← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.12 Rolnummer: P.07.1207.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2008-06-24 Raadplegingen: 716 - laatst gezien 2026-07-03 15:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Er bestaat slechts een geschil inzake bevoegdheid als bedoeld in de artt. 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering, wanneer de rechter die kennisneemt van de strafvordering zich de bevoegdheid van een ander rechter toeeigent of zich onbevoegd verklaart, zodat daaruit een geschil over jurisdictie kan ontstaan dat de rechtsgang belemmert en enkel door regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd; dit is net het gevalvoor het tussenarrest waarbij het hof van beroep oordeelt dat eisers cassatieberoep tegen een eerder arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, waarbij dit onderzoeksgerecht zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van een verzoek om, op grond van art. 136, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, toezicht uit te oefenen op het verloop van een onderzoek dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond art. 480 Wetboek van Strafvordering wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in artikel 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid, kennelijk niet ontvankelijk is en derhalve geen schorsende werking kan hebben op het verloop van de door de dagvaarding ingestelde strafvordering zodat er geen reden is de zaak af te splitsen

(1)
(2).
(1)Cass., 30 nov. 1976, A.C., 1977, 371 met noot E.K.; 30 jan. 1991, AR 8773, nr. 286; 11 juli 1994, AR P.94.0794.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940711.3, nr. 344; 17 mei 1995, AR P.95.0536.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950517.12, nr. 242; 11 juni 1997, AR P.97.0736.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970611.11, nr. 269; 4 feb. 1998, AR P.98.0017.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980204.6, nr. 65; 9 juni 1999, AR P.99.0510.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.22, nr. 343; 13 okt. 1998, AR P.97.0368.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.8, nr. 442; 30 okt. 2001, AR P.01.1259.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.13 ,nr. 584; 18 sept. 2002, AR P.02.0874.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020918.12, nr. 459; 21 maart 2006, AR P.05.1701.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5, nr. 164; 4 dec. 2007, AR P.07.0813.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.4 en P.07.1163.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.7, nrs. ... en ...; DE CODT, J., "Les fins de non-recevoir du pourvoi en matière repressive", in Liber Amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer, 2001, nr. 51; BOSLY, H-D. en VANDERMEERSCH, D., Droit de la procedure pénale, Brugge, Die Keure, 2005, 1442; VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nrs. 1279 en 2382; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4° ed. 2007, nr. 859, p. 421; DECLERCQ, R. Cassation en matière répressive, R.P.D.B., Brussel, Bruylant, 2006, nrs. 195 en 216.
(2)Eiser legde als inverdenkinggestelde op 4 april 2007 een verzoekschrift neer bij de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van art. 136, tweede lid, Wetboek van Strafvordering om toezicht uit te oefenen, op het verloop van het onderzoek dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van art. 480 Wetboek van Strafvordering wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in art. 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid. Op 21 april 2007, nog vóór de uitspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling, werd eiser door de procureur-generaal rechtstreeks voor het hof van beroep gedagvaard op grond van de samenhang met de feiten gepleegd door een persoon die geniet van voorrecht van rechtsmacht, zoals voorzien in art. 482bis Wetboek van Strafvordering. Bij arrest van 15 mei 2007 verklaarde de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd om kennis te nemen van dit verzoek. Tegen dit arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling stelde de eiser cassatieberoep in dat het voorwerp uitmaakt van het arrest P.07.0813.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.4 van 4 dec. 2007, waarbij door het Hof afstand werd verleend (zie arrest nr. ...). Voor het hof van beroep voerde eiser aan dat zijn cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 15 mei 2007 een schorsende werking had krachtens art. 373 Wetboek van Strafvordering. Steeds volgens eiser vormde deze schorsende werking een beletsel voor de verdere behandeling van zijn zaak voor het hof van beroep, omdat de samenhang, die krachtens art. 482bis Wetboek van Strafvordering aanleiding moet geven tot de gelijktijdige vervolging en berechting van de mededaders en medeplichtigen met de dader die geniet van voorrecht van rechtsmacht, doorbroken was, met als gevolg dat het hof van beroep zijn bevoegdheid ten aanzien van eiser verloor. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Afstand - Algemeen Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Afstand - Algemeen Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Afstand - Algemeen Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Onderzoek gevorderd door de procureur-generaal in toepassing van artikel 480 Sv. - Verzoekschrift strekkende tot het uitoefenen van toezicht op het onderzoek - Artikel 136, tweede lid, Sv. - Dagvaarding door de feitenrechter in toepassing van artikel 479 Sv. - Navolgend arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaart - Cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Rechtspleging voor het hof van beroep - Tussenarrest - Eerder cassatieberoep beschouwd als kennelijk niet-ontvankelijkheid - Toepassing Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Afstand - Algemeen Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Onderzoek gevorderd door de procureur-generaal in toepassing van artikel 480 Sv. - Artikel 136, tweede lid, Sv. - Dagvaarding door de feitenrechter in toepassing van artikel 479 Sv. - Navolgend arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaart - Cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Rechtspleging voor het hof van beroep - Tussenarrest - Eerder cassatieberoep beschouwd als kennelijk niet-ontvankelijkheid - Toepassing Fiche 5 Het tussenarrest waarbij het hof van beroep oordeelt dat eisers cassatieberoep tegen een eerder arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, waarbij dit onderzoeksgerecht zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van een verzoek om, op grond van artikel 136, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, toezicht uit te oefenen op het verloop van een onderzoek dat geopend werd op vordering vande procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van artikel 480 Wetboek van Strafvordering wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in artikel 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid, kennelijk niet ontvankelijk is en derhalve geen schorsende werking kan hebben op het verloop van de door de dagvaarding ingestelde strafvordering zodat er geen reden is de zaak af te splitsen, doet geen uitspraak over de bevoegdheid van het hof van beroep om kennis te nemen van de strafvordering met toepassing van de artikelen 479 en volgende Wetboek van strafvordering en oordeelt evenmin over de samenhang krachtens dewelke de daders van samenhangende misdrijven met het misdrijf waarvoor de ambtenaar van de hoedanigheid als vermeld in voormeld artikel 479 wordt vervolgd, met toepassing van artikel 482bis van hetzelfde wetboek samen met die ambtenaar worden vervolgd en berecht; dergelijk arrest is derhalve geen arrest inzake bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering en het is evenmin een eindbeslissing of een beslissing die uitspraak doet in een der andere gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Eiser legde als inverdenkinggestelde op 4 april 2007 een verzoekschrift neer bij de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van art. 136, tweede lid, Wetboek van Strafvordering om toezicht uit te oefenen, op het verloop van het onderzoek dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van art. 480 Wetboek van Strafvordering wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in art. 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid. Op 21 april 2007, nog vóór de uitspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling, werd eiser door de procureur-generaal rechtstreeks voor het hof van beroep gedagvaard op grond van de samenhang met de feiten gepleegd door een persoon die geniet van voorrecht van rechtsmacht, zoals voorzien in art. 482bis Wetboek van Strafvordering. Bij arrest van 15 mei 2007 verklaarde de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd om kennis te nemen van dit verzoek. Tegen dit arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling stelde de eiser cassatieberoep in dat het voorwerp uitmaakt van het arrest P.07.0813.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.4 van 4 dec. 2007, waarbij door het Hof afstand werd verleend (zie arrest nr. ...). Voor het hof van beroep voerde eiser aan dat zijn cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 15 mei 2007 een schorsende werking had krachtens art. 373 Wetboek van Strafvordering. Steeds volgens eiser vormde deze schorsende werking een beletsel voor de verdere behandeling van zijn zaak voor het hof van beroep, omdat de samenhang, die krachtens art. 482bis Wetboek van Strafvordering aanleiding moet geven tot de gelijktijdige vervolging en berechting van de mededaders en medeplichtigen met de dader die geniet van voorrecht van rechtsmacht, doorbroken was, met als gevolg dat het hof van beroep zijn bevoegdheid ten aanzien van eiser verloor. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Afstand - Algemeen Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Onderzoek gevorderd door de procureur-generaal in toepassing van artikel 480 Sv. - Verzoekschrift strekkende tot het uitoefenen van toezicht op het onderzoek - Artikel 136, tweede lid, Sv. - Dagvaarding door de feitenrechter in toepassing van artikel 479 Sv. - Navolgend arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaart - Cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Rechtspleging voor het hof van beroep - Tussenarrest - Eerder cassatieberoep beschouwd als kennelijk niet-ontvankelijkheid - Cassatieberoep tegen het tussenarrest - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.07.1207.N I DEXIA BANK BELGIË nv, beklaagde, met als raadslieden mrs. Hans Van Bavel, Sébastien Ryelandt, Benoît Allemeersch, Eline Tritsmans, Pascal Vanderveeren en Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel, alsmede mrs. René Verstringhe en Hans Rieder, advocaten bij de balie te Gent. eiseres, tegen
  1. M. M.,
  2. J. H.,
  3. F. S.,
  4. S. D. R., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van LERNOUT & HAUSPIE SPEECH PRODUCTS nv, met zetel te 8900 Ieper, Flanders Language Valley, 50, verzoekers tot het aanstellen van een lasthebber ad hoc, verweerders. II G. K. A. D., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. III P. A. N. V., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. IV DEXIA BANK BELGIË nv, beklaagde, eiseres, met als raadslieden mrs. Hans Van Bavel, Sébastien Ryelandt, Benoît Allemeersch, Eline Tritsmans, Pascal Vanderveeren en Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel, alsmede mrs. René Verstringhe en Hans Rieder, advocaten bij de balie te Gent, de cassatieberoepen II tot en met IV tegen de burgerlijke partijen vermeld op de pagina's 139 tot 293 van het bestreden arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 mei
  5. De cassatieberoepen II, III en IV zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 juni
  6. De eiser III voert in ene memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers doen zonder berusting afstand van hun cassatieberoep. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand van de eisers I en II
  7. De afstanden kunnen worden verleend. Afstand van de eiser III
  8. Het arrest doet uitspraak over: - eisers verweermiddel dat zijn cassatieberoep tegen het arrest van 15 mei 2007 van de kamer van inbeschuldigingstelling schorsende werking heeft op het verdere verloop van de tegen hem ingestelde strafvordering en aldus een beletsel vormt tegen de gelijktijdige behandeling van de zaak met de andere beklaagden zodat de tegen de eiser ingestelde strafvervolging dient te worden afgesplitst en deze, vermits er in dat geval een einde komt aan de samenhang, tot de bevoegdheid behoort van de rechter die naar gemeen recht bevoegd is; - de regelmatigheid van de dagvaarding van het hof van beroep.
  9. Er bestaat slechts een geschil inzake bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering, wanneer de rechter die kennisneemt van de strafvordering zich de bevoegdheid van een andere rechter toe-eigent of zich onbevoegd verklaart zodat daaruit een geschil over jurisdictie kan ontstaan dat de rechtsgang belemmert en enkel door regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd.
  10. De eiser heeft geen bevoedheidsgeschil aan het hof van beroep voorgelegd. Eisers aanvoering dat het hof van beroep zijn bevoegdheid verloor ten voordele van de gemeenrechtelijke procedure was enkel afgeleid uit de aanvoering dat het cassatieberoep tegen het arrest van 15 mei 2007 van de kamer van inbeschuldigingstelling het normale verloop van de tegen hem ingestelde strafvordering belemmerde zodat de zaak diende te worden afgesplitst.
  11. Het arrest oordeelt desbetreffende dat eisers cassatieberoep tegen het arrest van 15 mei 2007 van de kamer van inbeschuldigingstelling kennelijk niet ontvankelijk is en derhalve geen schorsende werking op het verloop van de door de dagvaarding ingestelde strafvordering kan hebben zodat er geen reden is de zaak af te splitsen.
  12. Het arrest doet aldus geen uitspraak over de bevoegdheid van het hof van beroep om kennis te nemen van de strafvordering met toepassing van de artikelen 479 en volgende Wetboek van Strafvordering. Het oordeelt evenmin over de samenhang krachtens dewelke de daders van samenhangende misdrijven met het misdrijf waarvoor de ambtenaar van de hoedanigheid als vermeld in voormeld artikel 479 wordt vervolgd, met toepassing van artikel 482bis van hetzelfde wetboek samen met die ambtenaar worden vervolgd en berecht.
  13. Voor het overige is het arrest geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der andere gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. De afstand kan bijgevolg worden verleend. Afstand van de eiseres IV
  14. Het arrest doet uitspraak over verscheidene excepties die de eiseres heeft opgeworpen met betrekking tot: - de regelmatigheid van de dagvaarding van de eiseres voor het hof van beroep; - het tijdstip van het instellen van de strafvordering en de regelmatigheid ervan; - de regelmatigheid van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 13 april 2004 waarbij die kamer haar machtiging aan een van haar leden met toepassing van de artikelen 136 en 136bis Wetboek van Strafvordering verleend bij het arrest van 26 november 2002, opheft; - de regelmatigheid van de vordering van de procureur-generaal in de inleidende dagvaarding om verzachtende omstandigheden voor bepaalde correctionaliseerbare misdaden aan te nemen. Het arrest oordeelt ook dat de door de eiseres voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof ofwel niet dienen te worden gesteld ofwel later, samen met de grond van de zaak dienen te worden onderzocht.
  15. Die beslissingen zijn geen eindbeslissingen en het arrest doet daarmee geen uitspraak inzake bevoegdheid noch in een der andere gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. De afstand kan worden verleend. Dictum Het Hof, Verleent de eisers akte van hun afstand van hun cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 1.197,09 euro waarvan de eiseres I 26,40 euro verschuldigd is en 30 euro betaald heeft en de eisers II, III en IV elk 380,23 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 4 december 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120313.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940711.3 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950517.12 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970611.11 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980204.6 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.8 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.22 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.13 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020918.12 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.