← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 29

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 337, tweede lid, en 460, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Het openbaar ministerie kan slechts vervolgingen instellen voor fiscale misdrijven waarvan het ten gevolge van een klacht of een aangifte van een fiscaal ambtenaar kennis heeft gekregen, voor zover die ambtenaar daarvoor de machtiging had gekregen waarvan sprake in artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; indien de vereiste machtiging niet is verleend, is de vervolging niet ontvankelijk

(1).
(1)Zie: Cass., 6 juni 1995, AR P.94.0167.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950606.15, nr 276. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Aangifte FISCAAL RECHT - FISCAAL STRAFRECHT - Algemeen (fiscaal strafrecht) Vrije woorden: Fiscaal misdrijf - Instellen van strafvervolgingen door het openbaar ministerie - Voorwaarde - Niet nakomen van de voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 29

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 460, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 3 Artikel 460, § 2, WIB 1992, is niet toepasselijk op de vervolging voor een gemeenrechtelijk misdrijf op grond van inlichtingen die de Procureur des Konings zelf regelmatig aan de fiscale administratie heeft gevraagd

(1).
(1)Zie: Cass., 22 juni 2004, AR P.04.0397.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.22, nr 347. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Aangifte FISCAAL RECHT - FISCAAL STRAFRECHT - Algemeen (fiscaal strafrecht) Vrije woorden: Instellen van strafvervolgingen door het openbaar ministerie - Gemeenrechtelijk misdrijf - Strafvordering ingesteld op grond van inlichtingen regelmatig gevraagd aan de fiscale administratie - Machtiging van de gewestelijk directeur Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 29

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 460, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. P.07.1254.N I E M F J D W, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Bart Coopman, advocaat bij de balie te Brussel. II L F H J F, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. François Koning, advocaten bij de balie te Brussel. III D W V W, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel. IV H J H M G D C-S, inverdenkinggestelde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. V

  1. J J, inverdenkinggestelde,
  2. B N M, inverdenkinggestelde,
  3. M J M C, inverdenkinggestelde,
  4. R J C G L, inverdenkinggestelde, eisers. VI G J A L S, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadslieden mr. Frank Marneffe en mr. Patrick Waeterinckx, advocaten bij de balie te Antwerpen, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Patrick Waeterlinckx, advocaat bij de balie te Antwerpen. VII
  5. R P A P, inverdenkinggestelde,
  6. L A M P, inverdenkinggestelde, eisers, met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout. VIII M M E J V, inverdenkinggestelde, eiser, alle cassatieberoepen tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, die voorheen woonplaats heeft gekozen te 2000 Antwerpen, Geschillencel Directe Belastingen, Italiëlei 4 bus 5, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 juni
  7. De eiser I voert in een memorie drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie drie middelen aan. De eiser III voert in een memorie twee middelen aan. De eiser IV voert in een memorie twee middelen aan. De eiser VI voert in een memorie een middel aan. De eisers VII.1 en VII.2 voeren in een memorie vier middelen aan. De vermelde memories zijn aan dit arrest gehecht. De eisers V.1, V.2, V.3, V.4 en VIII voeren geen middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 127, 131, 135, 223 en 235bis Wetboek van Strafvordering en 6.1 EVRM en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak. Het middel stelt dat de raadkamer niet heeft geantwoord op eisers conclusie dat de feiten zoals zij hem worden ten laste gelegd, zelfs indien zij zouden vaststaan, geen strafbaar misdrijf uitmaken, en dat het bestreden arrest nalaat te antwoorden op het in conclusie aangevoerde gebrek aan antwoord van de raadkamer.
  9. Uit de overwegingen van het bestreden arrest (randnummers 2.1.1 en 2.1.3) blijkt dat het van oordeel is dat de betwistingen die de eiser en anderen voor de raadkamer en voor de kamer van inbeschuldigingstelling voerden, betrekking hebben op het al dan niet aangetoond zijn van de vereiste kennis of het vereiste opzet bij de diverse misdrijven zoals valsheden in geschriften, fiscale misdrijven en witwasmisdrijven. Hiermede geeft het bestreden arrest te kennen dat de feiten wel misdrijven kunnen uitmaken. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser I
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, en 129, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
  11. De schending van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoording daarvan, eventueel in samenhang met de stukken naar dewelke die akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de door hem uitgelegde akte maakt. In zover het middel berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Voor het overige geeft het bestreden arrest van de aangehaalde akten een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser I
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.b, 6.3.c EVRM, en 22 Wet Taalgebruik in Gerechtszaken alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.
  14. Het middel komt volledig op tegen de beoordeling van feiten en feitelijke omstandigheden door het bestreden arrest. Het is niet ontvankelijk.
  15. De voorgestelde prejudiciële vraag wil het Grondwettelijk Hof doen oordelen over feiten en feitelijke omstandigheden. Dit behoort niet tot de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof. Er is geen grond tot het stellen van de opgeworpen vraag. Eerste middel van de eiser II
  16. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Het middel stelt dat het bestreden arrest de bewijskracht van de vordering tot gerechtelijk onderzoek van 4 januari 1999 en van het daarbij gevoegde proces-verbaal van 4 december 1998 miskent, door te oordelen dat deze vordering enkel feiten van witwassen betreft en geen feiten van fiscale fraude en dat de vordering "niet anders begrepen kan worden dan betrekking hebbend op feiten van het witwassen van vermogensvoordelen, bekomen uit de fiscale fraude waaromtrent het proces-verbaal van 4 december 1998 nadere aanwijzingen bevatte", daar dit proces-verbaal geen enkele handeling van witwassen omschrijft, maar enkel een kasgeldvennootschap met de bedoeling de belasting te ontduiken.
  17. De rechter kan eventueel de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek uitleggen aan de hand van de daarbij gevoegde stukken, maar hij kan die bijgevoegde stukken niet uitleggen aan de hand van de vordering waarbij ze zijn gevoegd.
  18. De bewoording "heling (witwassen)" in de vordering van de procureur des Konings tot het instellen van het gerechtelijk onderzoek van 4 januari 1999 met het daarbij gevoegde proces-verbaal van 4 december 1998 betekent dat de procureur des Konings de feiten vermeld in dat proces-verbaal beschouwt als feiten van witwassen. De omstandigheid dat die feiten in dat proces-verbaal zelf niet witwassen worden genoemd, doet daaraan geen afbreuk. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II
  19. Het middel voert schending aan van de artikelen 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering , 460, § 2, en 337 WIB
  20. Het middel stelt dat artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht op 4 december 1998, en artikel 460, § 2, WIB 1992 waaraan artikel 337, tweede lid, WIB 1992 geen afbreuk doet, vereisen dat wanneer feiten, die naar luid van de belastingwetten strafbaar zijn en waarvan de gerechtelijke overheid nog geen kennis heeft, aan deze laatste ter kennis worden gebracht, steeds een machtiging is vereist zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Het middel argumenteert dat er anders over oordelen, ertoe leidt dat het beschermingsmechanisme van het Wetboek van Strafvordering en artikel 460, § 2, WIB 1992 zonder meer kan worden omzeild, hetgeen deze bepalingen volstrekt zou uithollen.
  21. Door het vereiste van een ambtelijke machtiging, vermeld in artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, behoudt de wet het oordeel over de gepastheid van de kennisgeving aan de gerechtelijke overheid voor aan hogere ambtenaren van de fiscale administraties om de belastingplichtigen te beschermen tegen mogelijke willekeur van lagere ambtenaren. Dergelijke ambtelijke machtiging is maar vereist voor de kennisgeving die de fiscale ambtenaar uit eigen beweging doet. Dit is niet het geval wanneer hij, overeenkomstig artikel 337, tweede lid, WIB 1992, in het raam van een strafonderzoek, op verzoek van de rechterlijke overheid, deze inlichtingen verstrekt die zij nodig heeft voor de uitvoering van de haar opgedragen taak. Uiteraard mag een ambtelijke klacht of aangifte door een fiscaal ambtenaar die daartoe geen machtiging heeft, niet ingekleed worden als een verstrekken van inlichtingen op vraag van de gerechtelijke overheid. Indien de rechter dit vaststelt, moet hij de vervolging die daarop zou zijn gegrond, overeenkomstig artikel 460, § 2, WIB 1992 niet ontvankelijk verklaren.
  22. Wanneer de procureur des Konings de fiscale administratie overeenkomstig artikel 337, tweede lid, WIB 1992 om inlichtingen verzoekt in verband met een wel bepaalde strafzaak, is de administratie verplicht de gevraagde en ter zake dienende inlichtingen te verstrekken ook al maakt ze hierdoor andere feitelijke gegevens bekend dan deze die de procureur des Konings reeds bekend waren. Niets belet de procureur des Konings voor fiscale misdrijven die hij toevallig op grond van een regelmatige vraag om inlichtingen aan de fiscale administratie heeft vernomen, zij het van fiscale ambtenaren die geen ambtelijke machtiging voor een klacht of aangifte hadden, vervolgingen wegens witwassen in te stellen. Het middel faalt naar recht. Derde middel van de eiser II Eerste onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel argumenteert dat het bestreden arrest door te stellen dat, opdat er sprake zou zijn van een aangifte in de zin van artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, de inlichtingen verstrekt door de fiscale ambtenaar tevens betrekking moeten hebben op één of meer met name genoemde belastingplichtigen, een voorwaarde aan de wet toevoegt en bijgevolg artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering schendt.
  24. De door het onderdeel bedoelde overweging luidt: "Deze algemene inlichting had geen betrekking op een bepaalde andere zaak, dan degene die onderzocht werd, noch op één of meer met name genoemde belastingplichtigen". Met deze overweging formuleert het bestreden arrest geen rechtsregel, maar doet het een feitelijke vaststelling. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, 460, § 2, WIB 1992 en 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel stelt vooreerst dat door te oordelen dat in het proces-verbaal nr. AN.27.01.131133/99 van 8 september 1999 houdende verhoor van de fiscale ambtenaar A. geen aangifte ligt vervat van feiten die strafbaar zijn naar luid van de belastingwetgeving, het bestreden arrest artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering schendt. Het onderdeel stelt vervolgens dat het bestreden arrest van de verklaring van A. een lezing geeft die met de inhoud en de bewoording ervan onverenigbaar is.
  26. Al mocht het oordeel dat in het proces-verbaal nr. AN.27.01.131133/99 van 8 september 1999 houdende verhoor van A. geen aangifte ligt vervat van feiten die strafbaar zijn naar luid van de belastingwetgeving, feitelijk onjuist zijn, dan nog schendt het bestreden arrest daardoor artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet. Het onderdeel is in zoverre bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
  27. Voor het overige geeft het bestreden arrest van de verklaring van de fiscale ambtenaar A. een uitlegging die met de inhoud en bewoording ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser III
  28. Het middel voert schending aan van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het algemeen rechtbeginsel houdende recht op tegenspraak, zoals vastgelegd voor de onderzoeksgerechten in de artikelen 127, 135, § 1 en § 3, 223 en 235bis, § 3 en § 4, Wetboek van Strafvordering. Het middel stelt dat het bestreden arrest nalaat het door de eiser ingeroepen argument met betrekking tot de volstrekte afwezigheid van motivering van de beschikking van de raadkamer te onderzoeken. Het middel besluit daaruit dat in het bestreden arrest niet kan worden nagegaan of de beschikking was aangetast door een onregelmatigheid, verzuim of nietigheidsgrond met betrekking tot de verwijzingsbeschikking in de zin van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering.
  29. Het bestreden arrest oordeelt dat de raadkamer het bestaan van bezwaren heeft aangenomen. Hiermede beantwoordt het eisers verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser III
  30. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het algemeen rechtbeginsel houdende recht op tegenspraak, zoals vastgelegd voor de onderzoeksgerechten in de artikelen 127, 135, §§ 1 en 3, 223 en 235bis, §§ 3 en 4, Wetboek van Strafvordering alsook schending van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek samen met artikel 2 Gerechtelijk Wetboek. Het middel stelt dat het tegenstrijdig is, enerzijds, te overwegen dat de hogere beroepen van de inverdenkinggestelden - waaronder dat van de eiser - voor zover zij betwisting voeren over de bezwaren die door de raadkamer zijn aangenomen, niet kunnen leiden tot een nieuwe beoordeling van deze bezwaren door de kamer van inbeschuldigingstelling, en anderzijds, in het beschikkend gedeelte van het arrest, te beslissen dat de beschikking van de raadkamer waarbij deze inverdenkinggestelden naar de correctionele rechtbank werden verwezen, moet worden bevestigd, daar de beslissing om de inverdenkinggestelden naar de correctionele rechtbank te verwijzen, precies een beoordeling inhoudt van het al dan niet bestaan van voldoende bezwaren.
  31. Het middel geeft van het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest een onjuiste uitlegging. Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser IV Eerste onderdeel
  32. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.
  33. Het bestreden arrest legt het in het onderdeel vermelde proces-verbaal uit in samenhang met de melding van de Cel voor Financiële Informatieverwerking en vervolgens de vordering tot het instellen van het gerechtelijk onderzoek van 4 januari 1999 in samenhang met het aldus begrepen daarbij gevoegde proces-verbaal. Hierdoor geeft het van deze vordering in samenhang met dat proces-verbaal een uitlegging die met de bewoording ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  34. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, 337 en 460, § 2, WIB
  35. Artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vereist voor de kennisgeving door fiscale ambtenaren aan de procureur des Konings van feiten die een fiscaal misdrijf kunnen opleveren, een voorafgaande machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren. Dergelijke voorafgaande machtiging is niet vereist voor de fiscale ambtenaren die op last van de procureur des Konings inlichtingen verstrekken als bedoeld in artikel 337 WIB
  36. Integendeel, de administratie is gehouden deze inlichtingen te verstrekken, ook al moet zij zo doen blijken dat het om een ander fiscaal misdrijf gaat.
  37. Overeenkomstig artikel 460, § 2, WIB 1992 kan het openbaar ministerie slechts vervolgingen instellen voor fiscale misdrijven waarvan het tengevolge van een klacht of een aangifte van een fiscaal ambtenaar kennis heeft gekregen, voor zover die ambtenaar daarvoor de machtiging had gekregen waarvan sprake in artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Indien de vereiste machtiging niet is verleend, is de vervolging niet ontvankelijk. Artikel 460, § 2, WIB 1992 is evenwel niet toepasselijk op de vervolging voor een gemeenrechtelijk misdrijf op grond van inlichtingen die de procureur des Konings zelf regelmatig aan de fiscale administratie heeft gevraagd. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede middel van de eiser IV Eerste onderdeel
  38. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1321 Burgerlijk Wetboek.
  39. In zover het onderdeel berust op de aanname dat de naspeuringen die de verbalisanten die dezelfde dag als het in het onderdeel vermelde proces-verbaal op eigen initiatief en met gebruik van hun eigen gegevensbank hebben gedaan naar andere vennootschappen die hun maatschappelijk zetel hadden op hetzelfde adres als dit van O., het gevolg is van de ondervraging van de fiscale ambtenaar A., vergt het een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
  40. Voor het overige geeft het bestreden arrest van het bewuste proces-verbaal een uitlegging die met de bewoording ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  41. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en 460, § 2, WIB
  42. De door het onderdeel bedoelde overweging luidt: "Deze algemene inlichting had geen betrekking op een bepaalde andere zaak, dan degene die onderzocht werd, noch op één of meer met name genoemde belastingplichtigen". Met deze overweging formuleert het bestreden arrest geen rechtsregel, maar doet het een feitelijke vaststelling. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  43. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.
  44. In zover het onderdeel berust op de aanname dat de eigen naspeuringen van de verbalisanten een rechtstreeks gevolg zijn van de verklaringen van de fiscale ambtenaar, weergegeven in het aanvullende proces-verbaal, vergt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
  45. Voor het overige geeft het bestreden arrest, naar het oordeel van het Hof, van het bewuste proces-verbaal een uitlegging die met de bewoording ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Middel van de eiser VI (vijf onderdelen)
  46. Het middel voert schending aan van de artikelen 29, tweede lid, 56, § 1, zesde lid, 71, 127, 128, 131, 135, 233, 235bis, 460, § 2, Wetboek van Strafvordering en 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van recht op tegenspraak.
  47. Voor zover de vijf onderdelen duidelijk maken hoe het bestreden arrest de aangewezen wetsbepalingen schendt en het algemeen rechtsbeginsel miskent, hebben ze dezelfde strekking als de drie onderdelen van het tweede middel van de eiser IV. Ze kunnen om de redenen vermeld in het antwoord op de onderdelen van dat middel, niet worden aangenomen. Eerste middel van de eisers VII.1 en VII.2
  48. Het middel voert dezelfde wetschending aan en heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het eerste middel van de eiser IV.
  49. Het middel kan om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers VII.1 en VII.2
  50. Het eerste onderdeel van het tweede middel heeft dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser II, en faalt om dezelfde redenen naar recht.
  51. Het tweede onderdeel van het tweede middel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het tweede middel van de eiser IV en mist om dezelfde redenen feitelijke grondslag. Derde middel van de eisers VII.1 en VII.2 Eerste onderdeel
  52. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel stelt dat het bestreden arrest met de overweging die het aanhaalt, niet antwoordt op de concrete argumenten van het verweer van de eisers dat het eveneens aanhaalt, dat een valsheid niet tezelfdertijd een gemeenrechtelijke en een fiscale valsheid kan zijn, zodat de bijzondere strafbepaling van de tenlastelegging D (valsheid WIB) de algemene strafbepaling C (gemeenrechtelijke valsheid) uitsluit.
  53. Wat de eisers een argument noemen, was enkel een stelling. Met de overweging die het bevat, verwerpt het bestreden arrest die stelling. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  54. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.
  55. Anders dan het onderdeel stelt, geeft het bestreden arrest van de conclusie van de eisers een uitlegging die met de bewoording ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eisers VII.1 en VII.2
  56. Het middel voert schending aan van artikel 505 Strafwetboek.
  57. Het bestreden arrest verwerpt het verweer van de eisers omdat het berust op een verkeerde lezing van de vordering tot verwijzing van het openbaar ministerie. Het overweegt dat deze vordering, wat de tenlastelegging E.VI betreft met betrekking tot de feiten gepleegd na 20 mei 1995, niet enkel gebaseerd is op artikel 505, eerste lid, 2°, maar ook op artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, terwijl, enerzijds alle feiten van deze tenlastelegging dateren van na 20 mei 1990 en anderzijds alle erin omschreven feiten onder meer melding maken van de overdracht van illegaal verkregen fondsen, zoals bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek. Deze overweging wettigt alleszins de verwijzing van de eisers voor de feiten omschreven onder de tenlastelegging E.VI. De omstandigheid dat deze feiten slechts strafbaar zouden zijn op grond van artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, en niet ook op grond van artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek, doet daaraan geen afbreuk. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
  58. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten in de kosten van hun respectieve cassatieberoepen. Begroot de kosten in het geheel op 623,57 euro waarvan op het cassatieberoep van de eisers V 80,72 euro verschuldigd is en op de overige cassatieberoepen telkens 77,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Paul Maffei, en op de openbare rechtszitting van 27 november 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950606.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.