die eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel. 6. Om zijn goederen te kunnen onttrekken aan het verhaal van de belastingontvanger dient de echtgenoot van de belastingplichtige vooreerst aan te tonen dat die goederen hem eigen zijn krachtens het huwelijksvermogensstelsel en vervolgens dat die eigen goederen op één van de vier in de artikelen 295, §1 en 394, §1, vermelde onverdachte wijzen in zijn bezit zijn gekomen. 7. Het vermoeden van artikel 1468, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, geeft uitsluitsel over het onverdeeld karakter van goederen. Het toont evenwel niet aan dat die goederen op een van de vier in de artikelen 295, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)en 394, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), vermelde onverdachte wijzen in bezit van de echtgenoot van de belastingplichtige gekomen zijn. Op grond van dit vermoeden alleen kan de echtgenoot van de belastingplichtige geen goederen onttrekken aan het verhaal van de belastingontvanger. 8. Het middel, dat ervan uitgaat dat het vermoeden van artikel 1468, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek op zich voldoende is om de echtgenoot van de belastingplichtige toe te laten zijn aandeel in de onverdeelde goederen te onttrekken aan het verhaal van de belastingontvanger, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 220,83 euro jegens de eisende partij en op de som van 76,76 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Pierre Cornelis, en op de openbare terechtzitting van 22 november 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div