← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.7 Rolnummer: P.07.1163.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2007-12-26 Raadplegingen: 722 - laatst gezien 2026-07-03 21:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Er bestaat slechts een geschil inzake bevoegdheid als bedoeld in de artt. 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering, wanneer de rechter die kennisneemt van de strafvordering zich de bevoegdheid van een andere rechter toeeigent of zich onbevoegd verklaart, zodat daaruit een geschil over jurisdictie kan ontstaan dat de rechtsgang belemmert en enkel door een regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd

(1)
(2).
(1)Het O.M. concludeerde tot de verwerping. Volgens het O.M. was het cassatieberoep zonder voorwerp omdat de eiser, nog vóór het bestreden arrest van 5 juni 2007, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaarde om uitspraak te doen over eisers hoger beroep tegen de (gedeeltelijke) afwijzing door de raadsheer-onderzoeksrechter van hun verzoekschrift dat, in toepassing van art. 61quinquies Wetboek van Strafvordering, strekte tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen in het kader van het onderzoek, dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van art. 480 Wetboek van Strafvordering, wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in art. 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid, door de procureur-generaal, in toepassing van voormeld art. 479 Wetboek van Strafvordering voor het hof van beroep was gedagvaard. Door deze dagvaarding was de zaak reeds voor de rechter ten grond aanhangig en was er een einde gekomen aan de opdracht van de raadsheer-onderzoeksrechter: er was bijgevolg geen onderzoek meer aanhangig, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling ook geen rechtsmacht meer had om uitspraak te doen in het kader van dit onderzoek. Het Hof van Cassatie kon er derhalve ook nooit toe komen om de zaak terug te verwijzen naar de kamer van inbeschuldigingstelling. Volgens het O.M. kon, in de veronderstelling dat het Hof zou oordelen dat het cassatieberoep zonder voorwerp was, ook geen afstand verleend worden van de door eiser gedane afstand zonder berusting, omdat deze afstand uitging van de veronderstelling dat het cassatieberoep voorbarig was en het Hof geen akte van afstand verleent wanneer het oordeelt dat het cassatieberoep om een andere reden niet ontvankelijk is (Zie Cass., 8 dec. 1992, AR 6639, A.C., 1991-92, nr. 776; 7 sept. 1994, AR P.94.0381.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940907.5, A.C., 1994, nr. 361). Door de eisers werd aangevoerd dat de procureur-generaal bij het hof van beroep niet kon dagvaarden zolang de kamer van inbeschuldigingstelling over dit hoger beroep nog geen uitspraak had gedaan en de zaak dus nog "sub iudice" was. Het O.M. kon deze zienswijze niet delen, aangezien het Hof meermaals heeft beslist dat inzake voorrecht van rechtsmacht alleen het hof van beroep bevoegd is om in eerste en laatste aanleg uitspraak te doen (Cass., 19 sept. 1984, AR 3562, nr. 52), wat elke mogelijkheid van hoger beroep uitsluit. Deze rechtspraak is een zuivere toepassing van art. 479 Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat het hof van beroep uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld. Dit geldt overigens ook voor specifieke onderdelen van de procedure inzake voorrecht van rechtsmacht: zo heeft het Hof ook beslist dat inzake voorlopige hechtenis tegen een persoon die van voorrecht van rechtsmacht geniet, enkel de kamer van inbeschuldigingstelling in eerste en laatste aanleg beslist (Cass., 29 maart 1977, A.C. 1977, 827), waarbij bovendien nog uitdrukkelijk gepreciseerd werd dat dit geldt ongeacht of de door de eerste voorzitter van het hof van beroep aangewezen onderzoeksmagistraat behoort tot de rechtbank van eerste aanleg of tot het hof van beroep (Cass., 5 april 1989, Pas. 1989, I, nr. 432; Verstraeten, R., "Voorrecht van rechtsmacht" in Dupont, L en Spriet, B. (eds.), Strafrecht voor rechtspractici - IV). Er valt bijgevolg niet goed in te zien hoe een andere regeling zou kunnen worden voorgesteld voor andere procedure-incidenten, zoals bij het verzoek om het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen in de toepassing van art. 61quinquies Wetboek van Strafvordering. Het Hof heeft weliswaar beslist dat de regels inzake voorrecht van rechtsmacht het slachtoffer (en bij uitbreiding dus ook de persoon die als dader vervolgd wordt en van het voorrecht van rechtsmacht geniet) niet de mogelijkheid ontnemen om aan de bevoegde onderzoeksmagistraat bijkomende onderzoeksverrichtingen te vragen (Cass., 28 juni 2006, AR P.06.0427.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060628.21, nr. 362), maar het Hof heeft in dit arrest niet beslist dat bij weigering vanwege die onderzoeksmagistraat nog een hoger beroep mogelijk zou zijn bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Men dient daarbij voor ogen te houden dat inzake voorrecht van rechtsmacht het onderzoek dat gevoerd wordt door de onderzoeksmagistraat die aangewezen wordt in toepassing van art. 480 Wetboek van Strafvordering, eigenlijk verloopt zoals een gerechtelijk onderzoek in eerste aanleg, waarbij deze aangewezen onderzoeksmagistraat gelijk te stellen is met de onderzoeksrechter en de kamer van inbeschuldigingstelling de rol van de raadkamer overneemt. Zowel de onderzoeksmagistraat die aangewezen wordt door de eerste voorzitter van het hof van beroep (ongeacht of bij behoort tot de rechtbank van eerste aanleg of tot het hof van beroep) als de kamer van inbeschuldigingstelling zijn "organen" van eenzelfde hof van beroep, zodat de vraag kan gesteld worden hoe een orgaan van het hof van beroep (de kamer van inbeschuldigingstelling) een ander orgaan van ditzelfde hof van beroep (de onderzoeksmagistraat), dat niet haar ondergeschikte is, zou kunnen censureren door op te treden als "beroepsinstantie". Het bestaan van een eventuele mogelijkheid van hoger beroep binnen een procedure van voorrecht van rechtsmacht, waarvan de eisers uitgaan, lijkt dus in strijd te zijn met de procesvormen die door de artt. 479 en volgende Wetboek van Strafvordering worden voorgeschreven (art. 502 Sv). Binnen het kader van een procedure van voorrecht van rechtsmacht is elke mogelijkheid van hoger beroep dus uitgesloten. Dit geldt zowel voor de einduitspraak als voor elke beslissing die aan de einduitspraak voorafgaat en die uitgaat van de magistraat die, in toepassing van art. 480 Wetboek van Strafvordering door de eerste voorzitter van het hof van beroep werd aangewezen om het ambt van onderzoeksrechter waar te nemen of van de kamer van inbeschuldigingstelling. Aangezien geen hoger beroep mogelijk is, diende het hoger beroep van de eisers tegen de (gedeeltelijke) afwijzing door de raadsheer-onderzoeksrechter van hun verzoekschrift tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen van meet af aan als kennelijk niet-ontvankelijk beschouwd te worden. De vraag ijst dan ook of de procureur-generaal bij het hof van beroep, die de uitsluitende bevoegdheid heeft om te beslissen omtrent het al dan niet instellen van vervolgingen, eens hij de beslissing genomen heeft om daadwerkelijk de strafvordering in te stellen, moet wachten om te dagvaarden tot er een uitspraak komt over dit manifest niet-ontvankelijk hoger beroep. Het O.M. was van oordeel dat een dergelijk kennelijk niet-ontvankelijk hoger beroep geen hinderpaal vormt voor de dagvaarding. Een eerste praktische verantwoording voor die stelling kan reeds gevonden worden in de bezwaren die de tegenovergestelde zienswijze oplevert: wanneer de procureur-generaal bij het hof van beroep inderdaad een afwachtende houding zou moeten aannemen, zou dit meebrengen dat men hem telkens opnieuw zou kunnen confronteren met opeenvolgende niet-ontvankelijke hogere beroepen om hem te beletten tijdig of binnen een redelijke termijn te dagvaarden. Maar er is ook een juridisch argument voor de stelling dat de procureur-generaal niet dient te wachten: net zoals een manifest onontvankelijk cassatieberoep geen schorsende kracht heeft (Cass., 28 nov. 1979, A.C., 1979-80, 398; 9 jan. 1990, AR 2657, nr. 280; 19 april 1994, AR 6902, A.C., nr. 186; 10 dec. 2003, J.T., 2003, p. 883), heeft ook een manifest niet-ontvankelijk hoger beroep geen schorsende werking (Declercq, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4°ed. 2007, nr. 2910, p. 1252; Verstraeten, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave 2005, nr. 2258, p. 1050). De procureur-generaal bij het hof van beroep kon dus op dit manifest niet-ontvankelijk karakter van het hoger beroep anticiperen en de eisers onmiddellijk dagvaarden voor het hof van beroep, zonder de uitspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling te moeten afwachten.
(2)Cass., 30 nov. 1976, A.C., 1977, 371 met noot E.K.; 30 jan. 1991, AR 8773, nr. 286; 11 juli 1994, AR P.94.0794.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940711.3, nr. 344; 17 mei 1995, AR P.95.0536.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950517.12, nr. 242; 11 juni 1997, AR P.97.0736.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970611.11, nr. 269; 4 feb. 1998, AR P.98.0017.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980204.6, nr. 65; 9 juni 1999, AR P.99.0510.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.22, nr. 343; 13 okt. 1998, AR P.97.0368.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.8, nr. 422; 30 okt. 2001, AR P.01.1259.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.13, nr. 584; 18 sept. 2002, AR P.02.0874.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020918.12, nr. 459; 21 maart 2006, AR P.05.1701.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5, nr. 164; 4 dec. 2007, AR P.07.0813.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.4 en P.07.1207.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.12, nrs. .... en ....; De Codt, J., "Les fins de non-recevoir du pourvoi en matière repressive", in Liber Amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer, 2001, nr. 51; Bosly, H-D. en Vandermeersch, D., Droit de la procedure pénale, Brugge, Die keure, 2005, 1442; Verstraeten, R., Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nrs. 1279 en 2382; Declercq, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4°ed. 2007, nr. 859, p.421; Declercq, R., Cassation en matière répressive, R.P.D.B., Brussel, Bruylant, 2006, nrs. 195 en 216. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen STRAFRECHT - VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE (STRAFZAKEN) - Regeling van rechtsgebied Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geschil inzake bevoegdheid UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen STRAFRECHT - VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE (STRAFZAKEN) - Regeling van rechtsgebied Fiche 3 Het arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich zonder rechtsmacht verklaart om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een beschikking genomen in toepassing van art. 61quinquies Wetboek van Strafvordering in het kader van een onderzoek dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van art. 480 Wetboek van Strafvordering wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in art. 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid, op grond dat de aanstelling van een onderzoeksrechter door de eerste voorzitter met toepassing van voormeld art. 480 Wetboek van Strafvordering, de strafvordering niet instelt zodat de kamer van inbeschuldigingstelling zich over de strafvordering niet kan uitspreken, is geen arrest inzake bevoegdheid als bedoeld in de artt. 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering; het is evenmin een eindbeslissing en doet evenmin uitspraak in een der andere gevallen bedoeld in art. 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de verwerping. Volgens het O.M. was het cassatieberoep zonder voorwerp omdat de eiser, nog vóór het bestreden arrest van 5 juni 2007, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich onbevoegd verklaarde om uitspraak te doen over eisers hoger beroep tegen de (gedeeltelijke) afwijzing door de raadsheer-onderzoeksrechter van hun verzoekschrift dat, in toepassing van art. 61quinquies Wetboek van Strafvordering, strekte tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen in het kader van het onderzoek, dat geopend werd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van art. 480 Wetboek van Strafvordering, wegens de betrokkenheid bij de feiten van een persoon met een in art. 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid, door de procureur-generaal, in toepassing van voormeld art. 479 Wetboek van Strafvordering voor het hof van beroep was gedagvaard. Door deze dagvaarding was de zaak reeds voor de rechter ten grond aanhangig en was er een einde gekomen aan de opdracht van de raadsheer-onderzoeksrechter: er was bijgevolg geen onderzoek meer aanhangig, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling ook geen rechtsmacht meer had om uitspraak te doen in het kader van dit onderzoek. Het Hof van Cassatie kon er derhalve ook nooit toe komen om de zaak terug te verwijzen naar de kamer van inbeschuldigingstelling. Volgens het O.M. kon, in de veronderstelling dat het Hof zou oordelen dat het cassatieberoep zonder voorwerp was, ook geen afstand verleend worden van de door eiser gedane afstand zonder berusting, omdat deze afstand uitging van de veronderstelling dat het cassatieberoep voorbarig was en het Hof geen akte van afstand verleent wanneer het oordeelt dat het cassatieberoep om een andere reden niet ontvankelijk is (Zie Cass., 8 dec. 1992, AR 6639, A.C., 1991-92, nr. 776; 7 sept. 1994, AR P.94.0381.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940907.5, A.C., 1994, nr. 361). Door de eisers werd aangevoerd dat de procureur-generaal bij het hof van beroep niet kon dagvaarden zolang de kamer van inbeschuldigingstelling over dit hoger beroep nog geen uitspraak had gedaan en de zaak dus nog "sub iudice" was. Het O.M. kon deze zienswijze niet delen, aangezien het Hof meermaals heeft beslist dat inzake voorrecht van rechtsmacht alleen het hof van beroep bevoegd is om in eerste en laatste aanleg uitspraak te doen (Cass., 19 sept. 1984, AR 3562, nr. 52), wat elke mogelijkheid van hoger beroep uitsluit. Deze rechtspraak is een zuivere toepassing van art. 479 Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat het hof van beroep uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld. Dit geldt overigens ook voor specifieke onderdelen van de procedure inzake voorrecht van rechtsmacht: zo heeft het Hof ook beslist dat inzake voorlopige hechtenis tegen een persoon die van voorrecht van rechtsmacht geniet, enkel de kamer van inbeschuldigingstelling in eerste en laatste aanleg beslist (Cass., 29 maart 1977, A.C. 1977, 827), waarbij bovendien nog uitdrukkelijk gepreciseerd werd dat dit geldt ongeacht of de door de eerste voorzitter van het hof van beroep aangewezen onderzoeksmagistraat behoort tot de rechtbank van eerste aanleg of tot het hof van beroep (Cass., 5 april 1989, Pas. 1989, I, nr. 432; Verstraeten, R., "Voorrecht van rechtsmacht" in Dupont, L en Spriet, B. (eds.), Strafrecht voor rechtspractici - IV). Er valt bijgevolg niet goed in te zien hoe een andere regeling zou kunnen worden voorgesteld voor andere procedure-incidenten, zoals bij het verzoek om het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen in de toepassing van art. 61quinquies Wetboek van Strafvordering. Het Hof heeft weliswaar beslist dat de regels inzake voorrecht van rechtsmacht het slachtoffer (en bij uitbreiding dus ook de persoon die als dader vervolgd wordt en van het voorrecht van rechtsmacht geniet) niet de mogelijkheid ontnemen om aan de bevoegde onderzoeksmagistraat bijkomende onderzoeksverrichtingen te vragen (Cass., 28 juni 2006, AR P.06.0427.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060628.21, nr. 362), maar het Hof heeft in dit arrest niet beslist dat bij weigering vanwege die onderzoeksmagistraat nog een hoger beroep mogelijk zou zijn bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Men dient daarbij voor ogen te houden dat inzake voorrecht van rechtsmacht het onderzoek dat gevoerd wordt door de onderzoeksmagistraat die aangewezen wordt in toepassing van art. 480 Wetboek van Strafvordering, eigenlijk verloopt zoals een gerechtelijk onderzoek in eerste aanleg, waarbij deze aangewezen onderzoeksmagistraat gelijk te stellen is met de onderzoeksrechter en de kamer van inbeschuldigingstelling de rol van de raadkamer overneemt. Zowel de onderzoeksmagistraat die aangewezen wordt door de eerste voorzitter van het hof van beroep (ongeacht of bij behoort tot de rechtbank van eerste aanleg of tot het hof van beroep) als de kamer van inbeschuldigingstelling zijn "organen" van eenzelfde hof van beroep, zodat de vraag kan gesteld worden hoe een orgaan van het hof van beroep (de kamer van inbeschuldigingstelling) een ander orgaan van ditzelfde hof van beroep (de onderzoeksmagistraat), dat niet haar ondergeschikte is, zou kunnen censureren door op te treden als "beroepsinstantie". Het bestaan van een eventuele mogelijkheid van hoger beroep binnen een procedure van voorrecht van rechtsmacht, waarvan de eisers uitgaan, lijkt dus in strijd te zijn met de procesvormen die door de artt. 479 en volgende Wetboek van Strafvordering worden voorgeschreven (art. 502 Sv). Binnen het kader van een procedure van voorrecht van rechtsmacht is elke mogelijkheid van hoger beroep dus uitgesloten. Dit geldt zowel voor de einduitspraak als voor elke beslissing die aan de einduitspraak voorafgaat en die uitgaat van de magistraat die, in toepassing van art. 480 Wetboek van Strafvordering door de eerste voorzitter van het hof van beroep werd aangewezen om het ambt van onderzoeksrechter waar te nemen of van de kamer van inbeschuldigingstelling. Aangezien geen hoger beroep mogelijk is, diende het hoger beroep van de eisers tegen de (gedeeltelijke) afwijzing door de raadsheer-onderzoeksrechter van hun verzoekschrift tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen van meet af aan als kennelijk niet-ontvankelijk beschouwd te worden. De vraag ijst dan ook of de procureur-generaal bij het hof van beroep, die de uitsluitende bevoegdheid heeft om te beslissen omtrent het al dan niet instellen van vervolgingen, eens hij de beslissing genomen heeft om daadwerkelijk de strafvordering in te stellen, moet wachten om te dagvaarden tot er een uitspraak komt over dit manifest niet-ontvankelijk hoger beroep. Het O.M. was van oordeel dat een dergelijk kennelijk niet-ontvankelijk hoger beroep geen hinderpaal vormt voor de dagvaarding. Een eerste praktische verantwoording voor die stelling kan reeds gevonden worden in de bezwaren die de tegenovergestelde zienswijze oplevert: wanneer de procureur-generaal bij het hof van beroep inderdaad een afwachtende houding zou moeten aannemen, zou dit meebrengen dat men hem telkens opnieuw zou kunnen confronteren met opeenvolgende niet-ontvankelijke hogere beroepen om hem te beletten tijdig of binnen een redelijke termijn te dagvaarden. Maar er is ook een juridisch argument voor de stelling dat de procureur-generaal niet dient te wachten: net zoals een manifest onontvankelijk cassatieberoep geen schorsende kracht heeft (Cass., 28 nov. 1979, A.C., 1979-80, 398; 9 jan. 1990, AR 2657, nr. 280; 19 april 1994, AR 6902, A.C., nr. 186; 10 dec. 2003, J.T., 2003, p. 883), heeft ook een manifest niet-ontvankelijk hoger beroep geen schorsende werking (Declercq, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4°ed. 2007, nr. 2910, p. 1252; Verstraeten, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave 2005, nr. 2258, p. 1050). De procureur-generaal bij het hof van beroep kon dus op dit manifest niet-ontvankelijk karakter van het hoger beroep anticiperen en de eisers onmiddellijk dagvaarden voor het hof van beroep, zonder de uitspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling te moeten afwachten. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen STRAFRECHT - VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE (STRAFZAKEN) - Regeling van rechtsgebied Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Onderzoek gevorderd door de procureur-generaal in toepassing van artikel 480 Sv. - Verzoekschrift strekkende tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen - Afwijzing door de raadsheer-onderzoeksrechter - Hoger beroep - Arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich zonder rechtsmacht verklaart - Aard van een dergelijke beslissing - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.07.1163.N I. (cassatieberoep nr. 223/2007) DEXIA nv, inverdenkinggestelde, eiseres, met als raadslieden mrs. Hans Van Bavel, Sébastien Ryelandt, Benoît Allemeersch, Eline Tritsmans, Pascal Vanderveeren en Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel, en mrs. René Verstringhe en Hans Rieder, advocaten bij de balie te Gent. II. (cassatieberoep 224/2007) DEXIA nv, burgerlijke partij, eiseres, met als raadslieden mrs. Hans Van Bavel, Sébastien Ryelandt, Benoît Allemeersch, Eline Tritsmans, Pascal Vanderveeren en Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel, en mrs. René Verstringhe en Hans Rieder, advocaten bij de balie te Gent. III. (cassatieberoep 274/2007) DEXIA BANK BELGIË nv, inverdenkinggestelde, eiseres, met als raadslieden mrs. Hans Van Bavel, Sébastien Ryelandt, Benoît Allemeersch, Eline Tritsmans, Pascal Vanderveeren en Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel, en mrs. René Verstringhe en Hans Rieder, advocaten bij de balie te Gent. IV. (cassatieberoep 275/2007) DEXIA BANK BELGIË nv, burgerlijke partij, eiseres met als raadslieden mrs. Hans Van Bavel, Sébastien Ryelandt, Benoît Allemeersch, Eline Tritsmans, Pascal Vanderveeren en Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel, en mrs. René Verstringhe en Hans Rieder, advocaten bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en III zijn gericht tegen het arrest 908 van 5 juni 2007 van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. De cassatieberoepen II en IV zijn gericht tegen het arrest 909 van 5 juni 2007 van het Hof van Beroep te Gent, Kamer van inbeschuldigingstelling. De eiseressen voeren elk in een afzonderlijke memorie twee middelen aan. Zij doen ook zonder berusting afstand van hun cassatieberoep. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN De eiseressen maken het voorwerp uit van een strafrechtelijk onderzoek. Op vordering van de procureur-generaal te Gent, heeft de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Gent met toepassing van artikel 480 Wetboek van Strafvordering een magistraat van het hof van beroep als onderzoeksrechter aangewezen daar een persoon met een in artikel 479 van hetzelfde wetboek bedoelde hoedanigheid bij de feiten, voorwerp van het onderzoek, betrokken is. Op 14 maart 2007 hebben de eiseressen, eerst in hoedanigheid van burgerlijke partij en vervolgens in hoedanigheid van inverdenkinggestelde, met toepassing van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering een verzoekschrift neergelegd strekkende tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. Bij beschikkingen van 30 maart 2007 heeft de aangewezen magistraat-onderzoeksrechter van het hof van beroep die verzoekschriften gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige afgewezen. Tegen deze beschikkingen hebben de eiseressen hoger beroep ingesteld. Bij de bestreden arresten, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling zich zonder rechtsmacht verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep. Bij exploot van 4 mei 2007, is de eiseres I voor het Hof van Beroep te Gent gedagvaard teneinde er ten gronde over de strafvordering te worden beoordeeld. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstanden 1. De bestreden arresten beslissen dat de kamer van inbeschuldigingstelling zonder rechtsmacht is kennis te nemen van het hoger beroep van de eiseressen op grond dat de aanstelling van een onderzoeksrechter door de eerste voorzitter met toepassing van artikel 480 Wetboek van Strafvordering, de strafvordering niet instelt zodat de kamer van inbeschuldigingstelling zich over de strafvordering niet kan uitspreken. 2. De kamer van inbeschuldigingstelling was geroepen in hoger beroep uitspraak te doen tegen de beslissingen van de raadsheer-onderzoeksrechter genomen met toepassing van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering. Er bestaat slechts een geschil inzake bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering, wanneer de rechter die kennis neemt van de strafvordering zich de bevoegdheid van een andere rechter toe-eigent of zich onbevoegd verklaart, zodat daaruit een geschil over jurisdictie kan ontstaan dat de rechtsgang belemmert en enkel door regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd 3. De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die zich zonder rechtsmacht verklaart om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een beschikking genomen met toepassing van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering, is dergelijke beslissing niet. 4. Het arrest is evenmin een eindbeslissing en doet evenmin uitspraak in een der andere gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. 5. De afstanden kunnen worden verleend Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstanden. Veroordeelt de eiseressen in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 194,03 euro waarvan de eiseres I 50,01 euro verschuldigd is, de eiseres II 17,01 euro verschuldigd is en 30 euro betaald heeft, de eiseres III 50,01 euro verschuldigd is, de eiseres IV 17 euro verschuldigd is en 30 euro betaald heeft. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 4 december 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160608.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180321.13 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181121.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240124.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940711.3 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940907.5 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950517.12 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970611.11 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980204.6 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.8 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.22 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.13 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020918.12 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060628.21 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.