id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.7 Rolnummer: F.05.0006.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-12-27 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-07-03 05:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche De omstandigheid dat, voorafgaand aan de kennisgeving van een dwangbevel tot invordering van B.T.W.-schulden, aan de belastingplichtige een betalingsbericht werd verstuurd met het verzoek om te betalen binnen een bepaalde termijn, heeft niet tot gevolg dat de opeisbaarheid van de belastingschuld wordt opgeschort zolang deze termijn niet is verstreken en staat evenmin eraan in de weg dat de met de invordering belaste ambtenaar het dwangbevel uitvaardigt teneinde de verjaring te stuiten. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Aftrek (B.T.W.) - Andere Vrije woorden: B.T.W.-schuld - Dwangbevel - Voorafgaand verzoek om te betalen binnen een bepaalde termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 85, §§ 1 en 2 Tekst van de beslissing Nr. F.05.0006.N J.R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Jo Everaerts, advocaat bij de balie te Hasselt, kantoor houdende te 3800 Sint-Truiden, Hovenierstraat 26, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de e.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Tienen, met kantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 18 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal en van het dwangbevel heeft miskend, maar voert de daarop betrekking hebbende wetsbepalingen niet als geschonden aan. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de bewijskracht van akten. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 159 van de Grondwet en 2 en 3 van de wet motivering bestuurshandelingen alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, het fair-play beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel patere legem quem ipse fecisti en het recht van verdediging: het dwangbevel is uitgevaardigd in strijd met artikel 85 van het BTW-Wetboek en moet nietigverklaard worden, en is minstens conform artikel 159 van de Grondwet niet toepasselijk; het bestuur heeft door het verzenden van een verzoek te betalen binnen de maand de minnelijke fase verder gezet; het bestuur heeft de minnelijke fase onterecht niet gerespecteerd, zodat het bestreden arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal en van het dwangbevel miskent.
- Inzoverre het onderdeel de miskenning van de bewijskracht van de dwangbevelen aanvoert, is het niet ontvankelijk omdat het de op die grief betrekking hebbende wetsbepalingen niet als geschonden aanvoert.
- Bij gebrek aan voldoening van de belasting, interest, administratieve geldboeten en toebehoren, vaardigt de met de invordering belaste ambtenaar overeenkomstig artikel 85, §1, BTW-Wetboek, een dwangbevel uit waarvan aan de belastingplichtige kennisgeving wordt gedaan bij een ter post aangetekende brief. Krachtens artikel 85, §2, van hetzelfde wetboek, heeft de kennisgeving van het dwangbevel onder meer de stuiting van de verjaring en het lopen van de moratoire interest tot gevolg en maakt zij het mogelijk dat de inschrijving wordt genomen van de wettelijke hypotheek als bedoeld in artikel
- De omstandigheid dat voorafgaand aan dit dwangbevel aan de belastingsplichtige een betalingsbericht werd verstuurd met het verzoek om te betalen binnen een bepaalde termijn, heeft niet tot gevolg dat de opeisbaarheid van de belastingschuld wordt opgeschort zolang deze termijn niet is verstreken en staat evenmin eraan in de weg dat de met invordering belaste ambtenaar het dwangbevel uitvaardigt ten einde de verjaring te stuiten overeenkomstig artikel 85, §
- Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt in zoverre naar recht.
- Het onderdeel herneemt voor het overige het verweer dat voor de appelrechters werd gevoerd zonder nader te preciseren hoe het bestreden arrest, dat dit verweer heeft beantwoord en verworpen, de aangewezen bepalingen en beginselen zou schenden. Het onderdeel is inzoverre niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 343,98 euro jegens de eisende partij en op de som van 119,42 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van 22 november 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div