← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.3 Rolnummer: P.07.1131.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2007-12-20 Raadplegingen: 586 - laatst gezien 2026-07-03 16:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Ingevolge de bewijslast in strafzaken, moet het openbaar ministerie bewijzen dat de beklaagde die wordt vervolgd wegens de misdrijven van de artikelen 418 tot 420 Strafwetboek, een fout heeft begaan waardoor iemand werd gedood of waardoor iemand letsels heeft opgelopen; in voorkomend geval moet de burgerlijke partij die op grond van de artikelen 1382 en 1383, Burgerlijk Wetboek, schadevergoeding vordert, bewijzen dat de beklaagde een fout heeft begaan en dat tussen de fout en de schade een oorzakelijk verband bestaat. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Vermoeden van onschuld Vrije woorden: Onopzettelijk doden en onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel - Bewijslast van het openbaar ministerie - Bewijslast van de burgerlijke partij Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.2 Wet - 15-05-1981 - Art. 14.2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 418 tot 420 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.07.1131.N I D B, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen

  1. MERCATOR VERZEKERINGEN nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Desguinlei 100, burgerlijke partij,
  2. L M, burgerlijke partij,
  3. P M, burgerlijke partij,
  4. M-A P, burgerlijke partij,
  5. M D, burgerlijke partij,
  6. M S, in eigen naam en als erfgenaam van haar zoon, burgerlijke partij,
  7. V M M V, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, verweerders. II
  8. MERCATOR VERZEKERINGEN nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  9. M D, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  10. M S, reeds vermeld, in eigen naam en als erfgenaam van haar zoon, burgerlijke partij, eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  11. D B, reeds vermeld, beklaagde,
  12. V V, reeds vermeld, beklaagde, verweerders. III V V, reeds vermeld, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  13. D B, reeds vermeld, beklaagde,
  14. MERCATOR VERZEKERINGEN nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  15. L M, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  16. P M, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  17. M-A P, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  18. M S, reeds vermeld, in eigen naam en als erfgenaam van haar zoon, burgerlijke partij, verweerders. IV
  19. L M, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  20. P M, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  21. M-A P, reeds vermeld, burgerlijke partij, eisers, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  22. D B, reeds vermeld, beklaagde,
  23. V V, reeds vermeld, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Brugge van 22 juni
  24. De eiser B voert in een memorie een middel aan. Hij doet ook zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep in zoverre dit gericht is tegen de beslissingen waarbij het bestreden vonnis hem veroordeelt tot betaling van een voorschot aan de verweerders Mercator Verzekeringen nv, L M, M-A P, M S en V V en waarbij het bestreden vonnis deskundigenonderzoeken beveelt. De eisers Mercator Verzekeringen nv, M S en M D voeren in een memorie een middel aan. De eisers L M, P M en M-A P voeren in een memorie een middel aan. De memories zijn aan dit arrest gehecht. De eiseres V V voert geen middel aan. Zij doet zonder berusting afstand van haar cassatieberoep in zoverre dit gericht is tegen de beslissingen waarbij het bestreden vonnis haar veroordeelt tot betaling van een voorschot aan de verweerders Mercator Verzekeringen nv, L M, M-A P en M S en waarbij het bestreden vonnis D B veroordeelt tot betaling van een voorschot aan haar. Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van D B Eerste onderdeel
  25. Krachtens de artikelen 6.2 EVRM en 14.2 IVBPR , wordt eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet bewezen is. Ingevolge de bewijslast in strafzaken, moet het openbaar ministerie bewijzen dat de beklaagde die wordt vervolgd wegens de misdrijven van de artikelen 418 tot 420 Strafwetboek, een fout heeft begaan waardoor iemand werd gedood of waardoor iemand letsels heeft opgelopen. In voorkomend geval moet de burgerlijke partij die op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek schadevergoeding vordert, bewijzen dat de beklaagde een fout heeft begaan en dat tussen de fout en de schade een oorzakelijk verband bestaat.
  26. Het bestreden vonnis oordeelt dat: - niet bewezen is dat de eiser B, in zijn hoedanigheid van [ ... ] persoonlijk wist dat het kruispunt van de [ ... ] steenweg en de [ ... ] straat gevaarlijk was; - van [ ... ] mocht worden verwacht dat hij aan de bevoegde ambtenaren opdracht zou geven om onveilige verkeerssituaties [ ... ] op te sporen, deze te signaleren en zelf via de nodige uitvoeringsmaatregelen te verhelpen [ ... ] of zonodig het aan andere bevoegde overheden te signaleren; - de eiser niet bewijst dat hij ter zake enige inspanning heeft gedaan, zodat dit verzuim de fout is die hem, persoonlijk, in de uitoefening van zijn ambt dient te worden toegerekend.
  27. Met de voornoemde redenen legt het bestreden arrest de eiser een bewijslast op die op het openbaar ministerie of de burgerlijke partijen rust. De appelrechters hebben aldus de artikelen 6.2 EVRM en 14.2 IVPBR ge¬schonden. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  28. Het onderdeel dat niet tot cassatie zonder verwijzing kan leiden, behoeft geen antwoord. Omvang van de cassatie
  29. De vernietiging van de beslissingen over de aansprakelijkheid van D B, leidt tot de vernietiging van de beslissingen over de burgerlijke rechtsvorderingen van de burgerlijke partijen tegen hem en tegen V V, behoudens in zoverre deze laatste aansprakelijk is verklaard, zelfs als de cassatieberoepen tegen die beslissingen thans niet ontvankelijk zijn en er zonder berusting afstand van de cassatieberoepen tegen die beslissingen is gedaan. Overige middelen
  30. De middelen van de burgerlijke partijen die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering tegen V V.
  31. De sub¬stan¬tiële of op straffe van nietigheid voor¬ge¬schre¬ven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit uitspraak doet op de strafvordering tegen D B en over de burgerlijke rechtsvorderingen tegen hem en tegen V V, behoudens in zoverre deze laatste aansprakelijk wordt verklaard. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiseres V V in de kosten van haar cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Kortrijk, zitting houdende in hoger beroep. Begroot de kosten in het geheel op 550,36 euro waarvan de eiser I 213,08 euro verschuldigd is, de eiseres III 182,29 euro verschuldigd is en 32,85 euro betaald heeft en de eisers II en IV elk 28,22 euro verschuldigd zijn en 32,85 euro betaald hebben. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Paul Maffei, en op de openbare rechtszitting van 27 november 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.029 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.160 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.