← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071206.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071206.3 Rolnummer: C.06.0185.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-28 Raadplegingen: 677 - laatst gezien 2026-07-03 21:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer in burgerlijke zaken de rechtsingang bij dagvaarding geschiedt, is de zaak bij de rechter aanhangig gemaakt op de datum van de betekening van de dagvaarding, voor zover de zaak op de algemene rol is ingeschreven voor de in de dagvaarding aangewezen datum van de zitting

(1).
(1)Cass., 2 mei 2002, AR C.99.0518.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020502.5, nr. 265. Thesaurus CAS: DAGVAARDING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Instellen van de vordering - Aanhangigmaking - Datum Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 12, 700, 716 en 717 Fiche 2 Het recht op planschadevergoeding ontstaat slechts vanaf het ogenblik dat een daad wordt gesteld die de minderwaarde tot uiting brengt en wanneer dergelijke daad niet wordt gesteld, vervalt het recht op vergoeding tien jaar na de inwerkingtreding van het plan; de datum van de betekening van de dagvaarding tot het verkrijgen van planschadevergoeding is bepalend om uit te maken of het feit dat het recht op schadevergoeding doet ontstaan , reeds voorhanden is
(1).
(1)Zie Cass., 16 april 1999, AR C.97.0518.N, nr. 215 en 17 maart 2000 (voltallige zitting), AR C.98.0406.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000317.6, nr.185, met concl. adv-gen. BRESSELEERS. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Planschadevergoeding - Recht op vergoeding - Ontstaan van het recht Wettelijke bepalingen: Wet - 29-03-1962 - Artt. 37 en 38 - 30 ELI link Pub nr 1962032904 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 12, 700, 716 en 717 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0185.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Minister-President, voor wie optreedt de minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  1. K.H.,
  2. K.M.,
  3. K.H.,
  4. K.M, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 september 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 12, 17, 18, 700, 716, 717 en 718 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 37, eerste en derde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 5 september 2005 verklaart het Hof van Beroep te Brussel het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, beslissende binnen de perken van de aldus ingestelde rechtsmiddelen verklaart hen ongegrond, met uitzondering voor wat betreft het incidenteel beroep omtrent de veroordeling tot de interesten, voorkomende in het vonnis van 14 december 2001, hervormt dit vonnis op dit punt en, opnieuw beslissende, veroordeelt de eiser, behalve tot de vergoedende gerechtelijke interesten vanaf 14 december 2001, zoals beslist door de rechter in eerste aanleg, bovendien tot de vergoedende gerechtelijke interesten vanaf 4 oktober 1988 tot 14 december 2001 aan een rentevoet van 3 pct. evenals tot de kosten van hoger beroep. Het hof van beroep bevestigt aldus het tussenvonnis van 3 februari 1994, waarbij de eerste rechter, wiens redenen het hof van beroep overneemt, verklaarde dat de eiser ten onrechte aanvoerde dat het vorderingsrecht van de verweerders op het moment van de dagvaarding nog niet was ontstaan en dat bijgevolg de vordering onontvankelijk was, evenals het daaropvolgend vonnis van 1 juni 2001, waarbij de rechtbank vaststelde dat het perceel van de verweerders op de dag die voorafgaat aan de inwerkingtreding van het gewestplan normaal bestemd was tot bouwgrond, waarna het de heropening der debatten beval teneinde de verweerders toe te laten een kopie van de aangifte van nalatenschap van hun rechtsvoorganger mee te delen aan het Vlaamse Gewest en conclusies te nemen, en het eindvonnis van 14 december 2001, waarbij eiser werd veroordeeld tot betaling aan de verweerders van de som van 16.076,73 euro, meer de gerechtelijke interest vanaf de dag van uitspraak van dit vonnis, mits hoger vernoemde wijziging. Dit arrest is gestoeld op volgende overwegingen: "
  5. De partijen laten gelden dat op 28 juli 1978 het gewestplan Herentals-Mol werd goedgekeurd bij koninklijk besluit dat werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 september
  6. Dit betekent dat het met toepassing van artikel 10 van de wet van 29 maart 1962 in werking is getreden op 5 oktober
  7. Volgens dit Gewestplan werd het perceel, voorwerp van huidig geding, blijkbaar opgenomen in natuurgebied. De partijen leggen omtrent dit gewestplan geen enkel stuk neer.
  8. Op 11 februari 1988 - een zestal maanden vooraleer het gewestplan van 28 juli 1978 zijn tiende verjaardag zou vieren - vroeg notaris Wellens te Mortsel, optredende voor de erven Armandus K.-Mels, aan de gemeente Bouwel een stedenbouwkundig attest nr.
  9. Op 8 augustus 1988 stuurde notaris Wellens een herinnering aan de gemeente Bouwel in verband met zijn verzoek van 1 februari
  10. Op 7 september 1988 antwoordde de gemeente dat zij nog steeds geen antwoord ontving van de dienst stedenbouw. Op 3 oktober 1988 werd gedagvaard in huidig geding. Op 4 oktober 1988 werd het stedenbouwkundig attest nr. 1 afgeleverd door de gemeente Bouwel met de vermelding, verwijzend naar ‘inlichtingen verstrekt door de gemachtigde ambtenaar': ‘het eigendom ligt in een natuurgebied waar enkel handelingen, vereist voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu aanvaardbaar zijn. Het komt derhalve niet in aanmerking voor bebouwing'.
  11. De bij dagvaarding van 3 oktober 1988 ingestelde vordering, zoals zij thans in hoger beroep aanhangig is, is gesteund op artikel 37 van de wet van 29 maart 1962, zoals vervangen door artikel 2 van de wet van 22 december 1970 en gewijzigd door artikel 12, §4, van de wet van 12 juli 1976 en door artikel 177 en 178 van de wet van 22 december
  12. Dit artikel voorziet in zijn eerste lid in het principe van een schadevergoeding "wanneer het bouw- of verkavelingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding". Naar luid van het tweede lid van artikel 38 van dezelfde wet, gewijzigd door artikel 179 van de wet van 22 december 1977, vervallen de vorderingen tot betaling van vergoedingen ‘een jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig artikel 37, derde lid. Indien geen vergunning wordt aangevraagd is de termijn tien jaren te rekenen van de datum van inwerkingtreding van het plan (...)'. Het derde lid van artikel 37 van de besproken wet luidt als volgt: ‘Het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavalingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest'.
  13. Omtrent de hierboven besproken regels werd beslist (Cass. 13 december 2002, C 99.0538.N): ‘(...) dat met betrekking tot goederen die het voorwerp zijn van een plan van aanleg, de minderwaarde ontstaat op het ogenblik dat het plan van aanleg uitwerking heeft, maar het recht op schadevergoeding slechts ontstaat vanaf het ogenblik dat een daad wordt gesteld die de minderwaarde tot uiting brengt; dat wanneer geen daad wordt gesteld die de minderwaarde tot uiting brengt, het recht op vergoeding vervalt tien jaar na de inwerkingtreding van het plan; dat de tienjarige termijn een maximumtermijn is en na het verstrijken ervan geen schadevergoeding kan verkregen worden ook niet als na die termijn binnen het jaar gevorderd wordt op grond dat het goed werd overgedragen of dat een bouw- of verkavelingsvergunning werd geweigerd of dat een negatief stedenbouwkundig attest werd afgeleverd';
  14. Terzake hebben de eigenaars binnen de 10 jaar, te rekenen van de datum van inwerkingtreding van het gewestplan, een stedenbouwkundig attest aangevraagd en ook gedagvaard in schadevergoeding. De dagvaarding werd betekend voor de zitting van 21 oktober 1988 en ingeschreven op de algemene rol op 20 oktober
  15. De sanctie van artikel 717 van het Gerechtelijk Wetboek is bijgevolg op deze dagvaarding niet toepasselijk. De dagvaarding is wel degelijk van waarde, niet op de dag van haar inschrijving op de algemene rol, maar - ingevolge de tijdige inschrijving op de algemene rol - op de datum van haar betekening, meer bepaald op 3 oktober
  16. Het middel dat gesteund is op de tienjarige vervaltermijn van artikel 38, tweede lid, tweede zin, van de Stedenbouwwet is bijgevolg ongegrond.
  17. De bepalingen van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw zijn van openbare orde. Het recht op schadevergoeding, bedoeld in artikel 37 Stedenbouwwet ontstaat slechts vanaf het ogenblik dat een daad wordt gesteld die de minderwaarde tot uiting brengt. De vordering tot het toekennen van deze schadevergoeding kan niet worden aangenomen zolang aan de eisers geen bouw- of verkavelingsvergunning is geweigerd of zij geen negatief stedenbouwkundig attest hebben gekregen. Ter zake moet worden vastgesteld: - dat het stedenbouwkundig attest nr. 1 werd aangevraagd op 1 februari 1988, verschillende maanden voor het bereiken van het tienjarige verval, bedoeld in artikel 38, tweede lid, Stedenbouwwet; - dat dit attest, naar luid van artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970, moest worden afgegeven ‘binnen veertig dagen na de aanvraag'; - dat het betrokken perceel blijkbaar - maar de partijen leggen ook daarover geen bewijsstukken neer - het voorwerp was van een rangschikking als landschap, die nadien zou zijn vernietigd; dat uit het afgeleverde attest blijkt dat ook het advies werd gevraagd van het bestuur voor monumenten- en landschapszorg, advies dat zou verleend zijn op 18 april 1988; - dat het attest uiteindelijk werd afgeleverd, zeer bondig - meer bepaald zonder dat op het formulier de nodige doorhalingen werden verricht of dat werd verwezen naar het gewestplan - op 4 oktober 1988, zijnde de dag voor het bereiken van de tienjarige vervaltermijn van artikel 38, tweede lid, van de Stedenbouwwet; - dat de eisers hadden gedagvaard op 3 oktober 1988, twee dagen voor het bereiken van diezelfde vervaltermijn (...); - dat de eisers hun dagvaarding hebben laten inschrijven op de algemene rol op 20 oktober 1988, daags voor de inleidingszitting, maar ook nadat zij kennis hadden kunnen nemen van het negatief attest. (...)
  18. In de gegeven omstandigheden moet worden geoordeeld dat de huidige vordering, bij wijze van dagvaarding en inschrijving op de algemene rol, werd ingesteld nadat een negatief stedenbouwkundig attest werd verkregen en vooraleer de vordering vervallen was. De vordering werd bijgevolg terecht ontvankelijk verklaard en het op dit punt ingestelde hoger beroep is ongegrond". De eerste rechter oordeelde terzake in het tussenvonnis van 3 februari 1994: "(...) dat (de eiser) vervolgens eveneens ten onrechte aanvoert dat het vorderingsrecht van (de verweerders) op het moment van de dagvaarding (3 oktober 1988) nog niet was ontstaan en dat bijgevolg de vordering onontvankelijk is. (...) dat niet betwist wordt dat het negatief stedenbouwkundig attest afgeleverd werd op 4 oktober 1988; (...) dat de aflevering van een negatief stedenbouwkundig attest volstaat zonder dat bovendien een aanvraag tot verkaveling of bouwvergunning voor de inwerkingtreding van het gewestplan vereist wordt; (...) dat de dagvaarding daarentegen betekend werd op 3 oktober 1988; (...) dat de zaak echter slechts ingeschreven werd op de algemene rol op 20 oktober 1988; (...) dat de rechtbank pas gevat wordt op het ogenblik van de inschrijving op de algemene rol; (...) dat op dat ogenblik het vereiste belang van artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek derhalve aanwezig was; Dat artikel 717 van het Gerechtelijk Wetboek immers bepaalt dat de dagvaarding geen enkele uitwerking heeft op het vlak van de rechtspleging, noch t.o.v. de burgerlijke gevolgen van de dagvaarding (stuiting van de verjaring) indien de zaak niet ingeschreven is op de algemene rol voor de zitting die is aangegeven in de dagvaarding; (...) dat het door (de eiser) ingeroepen middel dan ook niet kan worden weerhouden. (...) dat uit de voorgaande beschouwingen onder nr. 1, 2, 3 volgt dat de vordering zoals ingesteld door (de verweerders) ontvankelijk is". Grieven Eerste onderdeel Luidens artikel 37, derde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw ontstaat het recht op schadevergoeding, verschuldigd overeenkomstig het eerste lid van voornoemd artikel 37, wanneer het aangevoerde bouw- of verkavelingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding, ofwel bij de overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsverguning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest. Uit deze bepaling volgt dat een op dat artikel gegronde vordering tot schadevergoeding niet kan worden toegelaten zolang de afgifte van een bouw- of verkavelingsvergunning niet is geweigerd aan de eiser of deze geen negatief stedenbouwkundig attest, heeft verkregen. Immers, indien met betrekking tot de goederen, die het voorwerp zijn van een plan van aanleg, de minderwaarde ontstaat op het ogenblik dat het plan van aanleg uitwerking heeft, ontstaat het recht op schadevergoeding slechts vanaf het ogenblik dat een daad gesteld wordt die de minderwaarde tot uiting brengt. Iedere vordering, ingesteld alvorens één van deze drie gebeurtenissen zich heeft voorgedaan, is zodoende voorbarig. De toelaatbaarheid van een vordering wordt immers beoordeeld op het tijdstip van inleiding van de vordering, tijdstip waarop de eiser overeenkomstig artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek hoedanigheid en een reeds verkregen en dadelijk belang dient te hebben om de vordering in te dienen. Opdat de vordering, strekkende tot het bekomen van een planschadevergoeding, op toelaatbare wijze zou zijn ingeleid dient er zodoende voldaan te zijn aan de voorwaarde van afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest op het ogenblik van de inleiding van de vordering. Hieruit volgt dat, waar het hof van beroep zelf uitdrukkelijk vaststelt, enerzijds, dat het recht op schadevergoeding, bedoeld in artikel 37 van de Stedenbouwwet slechts ontstaat vanaf het ogenblik dat een daad wordt gesteld die de minderwaarde tot uiting brengt, anderzijds dat het negatief stedenbouwkundig attest werd afgeleverd op 4 oktober 1988, hetzij na de betekening van de dagvaarding, waarbij de vordering, strekkende tot het bekomen van een planschadevergoeding bij de rechtbank van eerste aanleg aanhangig werd gemaakt, hetgeen inhoudt dat bij de indiening van de vordering niet was voldaan aan de vereisten gesteld bij voornoemd artikel 37, het niet wettig kon besluiten dat de vordering terecht ontvankelijk werd verklaard (schending van de artikelen 37, eerste en derde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Krachtens artikel 12, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek opent de inleidende vordering het rechtsgeding. Uit artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat hoofdvorderingen bij dagvaarding worden gebracht voor de rechter, onverminderd de bijzondere regels inzake de vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. Artikel 716 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt voorts dat de zaken worden ingeschreven op de algemene rol uiterlijk de dag voor de zitting waarvoor de dagvaarding is gedaan. De zaak kan niet op de algemene rol worden ingeschreven wanneer die termijn verstreken is. Blijkens artikel 717 van het Gerechtelijk Wetboek is de dagvaarding van gener waarde indien de zaak niet ingeschreven is op de algemene rol voor de zitting die is aangegeven in de dagvaarding. Ten slotte bepaalt artikel 718 van het Gerechtelijk Wetboek dat de inschrijving op de algemene rol geschiedt op overlegging van het origineel of in voorkomend geval van het betekende afschrift van het exploot van dagvaarding. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat wanneer de rechtsingang bij dagvaarding geschiedt de zaak bij de rechter is aanhangig gemaakt op datum van betekening van de dagvaarding voorzover de zaak op de algemene rol is ingeschreven voor de zitting die in de dagvaarding is aangegeven. Derhalve moet er ten laatste op het tijdstip van de betekening van de dagvaarding, waarbij de hoofdvordering voor de rechter aanhangig wordt gemaakt, voldaan zijn aan de vereisten van toelaatbaarheid van de vordering. De vordering strekkende tot het bekomen van een planschadevergoeding zal bijgevolg niet kunnen worden toegestaan indien op het tijdstip van het instellen ervan niet is voldaan aan één van de in artikel 37, derde lid, van de Stedenbouwwet gestelde vereisten, zonder dat het naderhand verwerven van een negatief stedenbouwkundig attest nog vermag iets te verhelpen aan de niet-toelaatbaarheid van de oorspronkelijk ingestelde eis. Besluit Waar het hof van beroep bij het bestreden arrest oordeelt dat de vordering toelaatbaar is, niettegenstaande het negatief stedenbouwkundig attest eerst op 4 oktober 1988, hetzij daags na de datum waarop de dagvaarding aan de eiser werd betekend, werd afgeleverd, oordelende dat het voor de toelaatbaarheid van de vordering volstaat dat aan de vereiste van afgifte is voldaan op het tijdstip van inschrijving van de dagvaarding op de algemene rol, doet het uitspraak in miskenning van het tijdstip waarop de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt (schending van artikelen 12, tweede lid, 700, 716, 717 en 718 van het Gerechtelijk Wetboek) en kon het bijgevolg, op grond van diezelfde vaststellingen, waaruit blijkt dat bij de indiening van de vordering niet was voldaan aan de vereisten van het derde lid van artikel 37 van de Stedenbouwwet, niet wettig beslissen dat de vordering, strekkende tot het bekomen van een planschadevergoeding, ingeleid bij de dagvaarding van 3 oktober 1988, ontvankelijk was (schending van de artikelen 37, eerste en derde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel Ontvankelijkheid
  19. De verweerders werpen op dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat het arrest vaststelt dat de verweerders houder zijn van een subjectief recht en daaruit wettig kon besluiten dat de vordering ontvankelijk was.
  20. De opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel is vreemd aan de in het tweede onderdeel aangevoerde grief met betrekking tot de ontvankelijkheidsvereiste van het voorhanden zijn van het feit dat het recht op planschadevergoeding doet ontstaan op het ogenblik van de dagvaarding. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Onderdeel zelf
  21. Artikel 37, eerste lid, van de Stedenbouwwet bepaalt dat schadevergoeding al naar het geval verschuldigd is door het Rijk, de vereniging van gemeenten of de gemeente, wanneer het bouw- of verkavelingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat plan. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest. Artikel 38, tweede lid, van die wet bepaalt dat de vorderingen vervallen één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig artikel 37, derde lid, en dat indien geen vergunning wordt aangevraagd, de termijn tien jaren is te rekenen van de datum van inwerkingtreding van het plan, onverminderd de termijn van vijftien jaren gesteld voor vorderingen tot vergoeding als bedoeld in het laatste lid van artikel
  22. Uit die bepalingen volgt dat het recht op schadevergoeding slechts ontstaat vanaf het ogenblik dat een daad wordt gesteld die de minderwaarde tot uiting brengt en dat wanneer dergelijke daad niet wordt gesteld, het recht op vergoeding vervalt tien jaar na de inwerkingtreding van het plan.
  23. Krachtens artikel 12, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, opent de inleidende vordering het rechtsgeding. Krachtens artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. Krachtens artikel 716, eerste lid, van hetzelfde wetboek, worden de zaken op de algemene rol ingeschreven uiterlijk de dag voor de zitting waarvoor de dagvaarding is gedaan. Artikel 717 van dit wetboek bepaalt dat indien de zaak niet is ingeschreven op de algemene rol voor de zitting die aangegeven is in de dagvaarding, deze van gener waarde is. Uit de samenhang van die artikelen volgt dat, wanneer de rechtsingang bij dagvaarding geschiedt, de zaak bij de rechter aanhangig is gemaakt op de datum van de betekening van de dagvaarding, voor zover de zaak op de algemene rol is ingeschreven vóór de in de dagvaarding aangewezen datum van de zitting. Aldus is, voor een vordering tot het verkrijgen van planschadevergoeding in de zin van artikel 37, eerste lid, van de Stedenbouwwet, de datum van de betekening van de dagvaarding bepalend om uit te maken of op het ogenblik van de dagvaarding het in artikel 37, derde lid, van die wet bepaalde feit dat het recht op schaderegeling doet ontstaan, reeds voorhanden is.
  24. Het arrest oordeelt, zonder daaromtrent te worden bekritiseerd dat: - de eigenaars, binnen tien jaar, te rekenen van de datum van de inwerkingtreding van het gewestplan, een stedenbouwkundig attest hebben aangevraagd en ook gedagvaard in schadevergoeding; - de dagvaarding van waarde is, niet op de datum van inschrijving op de rol, maar op datum van haar betekening op 3 oktober 2003; - de vordering tot schadevergoeding niet kan worden aangenomen, zolang aan de eisers geen bouw- of verkavelingvergunning is geweigerd of zij geen negatief stedenbouwkundig attest hebben verkregen.
  25. Door daaropvolgend te oordelen dat: - de eisers hun dagvaarding hebben laten inschrijven op de algemene rol daags voor de inleidingszitting, maar ook nadat zij kennis hadden kunnen nemen van het negatief attest; - in de gegeven omstandigheden de huidige vordering bij wijze van dagvaarding en inschrijving op de algemene rol werd ingesteld nadat een negatief stedenbouwkundig attest werd verkregen en vooraleer de vordering vervallen was, en op die grond de vordering van de verweerders ontvankelijk te verklaren en het op dit punt ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren, miskent het arrest de artikelen 12, tweede lid, 700, 716 en 717 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 37, eerste en derde lid, van de Stedenbouwwet. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  26. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre beslist over de vordering van de verweerders tegen de eiser tot het verkrijgen van schadevergoeding op grond van planschade en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en op de openbare terechtzitting van 6 december 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071206.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181005.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990416.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000317.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020502.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141107.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.