id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071129.5 Rolnummer: C.07.0228.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht Invoerdatum: 2007-12-24 Raadplegingen: 486 - laatst gezien 2026-07-03 05:56 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die ten titel van voorlopige maatregel een persoonlijke onderhoudsbijdrage tussen echtgenoten begroot derwijze dat de onderhoudsgerechtigde echtgenoot in staat is de levensstandaard aan te houden als zou er geen echtscheiding zijn, moet hierbij niet alleen rekening houden met de actuele inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, maar ook met diens mogelijkheden om inkomsten te verwerven
(1); de voorzitter oordeelt daarbij evenwel in feite of de onderhoudsgerechtigde al dan niet kan verplicht worden een bestaande taak- en rolverdeling te verlaten om zijn vroegere levensstandaard te behouden.
(1)Cass., 25 nov. 2005, AR C.04.0592.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051125.10, www.cass.be. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Algemeen Vrije woorden: Echtscheidingsprocedure - Voorlopige maatregelen - Onderhoudsbijdrage tussen echtgenoten - Begroting - Criteria Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 213 en 221, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1280 Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Voorlopige maatregelen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Algemeen Vrije woorden: Onderhoudsbijdrage tussen echtgenoten - Begroting - Criteria Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 213 en 221, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1280 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0228.N J.R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen P.A., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 april 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 602, eerste lid, 2°, en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerster gedeeltelijk gegrond, en bevestigt aldus de beschikking a quo waarbij de eiser veroordeeld werd tot betaling, voor de periode vanaf 1 november 2004 tot 30 april 2005, aan de verweerster, van een maandelijks onderhoudsgeld van 500,00 euro voor haar persoonlijk, mits deze ene wijziging "dat het basisbedrag van het onderhoudsgeld voor (de verweerster) ad 500,00 euro per maand door (de eiser) ver¬schuldigd is vanaf 1 november 2004 voor onbepaalde duur, jaarlijks aanpasbaar zoals in de bestreden beschikking bepaald", en dit op volgende gronden: "6. De eerste rechter heeft aan (de verweerster) een onderhoudsgeld toegekend van 500,00 euro per maand, maar beperkt voor 6 maanden, stellende dat zij haar arbeidsuren kan opdrijven. Zij betwist de beperking in de tijd. Zij doet dat terecht nu de beperking van haar werkgelegenheid door partijen in onderling overleg werd bepaald staande het huwelijk en daarbij een taakver¬deling tussen man en vrouw en een inkomstenbeperking in hoofde van de vrouw werden overeengekomen. Er is daarom op dit ogenblik geen reden om aan die afspraak afbreuk te doen door de vrouw te verplichten over te stappen van een deeltijdse tewerkstelling van 27 uren per week naar een voltijdse betrekking. De kortgedingmaatregelen moeten bovendien beoordeeld worden alsof er geen scheiding was geweest. De beperking in de tijd moet dienvolgens opgeheven te worden. (...) Alle andere en strijdige middelen en conclusie worden verworpen" (arrest p. 4, sub 6 en p. 5, vierde alinea). Uit de door het bestreden arrest overgenomen feitelijke voorgaanden zoals weergegeven in het vonnis a quo (arrest p. 3, sub 4), blijkt dat de appelrechter volgende feitelijke gegevens mede in aanmerking neemt: "Partijen huwden op 14 augustus 1993 en uit hun huwelijk werden twee kinde¬ren geboren, m.n. W. (°03 november 1997) en S. (°24 november 2000). Beide partijen maakten bij dubbele dagvaardingsexploten van 20 september
(2004)een echtscheidingprocedure met voorlopige maatregelen aanhangig respectievelijk bij de 3de kamer van deze rechtbank en bij de voorzitter van de rechtbank, zetelend in kort geding. Uit de verklaring van haar werkgeefster, de NV Antwerps Kantoor voor Verzekeringsadvies, dd. 21 september 2004 blijkt dat (de verweerster), teneinde haar de mogelijkheid te bieden haar kinderen tijdig op te vangen na schooltijd, een arbeidsduurvermindering toegestaan werd. Deze regeling nam een aanvang op 1 februari 2000 (35.75 uur i.p.v. 38 uur) en werd telkens verminderd nl. op 1 september 2000 tot 31 uur en op 1 mei 2001 tot 27 uur. Bijgevolg dient (de verweerster) thans op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag 6,75 uur per dag te werken met de mogelijkheid om gebruik te maken van glijdende aanvangs- en vertrektijden. Uit de verklaring van het schoolhoofd van de vrije basisschool te K. van 21 september 2004 blijkt dat de beide kinderen van partijen meestal opgehaald worden door de moederlijke grootouders, de vaderlijke grootmoeder en (de verweerster) en soms door (de eiser) en uit de verklaring van voormeld schoolhoofd dd. 23 september 2004 blijkt dat (de eiser) ondanks zijn drukke beroepsbezighe¬den praktisch altijd aanwezig was op oudercontacten en tevens als lid van de oudervereniging aanwezig is op de vergaderingen en alle daarbij behorende activiteiten" (beschikking a quo dd. 11 oktober 2004, p. 2, zevende alinea e.v. en p. 3, in medio). Grieven 1. De onderhoudsbijdrage die tijdens een echtscheidingsgeding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op grond van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek aan een echtgenoot wordt toegekend, is een uitvoeringswijze van de plicht van hulpverlening die krachtens artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek aan ieder van de echtgenoten wordt opgelegd. Het bedrag van die uitkering moet vastgesteld worden met inacht¬neming van de behoeften en de inkomsten van elk der echtgenoten en moet zodanig worden geraamd dat de uitkeringsgerechtigde echtgenoot in staat is de levensstandaard aan te houden die hij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest. De in aanmerking te nemen inkomsten van de echtgenoot-onder¬houdsschuldeiser zijn niet alleen de inkomsten die hij daadwerkelijk uit zijn beroepsbezigheden ontvangt, maar ook de inkomsten die hij, rekening hou¬dende met zijn leeftijd, beroepservaring en gezondheidstoestand, zou kunnen ontvangen. Doordat ook de mogelijkheden tot het verwerven van inkomsten in rekening moeten worden gebracht, kan de echtgenoot-onderhoudsschuldei¬ser zich niet zonder meer beroepen op de taak- of rolverdeling die tussen de echtgenoten bestond ten tijde van het samenleven, teneinde zijn professionele mogelijkheden tot het verwerven van (hogere) inkomsten niet aan te wenden. 2. Te dezen werd in de beschikking a quo van 11 oktober 2004 het door de verweerster gevorderde persoonlijk onderhoudsgeld lopende het echtscheidingsgeding beperkt tot zes maanden, ingaande op 1 november 2004 om te eindigen op 30 april 2005, op grond van de vaststelling dat de verweerster de mogelijkheid heeft om haar arbeidsuren opnieuw op te drijven. De eerste rechter overwoog inzonderheid "dat (de verweerster), gelet op haar leeftijd en mogelijkheden en het feit dat de kinderen thans in tegenstelling van de situatie ten tijde van de haar toegestane arbeidsduurverminde¬ringen, beiden naar school gaan en zij ook op de hulp van derden kan reke¬nen, in de mogelijkheid moet zijn om binnen een aanvaardbare tijd haar arbeidsuren op te drijven", en dat "gelet op de dagelijkse kosten van levenson¬derhoud (bewoning, voeding, kledij, nutsvoorzieningen, gezondheidszorgen) en het feit dat (de verweerster) voorlopig verder kan beschikken over de echte¬lijke woonst, het billijk (voorkomt) aan (de verweerster) een onderhoudsgeld toe te kennen van 500,00 euro per maand en dit voor een periode van 6 maanden". De eiser vroeg voor de appelrechters de bevestiging van de beslis¬sing a quo op de gronden die ze bevat (syntheseberoepsbesluiten van de eiser, neergelegd op 30 november 2005, p. 10, vijfde alinea). Hij benadrukte o.m. dat de verweerster "perfect fulltime (kan) gaan werken" (ibid., p. 8, derde laatste ali¬nea), "dat (de verweerster)) even oud is als (de eiser), (dat) zij fit en gezond (is), (dat) zij zoals (de eiser) beroep kan doen op ouders qua opvang, kortom, hetgeen de voorzitter in kort geding voorzag, met name dat zij na zes maanden perfect fulltime kan gaan werken is een realiteit doch (de verweerster) doet hiervoor niets" (ibid., p. 10, vijfde alinea). 3. Het bestreden arrest oordeelt, na te hebben vastgesteld dat de eerste rechter het onderhoudsgeld beperkte tot zes maanden omdat de verweerster (nadien) haar arbeidsuren kan opdrijven, dat de verweerster terecht de be¬perking van de uitkering in de tijd betwist omdat "de beperking van haar werkgelegenheid door partijen in onderling overleg werd bepaald staande het huwelijk en daarbij een taakverdeling tussen man en vrouw en een inkomstenbeperking in hoofde van de vrouw werden overeengekomen". Het is om die reden dat er, volgens het bestreden arrest, "geen reden (
- is)om aan die afspraak afbreuk te doen door de vrouw te verplichten over te stappen van een deeltijdse tewerkstelling van 27 uren per week naar een voltijdse betrekking". Nu het bestreden arrest aldus niet uitsluit dat de verweerster de mogelijkheid heeft over te stappen naar een voltijdse betrekking, en aldus een hoger inkomen te verwerven en in haar behoeften te voorzien, en deze mogelijkheid bij de begroting van de onderhoudsuitkering buiten beschouwing laat enkel omwille van de taakverdeling die ten tijde van het samenleven tussen partijen was afgesproken, miskent het de verplichting om bij de begroting van de onderhoudsuitkering lopende het echtscheidingsgeding niet alleen re¬kening te houden met de werkelijke inkomsten van de onderhoudsschuldeiser, maar ook met zijn mogelijkheden tot het verwerven van (hogere) inkomsten, ook al werden die mogelijkheden ten tijde van het samenleven van partijen, ingevolge een tussen hen afgesproken taakverdeling, niet benut (schending van artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek). 4. De door het bestreden arrest vermelde bijkomende omstandig¬heid dat "de kortgedingmaatregelen bovendien (moeten) beoordeeld worden alsof er geen scheiding was geweest", kan evenmin de beslissing tot het buiten beschouwing laten van de mogelijkheid van de verweerster tot het overschakelen naar een voltijdse betrekking gelet op de taakverdeling ten tijde van het samenleven, verantwoorden. Overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt, rechtsprekend in kort geding, in iedere stand van het geding, tot de ontbinding van het huwelijk op verzoek van de partijen of van een van de partijen of van de procureur des Konings, kennis van de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon, op het levensonderhoud en op de goe¬deren, zowel van de partijen als van de kinderen. Het hof van beroep, dat krachtens artikel 602, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, kennis neemt van het hoger beroep tegen de uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, beschikt over dezelfde bevoegdheden. De kortgedingmaatregelen die op grond van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek tussen echtgenoten kunnen bevolen worden moeten, anders dan door het bestreden arrest weerhouden, niet worden beoordeeld "alsof er geen scheiding was geweest". Weliswaar dient de onderhoudsuitkering lopende het echtschei¬dingsgeding te worden geraamd zodanig dat de uitkeringsgerechtigde echtge¬noot in staat is de levensstijl aan te houden "die hij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest". Dit betekent echter geenszins dat de taakverdeling tussen echtgenoten ten tijde van het samenleven, ook na de feite¬lijke scheiding die het gevolg is van het inleiden van een echtscheidingsproce¬dure, kan behouden blijven, derwijze dat de echtgenoot-onderhoudsschuldei¬ser de (financiële) mogelijkheden die hij niet diende te benutten ten tijde van het samenleven, ook na de feitelijke scheiding onbenut zou mogen laten. Door derhalve de kortgedingmaatregelen te beoordelen "alsof er geen scheiding was geweest", miskent het bestreden arrest de artikelen 602, eerste lid, 2°, en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, en kon het op deze grond ook niet wettig de taakverdeling tussen partijen ten tijde van het sa¬menleven inroepen om de mogelijkheid van de verweerster tot het overstappen naar een voltijdse betrekking in het kader van de begroting van de onder¬houdsuitkering, te verwerpen (schending van de artikelen 602, eerste lid, 2°, en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, alsook artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waarbij de vordering tot echtscheiding aanhangig is, rechtsprekend in kort geding, kennis van de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon, het levensonderhoud en de goederen van de partijen en de kinderen, en dit in iedere stand van het geding, tot de ontbinding van het huwelijk. Aldus kan een voorlopige maatregel bestaan in het toekennen aan een van de echtgenoten van een onderhoudsbijdrage in uitvoering van de in de artikelen 213 en 221, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalde hulp- en bijdrageverplichting, die als primaire huwelijksverplichting blijft bestaan zolang het huwelijk in de persoonlijke verhouding tussen de echtgenoten niet is ontbonden, dit is tot op het ogenblik waarop de echtscheidingsuitspraak in kracht van gewijsde is getreden. 2. De voorzitter begroot die onderhoudsbijdrage gelet op de relatieve behoefte van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot, derwijze dat hij in staat is de levensstandaard aan te houden als zou er geen scheiding zijn. Hierbij moet de voorzitter rekening houden niet alleen met de actuele inkomsten van de onderhoudsgerechtigde maar ook met diens mogelijkheden om inkomsten te verwerven. Zodoende kan de onderhoudsgerechtigde met mogelijkheden om bijkomende inkomsten te verwerven, worden verplicht het bestaande taken- en rolverdeling te verlaten, door bijvoorbeeld redelijkerwijze bijkomend buitenshuis te gaan werken. De voorzitter kan evenwel in feite oordelen, rekening houdend met de concrete omstandigheden van het geval, dat de onderhoudsgerechtigde voorlopig niet kan verplicht worden een bestaande taak- en rolverdeling te verlaten om zijn vroegere levensstandaard te behouden. 3. Het middel gaat ervan uit dat de voorzitter zodra hij niet uitsluit dat de uitkeringsgerechtigde de mogelijkheid heeft zijn inkomsten te verhogen door een grotere activiteit, steeds verplicht is met die mogelijkheid rekening te houden bij de begroting van de onderhoudsuitkering. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 554,51 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071129.5 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160425.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051125.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div