id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Artikel 71
Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - EUROPEES STRAFRECHT - Schengen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Beginsel "non bis in idem" - Europese Unie -
Artikel 54
- Artikel 71 Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Artt. 54 en 71 Fiches 3 - 4 Het relevante criterium voor de toepassing van het in artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst neergelegde beginsel ne bis in idem is de gelijkheid van materiële feiten, te begrijpen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, onafhankelijk van de juridische kwalificatie van deze feiten of van het beschermde rechtsbelang
(1).
(1)H.v.J., 18 juli 2007, C-367/05, Jur. H.v.J., 2007, I, ... Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - EUROPEES STRAFRECHT - Schengen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Europese Unie -
Artikel 54
- Beginsel "non bis in idem" - Toepassing - Criterium Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Art. 54 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - EUROPEES STRAFRECHT - Schengen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Beginsel "non bis in idem" - Europese Unie -
Artikel 54
- Toepassing - Criterium Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Art. 54 Fiches 5 - 6 De omstandigheid dat de bevoegde nationale rechterlijke instantie vaststelt dat verschillende feiten verbonden zijn door hetzelfde misdadig opzet volstaat op zich niet om die feiten aan te merken als 'dezelfde feiten' in de zin van artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst
(1).
(1)H.v.J., 18 juli 2007, C-367/05, Jur. H.v.J., 2007, I, ... Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - EUROPEES STRAFRECHT - Schengen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Europese Unie -
Artikel 54
- Beginsel "non bis in idem" - Begrip 'dezelfde feiten' - Feiten verbonden door hetzelfde misdadig opzet Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Art. 54 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - EUROPEES STRAFRECHT - Schengen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Beginsel "non bis in idem" - Europese Unie -
Artikel 54
- Begrip 'dezelfde feiten' - Feiten verbonden door hetzelfde misdadig opzet Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - Art. 54 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.05.0583.N I. G J G, eiser, inverdenkinggestelde. II. G J G, reeds vermeld, eiser, beklaagde, tegen
- E R, burgerlijke partij,
- Marcel GYDE, advocaat, met kantoor te 9070 Destelbergen, Dendermondsesteenweg 78, handelende als curator van het faillissement van de nv Top Change, burgerlijke partij,
- M L, burgerlijke partij,
- H M, burgerlijke partij, verweerders. III. M J C V, eiser, beklaagde. IV. N K, eiseres, beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie en met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 maart
- De cassatieberoepen II, III en IV zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 maart
- De eiseres IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers I, II en III voeren geen middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Het Hof heeft bij arrest van 6 september 2005 de uitspraak over de cassatieberoepen opgeschort tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van prejudiciële beslissing over de twee hierna volgende vragen uitspraak zal hebben gedaan: "Moet artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990, gelezen in samenhang met artikel 71 van die overeenkomst, aldus worden uitgelegd dat strafbare feiten bestaande in het in Nederland verwerven, hebben gehad en/of hebben overgedragen van geldsommen in buitenlandse valuta, afkomstig uit de handel in verdovende middelen (waarvoor vervolgd en veroordeeld in Nederland als opzetheling, met inbreuk op artikel 416 Wetboek van Strafrecht), die verschillend zijn van de strafbare feiten bestaande in het in België omzetten bij wisselkantoren, van geldsommen afkomstig uit de handel in verdovende middelen, die in Nederland werden ontvangen (vervolgd in België als heling en andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voorkomen, met inbreuk op artikel 505 Strafwetboek) ook als ‘dezelfde feiten' in de zin van het vermelde artikel 54 te beschouwen zijn wanneer de rechter vaststelt dat zij door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus juridisch één feit opleveren?" Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: "Moet aan het begrip ‘kan niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten' uit artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, die uitleg worden gegeven dat wanneer onder ‘dezelfde feiten' ook dienen te worden begrepen verschillende feiten die door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus één feit opleveren, dit inhoudt dat een beklaagde voor het misdrijf van witwassen in België niet meer vervolgbaar wordt zodra hij voor andere feiten, gepleegd met eenzelfde opzet, veroordeeld werd in Nederland, ongeacht alle andere feiten die binnen diezelfde tijdsruimte werden gepleegd, maar die pas na het onherroepelijk buitenlands vonnis in België aan het licht zullen komen en/of vervolgd worden, dan wél of in dit geval de feitenrechter deze andere feiten bijkomend kan bestraffen, rekening houdend met de reeds uitgesproken straffen, behoudens indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, en zonder dat het geheel van de straffen uitgesproken het maximum van de zwaarste straf mag te boven gaan?" Op de eerste vraag verklaart het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (tweede kamer) bij arrest van 18 juli 2007, voor recht: "Artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, ondertekend te Schengen (Luxemburg) op 19 juni 1990, moet aldus worden uitgelegd dat: - het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, onafhankelijk van de juridische kwalificatie van deze feiten of van het beschermde rechtsbelang; - verschillende feiten, met name bestaande in, enerzijds, het in een overeenkomstsluitende staat voorhanden hebben van geldsommen afkomstig uit handel in verdovende middelen, en anderzijds het omzetten in wisselkantoren in een andere overeenkomstsluitende staat van geldsommen die eveneens afkomstig zijn uit dergelijke handel, niet als ‘dezelfde feiten' in de zin van artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord zijn aan te merken enkel op grond dat de bevoegde nationale rechterlijke instantie vaststelt dat die feiten door hetzelfde misdadig opzet verbonden zijn; - het aan die nationale instantie staat om te beoordelen of de mate van gelijkheid en van verbondenheid van alle feitelijke omstandigheden die moeten worden vergeleken, van dien aard is dat gelet op bovengenoemd relevant criterium kan worden vastgesteld dat het om ‘dezelfde feiten' in de zin van artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord gaat". Het Hof van Justitie heeft verder geoordeeld dat gelet op het antwoord op deze eerste vraag, de tweede vraag niet meer hoefde te worden beantwoord. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Zowel het beroepen vonnis als het bestreden arrest gaan ervan uit dat de eiseres zich niet kan beroepen op artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst daar met toepassing van artikel 71 van dezelfde overeenkomst en artikel 36.2.a.i en ii van het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake de verdovende middelen, opgemaakt op 30 maart 1961 te New-York, naar analogie met drugsdelicten zelf, de daarmee verband houdende witwaspraktijken in België dienen aangezien te worden als afzonderlijke feiten, en dit niettegenstaande de eenheid van opzet tussen de in België gepleegde witwasdelicten en dezelfde misdrijven gepleegd in Nederland.
- Uit het arrest van het Hof van Justitie blijkt evenwel dat de verwijzing in artikel 71 Schengenuitvoeringsovereenkomst naar de bestaande verdragen van de Verenigde Naties niet aldus mag worden begrepen dat zij in de weg staat aan de toepassing van het in artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst neergelegde beginsel ne bis in idem. In zoverre het bestreden arrest op die grond de eiseres veroordeelt, is het niet naar recht verantwoord.
- Voor het overige laten de vaststellingen van de appelrechters met betrekking tot het bestaan van een eenheid van opzet tussen de in België gepleegde witwasdelicten en dezelfde misdrijven gepleegd in Nederland niet toe te oordelen in welke mate deze feiten al of niet kunnen worden aangemerkt als "dezelfde feiten" in de zin van artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. Het middel is gegrond. Tweede middel
- Het middel kan niet tot ruimere cassatie noch cassatie zonder verwijzing leiden, en behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering tegen G G en M V
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest van 15 maart 2005 in zoverre de eiseres N K wordt veroordeeld. Verwerpt de cassatieberoepen van G G en M V. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten van het cassatieberoep van N K ten laste van de Staat. Veroordeelt G G en M V tot de kosten van hun cassatieberoepen. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Begroot de kosten in het geheel op 786,56 euro waarvan de eiser I 229,14 euro verschuldigd is, de eisers II en III elk 158,06 euro en waarvan op het cassatieberoep van de eiseres IV 241,30 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Etienne Goethals en Jean-Pierre Frère, afdelingsvoorzitter Jean de Codt en raadsheer Paul Maffei, en op de openbare rechtszitting van 27 november 2007 uitgesproken door waarnemend voorzitter Luc Huybrechts, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050906.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251103.3F.7 ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091021.6 ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080402.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101020.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div