← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.3 Rolnummer: P.07.1664.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2007-12-20 Raadplegingen: 186 - laatst gezien 2026-07-03 05:52 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit art. 24 Taalwet Gerechtszaken, dat bepaalt dat voor al de rechtscolleges in hoger beroep, voor de rechtspleging, de taal wordt gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld, volgt dat de wijziging van de taal van de rechtspleging uitsluitend in eerste aanleg mogelijk is. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken Vrije woorden: Verzoek tot wijziging van de taal van de rechtspleging - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken Vrije woorden: Verzoek tot wijziging van de taal van de rechtspleging - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.07.1664.N I. K., verdachte, gedetineerd, eiser, met als raadslieden mr. Cédric Vergauwen en mr. Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest nummer 3611 van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting van de raadkamer van 2 november
  3. Het arrest verwijst niet naar het vermelde proces-verbaal en kan zodoende de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 235bis, 136 en 235 Wetboek van Strafvordering, in zoverre de eiser de kamer van inbeschuldigingstelling verzocht de regelmatigheid van de beschikking van de raadkamer te onderzoeken, en aldus, minstens, "gehouden( was) tot een prima facie onderzoek van het nietigheidsvraagstuk".
  5. Het arrest zegt dat het hof van beroep, in zoverre het "zijn arrest dient te wijzen binnen de wettelijke termijn en derhalve het vervolg van de klacht [van de eiser] niet kan afwachten, na toepassing te hebben gemaakt van artikel 136, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering geen onregelmatigheid, verzuim of nietigheid met betrekking tot de bestreden beschikking heeft kunnen vaststellen".
  6. De appelrechters hebben aldus dit prima facie onderzoek van de beschikking van de raadkamer waarvan de eiser de onregelmatigheid aanvoerde, regelmatig verricht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van het proces-verbaal van eerste verhoor van de eiser door de onderzoeksrechter.
  8. Het arrest oordeelt dat de eiser "zelfs indien hij zich aanvankelijk in de Franse taal heeft uitgedrukt tijdens zijn verhoor door de politiediensten op 30 oktober 2007, nadien voor de onderzoeksrechter uitdrukkelijk gebruik heeft gemaakt van zijn moedertaal (het Kinyarwanda) - hetgeen overigens zijn volste recht was, zelfs indien hij de Franse taal machtig is - zodat de onderzoeksrechter het aanhoudingsbevel op straffe van nietigheid in de taal van de rechtspleging van het dossier (het Nederlands) diende op te stellen". Het geeft aldus van de vermelding in het proces-verbaal van eerste verhoor door de onderzoeksrechter dat de eiser "verklaart gebruik te maken van de taal Kinyarwanda, welke hij kiest", een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser bij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 16, § 2, Taalwet Gerechtszaken, de rechtspleging in het Frans heeft gevraagd.
  10. Een later verzoek tot wijziging van de taal van de rechtspleging voor het onderzoeksgerecht kan de regelmatigheid van het in die taal opgestelde aanhoudingsbevel, niet aantasten. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  11. Uit artikel 24 Taalwet Gerechtszaken volgt dat wijziging van de proceduretaal uitsluitend in eerste aanleg mogelijk is. De rechtspleging in hoger beroep verloopt aldus in de taal van de beroepen beslissing.
  12. In zoverre de eiser enig rechtsgevolg wenst te trekken uit de vaststelling in het arrest dat hij voor de kamer van inbeschuldigingstelling "uitdrukkelijk de wens heeft geuit de Franse taal voor de rechtspleging te kiezen", faalt het onderdeel naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 60,26 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 4 december 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.