← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.4 Rolnummer: P.07.0813.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2007-12-26 Raadplegingen: 614 - laatst gezien 2026-07-03 15:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Er bestaat slechts een geschil inzake bevoegdheid als bedoeld in de artt. 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering, indien de rechter die kennisneemt van de strafvordering zich de bevoegdheid van een andere rechter toeeigent of zich onbevoegd verklaart, zodat daaruit een geschil over jurisdictie ontstaat, dat enkel door een regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd; dit is niet het geval voor het arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van het verzoek om, op grond van art. 136, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, toezicht uit te oefenen op het verloop van het onderzoek dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van art. 480 Wetboek van Strafvordering wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in art. 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid, op grond dat: -in geval van voorrecht van rechtsmacht er geen wettelijke saisine is zolang de strafvordering niet is ingesteld -het verzoek van de procureur-generaal aan de eerste voorzitter tot het aanstellen van een raadsheer-onderzoeksrechter voor een onderzoek tegen een persoon die voorrecht van rechtsmacht heeft en tegen de eventuele mededaders of medeplichtigen de strafvordering niet instelt -alleen de procureur-generaal met een beslissing tot vervolging de strafvordering kan instellen bij de beëindiging van het strafonderzoek door de raadsheer-onderzoeksrechter -de raadsheer-onderzoeksrechter enkel verantwoording verschuldigd is aan de eerste voorzitter en de procureur-generaal -hieruit volgt dat er in dergelijk geval geen inverdenkingstelling in de zin van art. 61bis Wetboek van Strafvordering bestaat, evenmin als de mogelijkheid van toezicht krachtens art. 136 Wetboek van Strafvordering

(1)
(2).
(1)Het O.M. concludeerde tot de verwerping. Volgens het O.M. was het cassatieberoep zonder voorwerp omdat de eiser, nog vóór het bestreden arrest van 15 mei 2007, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaarde om uitspraak te doen over eisers verzoek om, op grond van art. 136, tweede lid, Wetboek van strafvordering, toezicht uit te oefenen op het verloop van het onderzoek, dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van art. 480 Wetboek van strafvordering, wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in art. 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid, door de procureur-generaal, in toepassing van voormeld art. 479 Wetboek van Strafvordering voor het hof van beroep was gedagvaard. Door deze dagvaarding was de zaak reeds voor de rechter ten gronde aanhangig en was er een einde gekomen aan de opdracht van de raadsheer-onderzoeksrechter: er was bijgevolg geen onderzoek meer aanhangig, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling ook geen rechtsmacht meer had om uitspraak te doen in het kader van die onderzoek. Het Hof van Cassatie kon er derhalve ook nooit toe komen om de zaak terug te verwijzen naar de kamer van inbeschuldigingstelling. Volgens het O.M. kon, in de veronderstelling dat het Hof zou oordelen dat het cassatieberoep zonder voorwerp was, ook geen aftand verleend worden van de door eiser gedane afstand zonder berusting, omdat deze afstand uitging van de veronderstelling dat het cassatieberoep voorbarig was en het Hof geen akte van afstand verleent wanneer het oordeelt dat het cassatieberoep om een andere reden niet ontvankelijk is (Zie Cass., 8 dec. 1992, AR 6639, A.C., 1991-92, nr. 776; 7 sept. 1994, AR P.94.0381.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940907.5, A.C., 1994, nr. 361.
(2)Cass., 30 nov. 1976, A.C., 1977, 371 met noot E.K.; 30 jan. 1991, AR 8773, nr. 286; 11 juli 1994, AR P.94.0794.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940711.3, nr. 344; 17 mei 1995, AR P.95.0536.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950517.12, nr. 242; 11 juni 1997, AR P.97.0736.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970611.11, nr. 269; 4 feb. 1998, AR P.98.0017.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980204.6, nr. 65; 9 juni 1999, AR P.99.0510.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.22, nr. 343; 13 okt. 1998, AR P.97.0368.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.8, nr. 442; 30 okt. 2001, AR P.01.1259.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.13, nr. 584; 18 sept. 2002, AR P.02.0874.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020918.12, nr. 459; 21 maart 2006, AR P.05.1701.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5, nr. 164; 4 dec. 2007, AR P.07.1163.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.7 en P.07.1207.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.12, nrs....... en .......; De Codt, J., "Les fins de non-recevoir du pourvoi en matière repressive", in Liber Amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer, 2001, nr. 51; Bosly, H-D. en Vandermeersch, D., Droit de la procedure pénale, Brugge, Die Keure, 2005, 1442; Verstraeten, R., Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nrs 1279 en 2382; Declercq, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4° ed. 2007, nr. 859, p. 421; Declercq, R., Cassation en matière répressive, R.P.D.B., Brussel, Bruylant, 2006, nrs. 195 en 216. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht STRAFRECHT - VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE (STRAFZAKEN) - Regeling van rechtsgebied Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht STRAFRECHT - VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE (STRAFZAKEN) - Regeling van rechtsgebied Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht STRAFRECHT - VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE (STRAFZAKEN) - Regeling van rechtsgebied Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Onderzoek gevorderd door de procureur-generaal in toepassing van artikel 480 Sv. - Verzoekschrift strekkende tot het uitoefenen van toezicht op het onderzoek - Artikel 136, tweede lid, Sv. - Arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaart - Toepassing Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht STRAFRECHT - VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE (STRAFZAKEN) - Regeling van rechtsgebied Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Onderzoek gevorderd door de procureur-generaal in toepassing van artikel 480 Sv. - Verzoekschrift strekkende tot het uitoefenen van toezicht op het onderzoek - Artikel 136, tweede lid, Sv. - Arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaart - Toepassing Fiche 5 Het arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van het verzoek om, op grond van art. 136, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, toezicht uit te oefenen op het verloop van het onderzoek dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond art. 480 Wetboek van Strafvordering wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in art. 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid, op grond dat: -in geval van voorrecht van rechtsmacht er geen wettelijke saisine is zolang de strafvordering niet is ingesteld -het verzoek van de procureur-generaal aan de eerste voorzitter tot het aanstellen van een raadsheer-onderzoeksrechter voor een onderzoek tegen een persoon die voorrecht van rechtsmacht heeft en tegen de eventuele mededaders of medeplichtigen de strafvordering niet instelt -alleen de procureur-generaal met een beslissing tot vervolging de strafvordering kan instellen bij de beëindiging van het strafonderzoek door de raadsheer-onderzoeksrechter -de raadsheer-onderzoeksrechter enkel verantwoording verschuldigd is aan de eerste voorzitter en de procureur-generaal -hieruit volgt dat er in dergelijk geval geen inverdenkingstelling in de zin van art. 61bis Wetboek van Strafvordering bestaat, evenmin als de mogelijkheid van toezicht krachtens art. 136 Wetboek van Strafvordering, is geen arrest inzake bevoegdheid als bedoeld in de artt. 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering en het is evenmin een eindbeslissing of een beslissing die uitspraak doet in een der andere gevallen bedoeld in art. 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de verwerping. Volgens het O.M. was het cassatieberoep zonder voorwerp omdat de eiser, nog vóór het bestreden arrest van 15 mei 2007, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaarde om uitspraak te doen over eisers verzoek om, op grond van art. 136, tweede lid, Wetboek van strafvordering, toezicht uit te oefenen op het verloop van het onderzoek, dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van art. 480 Wetboek van strafvordering, wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in art. 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid, door de procureur-generaal, in toepassing van voormeld art. 479 Wetboek van Strafvordering voor het hof van beroep was gedagvaard. Door deze dagvaarding was de zaak reeds voor de rechter ten gronde aanhangig en was er een einde gekomen aan de opdracht van de raadsheer-onderzoeksrechter: er was bijgevolg geen onderzoek meer aanhangig, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling ook geen rechtsmacht meer had om uitspraak te doen in het kader van die onderzoek. Het Hof van Cassatie kon er derhalve ook nooit toe komen om de zaak terug te verwijzen naar de kamer van inbeschuldigingstelling. Volgens het O.M. kon, in de veronderstelling dat het Hof zou oordelen dat het cassatieberoep zonder voorwerp was, ook geen aftand verleend worden van de door eiser gedane afstand zonder berusting, omdat deze afstand uitging van de veronderstelling dat het cassatieberoep voorbarig was en het Hof geen akte van afstand verleent wanneer het oordeelt dat het cassatieberoep om een andere reden niet ontvankelijk is (Zie Cass., 8 dec. 1992, A.R. 6639, A.C., 1991-92, nr. 776; 7 sept. 1994, A.R. P.94.0381.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940907.5, A.C., 1994, nr.
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht STRAFRECHT - VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE (STRAFZAKEN) - Regeling van rechtsgebied Vrije woorden: Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) - Voorrecht van rechtsmacht - Onderzoek gevorderd door de procureur-generaal in toepassing van artikel 480 Sv. - Verzoekschrift strekkende tot het uitoefenen van toezicht op het onderzoek - Artikel 136, tweede lid, Sv. - Kamer van inbeschuldigingstelling die zich onbevoegd verklaart omdat de strafvordering niet is ingesteld - Cassatieberoep - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.07.0813.N P. A. N. V., verzoeker op grond van artikel 136 Wetboek van Strafvordering, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 mei
  2. De eiser voert in een memorie een middel aan. Hij doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep in de mate de bestreden beslissing niet definitief is in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en geen uitspraak doet over de bevoegdheid conform artikel 416, tweede lid, van hetzelfde wetboek. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORWAARDEN Op 21 december 2000 werd de onderzoeksrechter te Ieper belast met een gerechtelijk onderzoek ten laste van onder meer J. L., P. H. en anderen (dossier LHSP - notitienummer IE.71.98.646/00). Op 31 oktober 2002 heeft de procureur-generaal te Gent op grond van artikel 136bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering in het belang van het goede verloop van het onderzoek, gevorderd dat de onderzoeksrechter te Ieper zou worden vervangen door een raadsheer-onder¬zoeks¬rechter. Bij arrest van 26 november 2002 heeft het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, het onderzoek tot zich getrokken, de onderzoeksrechter te Ieper ont¬heven en H. H. aangesteld als raadsheer-onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter te Ieper was ook belast met een gerechtelijk onderzoek ten laste van onbekenden, dit ingevolge klacht met burgerlijke partijstelling op 6 april 2001, 7 juni 2001 en 4 maart 2005 (dossier KPMG - notitienummer IE.70.99.48/01). In zijn arrest van 2 december 2003 heeft het Hof het rechtsgebied geregeld en het verder onderzoek van dit dossier wegens samenhang toegewezen aan de raadsheer-onderzoeksrechter H. H.. Het verder onderzoek wees uit dat er ook aanwijzingen van schuld kunnen zijn tegen D. C., plaatsvervangend rechter, die ingevolge artikel 479 Wetboek van Strafvordering "voorrecht van rechtsmacht" heeft. Op vordering van de procureur-generaal heeft de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Gent op grond van artikel 480 Wetboek van Strafvordering H. H. als raadsheer-onderzoeksrechter aangesteld. Op 31 maart 2006 heeft de procureur-generaal nominatief de strafvordering uitgevaardigd ten laste van de eiser. De raadsheer-onderzoeksrechter heeft op 3 april 2006 de eiser hiervan verwittigd met de mededeling dat hij ingevolge de bepalingen van artikel 61bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, over dezelfde rechten beschikte als een formeel inverdenkinggestelde. Op 14 juli 2006 heeft de procureur-generaal de eiser meegedeeld dat hij rechtstreeks zal worden gedagvaard omdat één van de inverdenkinggestelden "voorrecht van rechtsmacht" heeft. Op 6 oktober 2006 heeft de procureur-generaal de eiser laten weten dat het openbaar ministerie per 15 april 2007 zal overgaan tot de rechtstreekse dagvaarding en dat daardoor de raadsheer-onderzoeksrechter vanaf dat ogenblik zal ontheven zijn van het onderzoek. Als inverdenkinggestelde heeft de eiser op 4 april 2007 een verzoekschrift neergelegd bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent op grond van artikel 136, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, omdat een gerechtelijk onderzoek niet binnen het jaar is afgesloten. Hij heeft de kamer van inbeschuldigingstelling verzocht de niet-ontvankelijkheid en de nietigheid van de strafvordering uit te spreken op grond van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering. Bij arrest van 15 mei 2007 heeft het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschul¬di¬ging¬stelling, zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van eisers verzoek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand
  3. Het bestreden arrest steunt de beslissing over het ontbreken van rechtsmacht van de kamer van inbeschuldigingstelling op de navolgende gronden: - In geval van voorrecht van rechtsmacht is er geen wettelijke saisine zolang de strafvordering niet is ingesteld. - Het verzoek van de procureur-generaal aan de eerste voorzitter tot het aanstellen van een raadsheer-onderzoeksrechter voor een onderzoek tegen een persoon die voorrang van rechtsmacht heeft en tegen de eventuele mededaders of medeplichtigen, stelt de strafvordering niet in. - Alleen de procureur-generaal kan met een beslissing tot vervolging de strafvordering instellen bij de beëindiging van het strafonderzoek door de raadsheer-onderzoeksrechter. - De raadsheer-onderzoeksrechter is enkel verantwoording verschuldigd aan de eerste voorzitter en de procureur-generaal. - Hieruit volgt dat er in dergelijk geval geen inverdenkingstelling in de zin van artikel 61bis Wetboek van Strafvordering bestaat, evenmin als de mogelijkheid van toezicht krachtens artikel 136 Wetboek van Strafvordering.
  4. Er is slechts een geschil inzake bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering indien de rechter die kennisneemt van de strafvordering, zich de bevoegdheid van een andere rechter toe-eigent of zich onbevoegd verklaart, zodat daaruit een geschil over jurisdictie ontstaat, dat enkel door een regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd. De bestreden beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die zich op voornoemde gronden onbevoegd verklaart, is geen dergelijke beslissing.
  5. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin een beslissing inzake bevoegdheid of met toepassing van de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering. De afstand kan worden verleend. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 163,63 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 4 december 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940711.3 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940907.5 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950517.12 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970611.11 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980204.6 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.8 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.22 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.13 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020918.12 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.12 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.