id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.11 Rolnummer: F.06.0120.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-12-27 Raadplegingen: 235 - laatst gezien 2026-07-03 19:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het algemeen voorrecht op de inkomsten en de roerende goederen van de belastingplichtige waarover de Schatkist beschikt voor de invordering van de directe belastingen en van de voorheffingen, stelt haar in de mogelijkheid om derdenverzet te doen in een procedure waarin een onroerend goed van de belastingplichtige het voorwerp van het geschil uitmaakt. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Rechten - voorrechten Schatkist Vrije woorden: Aanslagprocedure - Algemeen voorrecht Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122, tweede lid, 3° Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 422 en 423, laatste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Wet - 16-12-1851 - Art. 19, in fine Tekst van de beslissing Nr. F.06.0120.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoor¬digd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Mechelen, vennootschappen 4, met kantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- B.W., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassa¬tie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- ALGEMENE ONDERNEMINGEN MAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, in vereffening, met zetel te 2800 Mechelen, Zwart¬zustersvest 7, vertegenwoordigd door haar vereffenaar, Kris Van Den Berghen, met kantoor te 2800 Mechelen, Korte Maagdenstraat 7,
- VERENIGDE MAATSCHAPPIJ UITVOERING WERKEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2550 Kontich, Antwerpsesteenweg 55,
- N. M., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 11 april 2005 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 17, 18, 1122, in het bijzonder het tweede lid, 3°, 1128, 1129 en 1577 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 422, 423, 425, 426, 427, 433 tot en met 442 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen
(1992); - de artikelen 423 en 427 zowel voor als nà de wijziging bij koninklijk besluit van 12 december 1996; - de artikelen 7, 8, 19, in fine, en 81 van de Hypotheekwet van 16 december
- Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiser ontoelaatbaar en bevestigt de bestreden vonnissen van 8 juli 1997 en 11 mei 1999 van de vrederechter te Zandhoven. Het bestreden vonnis oordeelt dat de eerste rechter terecht heeft beslist dat het derdenverzet van de eiser tegen het vonnis van 8 juli 1997 van de vrederechter te Zandhoven niet ontvankelijk is, overwegende dat: (p. 9-10) "De eerste rechter verklaarde het derdenverzet van de (eiser) tegen het vonnis van 8 juli 1997 onontvankelijk met verwijzing naar artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek dat stelt dat geen derdenverzet kan worden ingesteld door schuldeisers, behalve wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of waanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten hun schuldvordering ligt. Er wordt niet betwist dat de (eiser) op het ogenblik van het vonnis van 8 juli 1997 geen hypothecaire schuldeiser meer was van (de vierde verweerster), nu een hypothecaire zuivering had plaatsgevonden. In deze omstandigheden is evenmin een vorm van bedrog van de schuldenaar (de vierde verweerster) in de zin van artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van de (eiser) bewezen. De (eiser) beroept zich op een voorrecht, minstens een wettelijke hypotheek ten aanzien van (de tweede verweerster) wegens belastingsschulden, ingeschreven in de registers van de hypotheekbewaarder op 20 oktober
- De Schatkist heeft voor de invordering van directe belastingen en voorheffingen in hoofdsom, intresten en kosten een algemeen voorrecht en dit op de inkomsten en roerende goederen van alle aard van haar schuldenaar. De (eiser) kan zich als schuldeiser dus niet beroepen op dit voorrecht op inkomsten en roerende goederen, teneinde derdenverzet aan te tekenen inzake de tegenstelbaarheid aan (de eerste verweerder) van de inbreng van de percelen bouwland door (de tweede verweerster) in de (derde verweerster). De eerste rechter oordeelde terecht met verwijzing naar artikel 1577 van het Gerechtelijk Wetboek dat de hypotheek slechts vanaf de dag van de inschrijving (20 oktober 1997) door de (eiser) kon ingeroepen worden, terwijl het vonnis waartegen derdenverzet dateert van 8 juli
- (...) De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat het derdenverzet van de (eiser) niet ontvankelijk was overeenkomstig artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank dient dan ook niet verder in te gaan op de argumenten die ten gronde worden aangevoerd door deze procespartij". Grieven Luidens artikel 1122, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek kan ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussen gekomen, derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan. Het rechtsmiddel van derdenverzet kan evenwel niet worden ingesteld door schuldeisers, behalve wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten hun schuldvordering ligt (artikel 1122, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek). Eerste onderdeel Voor de invordering van de directe belastingen en van de voorheffingen in hoofdsom en opcentiemen, van de intresten en van de kosten, beschikt de eiser over een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige, met uitzondering van schepen en vaartuigen (artikel 422, WIB 1992). Luidens artikel 423, laatste lid, WIB 1992 is de aanwending bij voorrang, vermeld in artikel 19, in fine, Hypotheekwet, ook van toepassing op de belastingen en voorheffingen vermeld in het WIB
- Wanneer niet de gehele waarde van de onroerende goederen is opgebruikt voor de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, dan kan bijgevolg, overeenkomstig artikel 19, in fine, Hypotheekwet, het nog verschuldigde gedeelte van de prijs bij voorrang worden aangewend tot voldoening van de schuldvorderingen van de eiser die bevoorrecht zijn op alle roerende goederen. Het roerend voorrecht van artikel 422 WIB 1992 kan derhalve, krachtens de artikelen 423, laatste lid, WIB 1992 en 19, in fine, Hypotheekwet, ook uitwerking krijgen bij de uitwinning van onroerende goederen en verschaft de eiser bijgevolg in die zin belang en hoedanigheid om derdenverzet aan te tekenen tegen een beslissing waarin onroerende goederen van een belastingschuldenaar het voorwerp uitmaken van een betwisting die tot uitwinning van die onroerende goederen aanleiding kan geven voor zover deze beslissing de belangen van de eiser schaadt (cf. de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek). De beslissing van 8 juli 1997 van de vrederechter te Zandhoven, waarbij de verkoop van de percelen bouwland door de vierde verweerster aan de tweede verweerster en de daaropvolgende inbreng van deze percelen door de tweede verweerster bij de derde verweerster, niet-tegenstelbaar werd verklaard aan de eerste verweerder wegens pauliaans bedrog, benadeelt de rechten van de eiser in zoverre door deze beslissing onroerende goederen worden onttrokken aan het onderpand van zijn schuldenaar (artikelen 7, 8 Hypotheekwet) waarop hij als bevoorrechte schuldeiser krachtens de artikelen 422, 423 WIB 1992 en 19, in fine, Hypotheekwet, rechtmatige aanspraken kan laten gelden, met name wanneer er bij de uitwinning van die onroerende goederen een saldo overblijft nadat de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen zijn voldaan. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis niet wettig tot de onontvankelijkheid van het derdenverzet van de eiser heeft kunnen besluiten op grond van de vaststelling dat de eiser zich als schuldeiser niet kan beroepen op een voorrecht tegenover de tweede verweerster (schending van de artikelen 17, 18, 1122, in het bijzonder het tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, 422, 423 WIB 1992, 7, 8 en 19, in fine, Hypotheekwet). Tweede onderdeel Voor de invordering van directe belastingen en voorheffingen in hoofdsom en opcentiemen, de intresten en de kosten beschikt de eiser over een wettelijke hypotheek op al de aan de belastingschuldige toebehorende goederen die in België zijn gelegen en daarvoor vatbaar zijn (artikel 425 WIB 1992). Deze hypotheek neemt rang vanaf haar inschrijving in de registers van de hypotheekbewaarder (artikelen 426 WIB 1992 en 81 Hypotheekwet) en is van een bijzondere aard, zoals uit de artikelen 433 tot en met 442 WIB 1992 kan worden afgeleid. Deze bepalingen voorzien in een bijzondere regeling waarbij de notaris de eiser verplicht moet verwittigen van elke vervreemding of hypothecaire aanwending van een onroerend goed zodanig dat de eiser zijn wettelijke hypotheek kan inschrijven. Wanneer er nog geen inschrijving is genomen en de hypotheek als zodanig nog niet tegenstelbaar is aan derden, dan bezwaart deze hypotheek, krachtens de artikelen 425 en 427, niettemin reeds, van rechtswege, het onroerend vermogen van de belastingschuldige. De eiser kan zich bijgevolg ook zonder hypothecaire inschrijving voor alle belastingschulden de hoedanigheid toemeten van schuldeiser die zich op een hypotheek kan beroepen in de zin van artikel 1122, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, wat hem toelaat om op ontvankelijke wijze derdenverzet aan te tekenen tegen elke beslissing waarin geoordeeld wordt over het lot van de onroerende goederen van zijn belastingschuldenaar wanneer de belangen van de Schatkist door deze beslissing worden benadeeld. Artikel 1122, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, schrijft niet voor dat de wettelijke hypotheek van de Schatkist reeds moet ingeschreven zijn om op ontvankelijke wijze derdenverzet te kunnen aantekenen tegen een beslissing die de eiser als schuldeiser benadeelt. Het voorschrift van artikel 1577 van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar het bestreden vonnis verwijst om eisers derdenverzet niet ontvankelijk te verklaren, is ter zake niet dienend in zoverre deze bepaling enkel betrekking heeft op de niet-tegenstelbaarheid aan derden bedoeld in artikel 1575 van het Gerechtelijk Wetboek, van handelingen van vervreemding of van vestiging van een hypotheek, verricht door de schuldenaar zelf op de onroerende goederen waarop uitvoerend beslag was gelegd of die in het bevel zijn aangeduid, welke feitelijke context in casu niet voorhanden was. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis niet wettig het derdenverzet van de eiser onontvankelijk heeft kunnen verklaren op grond dat de eiser zich als schuldeiser van de tweede verweerster slechts vanaf de dag van de inschrijving op de wettelijke hypotheek kan beroepen gelet op artikel 1577 van het Gerechtelijk Wetboek (schending van de artikelen 17, 18, 1122, in het bijzonder het tweede lid, 3°, 1128, 1129 en 1577 van het Gerechtelijk Wetboek, 425, 426, 427, 433 tot en met 442 WIB 1992, 7, 8 en 81 Hypotheekwet). Derde onderdeel Voor zover moet worden aangenomen dat, anders dan in het tweede onderdeel wordt verdedigd, een hypothecaire inschrijving is vereist opdat eiser zich op de wettelijke hypotheek kan beroepen om derdenverzet aan te tekenen tegen een beslissing die werd gewezen met benadeling van eisers rechten op de onroerende goederen van een belastingschuldenaar, dan beschikt de eiser over de hoedanigheid van hypothecaire schuldeiser in de zin van artikel 1122, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek van zodra hij die hypotheek heeft laten inschrijven in de registers van de hypotheekbewaarder. Vanaf die inschrijving beschikt eiser over de hoedanigheid en het belang om derdenverzet aan te tekenen tegen elke beslissing die met benadeling van zijn rechten werd gewezen, zelfs wanneer die beslissing werd gewezen vooraleer de hypotheek werd ingeschreven. Het belang en de hoedanigheid van een partij om derdenverzet aan te tekenen tegen een beslissing die zijn rechten benadeelt, moet immers beoordeeld worden op het ogenblik van het instellen van dit rechtsmiddel zelf en niet op het tijdstip waarop die beslissing werd gewezen (artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek). Derdenverzet verjaart slechts door verloop van dertig jaren en kan worden ingesteld zolang het recht om het vonnis ten uitvoer te leggen niet is verjaard (artikel 1128 van het Gerechtelijk Wetboek), tenzij wanneer het vonnis is betekend aan de derde, in welk geval het derdenverzet moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van die betekening (artikel 1129 van het Gerechtelijk Wetboek). Het feit dat de eiser pas op 20 oktober 1997 zijn wettelijke hypotheek had ingeschreven, stond er derhalve niet aan in de weg dat eiser hoedanigheid en belang had om op grond van deze hypotheek een regelmatig en tijdig derdenverzet aan te tekenen tegen een vonnis dat was gewezen op 8 juli 1997, met name vóór de inschrijving van de hypotheek. In zoverre het bestreden vonnis vooropstelt dat de eiser, om op ontvankelijke wijze derdenverzet te kunnen instellen als hypothecaire schuldeiser, zijn hypotheek reeds moet hebben ingeschreven op het ogenblik dat de beslissing, waartegen het derdenverzet is gericht, werd gewezen, voegen de appelrechters derhalve een voorwaarde toe aan artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek die het niet bevat en miskent het vonnis zodoende deze bepaling. Ook het voorschrift van artikel 1577 van het Gerechtelijk Wetboek kon niet wettig door de appelrechters worden ingeroepen om het derdenverzet van de eiser niet ontvankelijk te verklaren in zoverre deze bepaling enkel betrekking heeft op de niet-tegenstelbaarheid aan de derden bedoeld in artikel 1575 van het Gerechtelijk Wetboek van handelingen van vervreemding of van vestiging van een hypotheek, verricht door de schuldenaar zelf op de onroerende goederen waarop uitvoerend beslag was gelegd of die in het bevel zijn aangeduid, welke situatie in casu niet aan de orde was. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis niet wettig, met verwijzing naar artikel 1577 van het Gerechtelijk Wetboek, het derdenverzet van de eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond dat de eiser de wettelijke hypotheek slechts kon inroepen vanaf de dag van de inschrijving, te dezen vanaf 20 oktober 1997, terwijl het vonnis waartegen derdenverzet dateert van 8 juli 1997 (schending van de artikelen 17, 18, 1122, in het bijzonder het tweede lid, 3°, 1128, 1129 en 1577 van het Gerechtelijk Wetboek, 425, 426 en 427 WIB 1992, 7, 8 en 81 Hypotheekwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De eerste verweerder werpt de niet-ontvankelijkheid op van het onderdeel: het onderdeel is nieuw. De eiser heeft in zijn appelconclusies aangevoerd dat hij een voorrecht geniet op de goederen van de tweede verweerster op grond van de artikelen 422 en 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Artikel 423, laatste lid, van dat wetboek bepaalt dat de aanwending bij voorrang, vermeld in artikel 19 in fine van de Hypotheekwet van 16 december 1851, van toepassing is op de belastingen en voorheffingen vermeld in dit wetboek. De eiser heeft aldus aanspraak gemaakt op zijn algemeen roerend voorrecht op het saldo van de verkoopprijs van de onroerende goederen van de tweede verweerster, na betaling van de bijzondere bevoorrechte en hypothecaire schuldvorderingen. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
- Krachtens artikel 1122, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, kan geen derdenverzet worden ingesteld door schuldeisers, behalve wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten de schuldvordering ligt. Om derdenverzet te kunnen instellen dient de bevoorrechte schuldeiser niet aan te tonen dat zijn voorrecht of enig ander recht effectief uitwerking zal hebben.
- Krachtens artikel 422 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)beschikt de Schatkist voor de invordering van de directe belastingen en van de voorheffingen over een algemeen voorrecht op de inkomsten en de roerende goederen van de belastingplichtige. Op grond van de artikelen 423, laatste lid, van hetzelfde wetboek en 19 in fine van de Hypotheekwet van 16 december 1851, kan de Schatkist dit voorrecht ook laten gelden. 4. Uit de samenhang van voornoemde bepalingen volgt dat het voorrecht van artikel 422 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)de Schatkist in de mogelijkheid stelt om derdenverzet te doen in een procedure waarin een onroerend goed van een belastingplichtige het voorwerp van het geschil uitmaakt.
- Uit het bestreden arrest blijkt dat het vonnis waartegen derdenverzet werd gedaan, betrekking had op onroerende goederen, namelijk landbouwgronden die toebehoorden aan de vierde verweerster en door haar werden verkocht aan de tweede verweerster, die ze op haar beurt inbracht in de derde verweerster.
- Gelet op de mogelijkheid dat de eiser zijn voorrecht kon laten gelden ten aanzien van het saldo van de verkoopprijs van de onroerende goederen waarover het vonnis waartegen derdenverzet uitspraak deed, konden de appelrechters niet naar recht beslissen dat de eiser als schuldeiser geen beroep kon doen op zijn algemeen voorrecht teneinde derdenverzet aan te tekenen inzake de tegenstelbaarheid aan de eerste verweerder van de inbreng van percelen bouwland door de tweede verweerster in de derde verweerster. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit het hoger beroep van de eiser ontoelaatbaar verklaart en de eiser veroordeelt tot de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van 22 november 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111124.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div