← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.4 Rolnummer: S.07.0036.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 661 - laatst gezien 2026-07-03 08:17 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de bepalingen van de artikelen 115, 115bis en 116 van de Programmawet van 30 december 1988 volgt dat een nieuwe indienstneming geen recht geeft op de bedoelde bijdragevermindering wanneer zij niet gepaard gaat met enige reële werkgelegenheidsschepping en dat de vereiste netto-aangroei van het personeelsbestand wordt beoordeeld aan de hand van het totaal aantal door de werkgever tewerkgestelde werknemers en de door hem aangegeven loonmassa aan 100 procent, zonder dat hierbij enig onderscheid wordt gemaakt naar gelang het statuut van de werknemers of de aard van het door hen verrichte werk

(1).
(1)Zie Cass., 12 nov. 2007, AR S.06.0108.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071112.2, nr. ... Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Verminderingen Vrije woorden: Werkgevers - Bijdragevermindering - Zelfde technische bedrijfseenheid - Netto aangroei van het personeelsbestand - Statuut van de werknemer of aard van het verrichte werk - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 30-12-1988 - Artt. 115, 115bis en 116 Fiche 2 In acht genomen de door de wetgever beoogde reële werkgelegenheidsschepping en het feit dat deze beoordeeld wordt zonder dat hierbij een onderscheid wordt gemaakt naar gelang het statuut van de werknemers of de aard van het door hen verricht werk, is er sprake van vervanging in de zin van artikel 117, § 2 van de Programmawet van 30 december 1988, ook indien de nieuw in dienst genomen werknemer een ander statuut heeft of een werk van een andere aard verricht dan de voorheen in dezelfde technische bedrijfseenheid tewerkgestelde werknemer in wiens plaats hij komt. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Verminderingen Vrije woorden: Werkgevers - Bijdragevermindering - Zelfde technische bedrijfseenheid - Vervangen van een werknemer Wettelijke bepalingen: Wet - 30-12-1988 - Art. 117, § 2 Tekst van de beslissing Nr. S.07.0036.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BOUWONDERNEMING DEBAILLIE E. EN ZOON, naamloze vennoot-schap, met vennootschapszetel te 8470 Gistel, Oostendsebaan 142, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 september 2006 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 115, 115bis, 116 en 117 van de Programmawet van 30 december
  1. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter in al zijn beschikkingen en verklaart zodoende de vordering van de eiser ongegrond. De beslissing dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 niet zijn vervuld en dat de verweerster kan genieten van de bijdragevermindering voorzien in de artikelen 115 en 115bis van de Programmawet van 30 december 1988 werd op de volgende overwegingen gestoeld: "Onder de voorwaarden bepaald in titel III, hoofdstuk VII, van de Programmawet van 30 december 1988 (de artikelen 114 tot 129) kon de werkgever een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid genieten voor een nieuw in dienst genomen werknemer, wanneer door die tewerkstelling een netto aangroei van het personeelsbestand werd gerealiseerd. Deze maatregel ter bevordering van de tewerk-stelling wordt gemeenzaam het Plus-1-plan genoemd. Zoals uitdrukkelijk uit het opschrift van titel III, hoofdstuk VII, van de Programmawet van 30 december 1988 blijkt, beoogt de tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid de bevordering van de tewerkstelling. Uit de parlementaire voorbereiding van de Programmawet van 30 december 1988 blijkt dat het bepaalde in artikel 117, §2 tot doel heeft te vermijden dat de loutere wijziging van het juridisch statuut van de werkgever, zonder enige reële werkgelegenheidsschepping, recht geeft op het voordeel van de vermindering (Memorie van Toelichting, Parl. St., Kamer, 1988-89, nr. 609/1, 58). Een werknemer die, ingevolge de wijziging van het juridisch statuut van zijn werkgever, in dienst treedt van een nieuwe werkgever, maar zijn bestaande tewerkstelling binnen dezelfde technische bedrijfseenheid voortzet, zodat er geen reële werkgelegenheidsschepping is, vervangt (g)een werknemer in de zin van artikel 117, §2 van de Programmawet van 30 december 1988, zodat de nieuwe werkgever voor de indienstneming van deze werknemer niet kan genieten van de tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen (Cass., 19 mei 2003, J. T. T. , 2003, 383). (...) Het staat vast dat de betrokken werknemer, P.J. , voordien nooit in dienst is geweest van de eenmanszaak van de gedelegeerd bestuurder van (de verweerster) zodat er in ieder geval geen sprake is van de voortzetting van de eigen tewerkstelling binnen dezelfde technische bedrijfseenheid. "Uit het onderzoeksverslag blijkt verder dat de betrokken werknemer werd tewerkgesteld als bediende - (de verweerster) heeft nooit arbeiders in dienst gehad - en van opleiding industrieel ingenieur was. Zijn taak bestond uit de coördinatie van de onderaannemingen bij lopende bouwprojecten en de opvolging van problemen gerezen met vorige projecten. De werknemers die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan zijn indienstneming door (de verweerster) uit dienst zijn getreden bij de algemene bouwonderneming van haar gedelegeerd bestuurder - twee van de vier zijn overgegaan naar de NV Decova die kennelijk eveneens van dezelfde technische bedrijfseenheid deel uitmaakt - waren daarentegen allemaal tewerkgesteld als arbeider. Het is bijgevolg duidelijk dat de tewerkstelling van P.J. evenmin de voortzetting is van de tewerkstelling van één van de werknemers die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan zijn indienstneming uit dienst zijn getreden bij de eenmanszaak van de gedelegeerd bestuurder van (de verweerster). Bij ontstentenis van definitie in artikel 117, §2 van de Programmawet van 30 december 1988 moet het werkwoord `vervangen' in zijn gebruikelijke betekenis van ‘de plaats innemen van' worden begrepen. Er kan echter geenszins worden gesteld dat P.J. de plaats heeft ingenomen van een bouwvakker, daarvoor is de aard van zijn tewerkstelling te verschillend. De toepassingsvoorwaarden van artikel 117, §2 van de Programmawet van 30 december 1988 zijn derhalve niet vervuld". Grieven
  2. De werkgever die, zoals de verweerster, voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 117, §1, van de Programmawet van 30 december 1988, kan, overeenkomstig de artikelen 115, 115bis en 116 van diezelfde wet, aanspraak maken op een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling, voor de nieuw in dienst genomen werknemer die met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangenomen en die een netto-aangroei van het personeelsbestand uitmaakt. Deze maatregel werd genomen ter bevordering van de tewerkstelling. Overeenkomstig artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988, kan de in paragraaf 1 bedoelde werkgever evenwel niet genieten van de tijdelijke bijdragevermindering, voorzien in hoofdstuk VII van de Programmawet, indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam geweest is. Uit deze bepaling volgt dat een nieuwe indienstneming geen recht geeft op de bedoelde bijdragevermindering wanneer zij niet gepaard gaat met enige reële werkgelegenheidsschepping in dezelfde technische bedrijfseenheid.
  3. De nieuw in dienst genomen werknemer, die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan zijn indienstneming niet in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest en dus zichzelf niet kan vervangen, zoals het geval was met P.J. , kan voor de toepassing van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 om het even welke werknemer vervangen die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan zijn indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest. Opdat er sprake kan zijn van het vervangen van een werknemer in de zin van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 is niet vereist dat de nieuw in dienst genomen werknemer specifiek dezelfde tewerkstelling voortzet van de werknemer wiens plaats hij inneemt, noch dat de aard van de tewerkstelling en de functie gelijkaardig zijn. Een werknemer die als bediende in dienst wordt genomen, kan derhalve in de zin van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 een werknemer "vervangen" die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan zijn indienstneming als arbeider werkzaam is geweest in dezelfde technische bedrijfseenheid en die prestaties heeft verricht die totaal verschillend zijn van deze uitgeoefend door de nieuw in dienst genomen werknemer.
  4. De nieuw in dienst genomen werknemer vervangt een werknemer die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest, telkens wanneer die indienstneming niet gepaard gaat met enige reële werkgelegenheidsschepping binnen dezelfde technische bedrijfseenheid. De notie "vervangen" in de zin van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 staat derhalve in verband met de vereiste dat de nieuwe indienstneming een netto-aangroei van het personeelsbestand moet uitmaken, zoals bedoeld in de artikelen 115 en 116 van de Programmawet van 30 december
  5. Enkel wanneer de nieuw in dienst genomen werknemer een netto-aangroei van het personeelsbestand teweegbrengt in dezelfde technische bedrijfseenheid, kan geen toepassing worden gemaakt van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 in zoverre alsdan niet kan worden gesteld dat hij de plaats heeft ingenomen van een werknemer die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan zijn indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest.
  6. Het bestreden arrest stelde vast dat de nieuw in dienst genomen werknemer, P.J. , die als bediende werd aangeworven, voordien nooit in dienst is geweest binnen dezelfde technische bedrijfseenheid zodat er geen sprake was van de voortzetting van de eigen tewerkstelling, terwijl er evenmin sprake kon zijn van de voortzetting van de tewerkstelling van één van de werknemers die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan zijn indienstneming uit dienst zijn getreden bij de eenmanszaak van de gedelegeerd bestuurder van de verweerster in zoverre deze werknemers allen waren tewerkgesteld als arbeider, meer bepaald als bouwvakker, zodat P.J. , als bediende, hun plaats niet kan hebben ingenomen : "daarvoor is de aard van zijn tewerkstelling te verschillend". Het bestreden arrest verengde zodoende het toepassingsgebied van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 tot de nieuw in dienst genomen werknemer die effectief dezelfde plaats of functie inneemt of gelijkaardige prestaties levert als de werknemer die hij vervangt en voegde zodoende een beperkende voorwaarde toe aan deze bepaling die er niet in voorkomt. Het bestreden arrest ging bovendien niet na of de indienstneming van P.J. in werkelijkheid wel beantwoordde aan enige reële werkgelegenheidsschepping in dezelfde technische bedrijfseenheid en nam in dat verband kennelijk genoegen met het gegeven dat de indienstneming van P.J. aanleiding gaf tot de creatie van een nieuwe functie die voordien niet aanwezig was binnen dezelfde technische bedrijfseenheid.
  7. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing dat de toepassingvoorwaarden van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 niet zijn vervuld, niet wettig heeft kunnen gronden op de rechtsopvatting dat de nieuw in dienst genomen werknemer slechts een werknemer kan vervangen in de zin van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 wanneer hij effectief diens tewerkstelling voortzet en hetzelfde of een gelijkaardig werk verricht, noch wettig de vordering van de eiser ongegrond heeft kunnen verklaren zonder vast te stellen dat de betrokken nieuw in dienst genomen werknemer een netto-aangroei van het personeelsbestand heeft uitgemaakt (schending van de artikelen 115, 115bis, 116 en 117 van de Programmawet van 30 december 1988). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Ontvankelijkheid van het middel
  8. De verweerster werpt op dat het middel nieuw is in de mate dat het aanvoert dat het arrest een netto-aangroei van het personeelsbestand van de verweerster had moeten vaststellen en voorts dat het middel alleszins opkomt tegen een feitelijke beoordeling.
  9. Het arrest stelt in de opgave van de beroepsgrieven vast dat de eiser aanvoerde dat het aantal werknemers in dezelfde technische bedrijfseenheid stelselmatig verminderd was, zodat de genaamde J. alleszins de plaats van één van de werknemers opvulde. Het arrest vermeldt dat artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 een reële werkgelegenheidsschepping vereist voor de vermindering van de werkgeversbijdragen, maar verwerpt de vordering van de eiser op grond dat de genaamde J. alleszins geen vervanger kan zijn in de zin van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december
  10. In zoverre mist de grond van niet-ontvankelijkheid feitelijke grondslag.
  11. Het middel komt niet op tegen een feitelijke beoordeling maar voert een miskenning aan van het begrip "vervanging", zoals bedoeld in voormeld artikel 117, §
  12. In zoverre mist de grond van niet-ontvankelijkheid feitelijke grondslag. Het middel zelf
  13. Krachtens de bepalingen van de artikelen 115 en 115bis van de Programmawet van 30 december 1988, kan de werkgever, die aan de voorwaarden bepaald in artikel 117, §1, van diezelfde wet voldoet, genieten van een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling voor de nieuw in dienst genomen werknemer die met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangenomen en die een netto-aangroei van het personeelsbestand uitmaakt. Krachtens artikel 116 van de voormelde programmawet wordt de aangroei van het personeelsbestand als een netto-aangroei beschouwd in geval op het einde van de in het artikel bepaalde kwartalen het aantal door de werkgever tewerkgestelde werknemers en de door hem bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangegeven loonmassa aan 100 procent, die van bepaalde voorgaande kwartalen overstijgt. Uit deze bepalingen volgt dat een nieuwe indienstneming geen recht geeft op de bedoelde bijdragevermindering wanneer zij niet gepaard gaat met enige reële werkgelegenheidsschepping en dat de vereiste netto-aangroei van het personeelsbestand wordt beoordeeld aan de hand van het totaal aantal door de werkgever tewerkgestelde werknemers en de door hem aangegeven loonmassa aan 100 procent, zonder dat hierbij enig onderscheid wordt gemaakt naar gelang het statuut van de werknemers of de aard van het door hen verricht werk.
  14. Krachtens artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988, geniet de in paragraaf 1 bedoelde werkgever niet van de tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest.
  15. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze uitzondering tot doel heeft te vermijden dat een loutere wijziging van de rechtspersoonlijkheid van de werkgever zonder enige reële werkgelegenheidsschepping in dezelfde technische bedrijfseenheid, recht geeft op het voordeel van de maatregel. In acht genomen het aldus door de wetgever beoogd doel en de omstandigheid dat de vereiste reële werkgelegenheidsschepping te beoordelen is zonder dat hierbij een onderscheid wordt gemaakt naar gelang het statuut van de werknemers of de aard van het door hen verricht werk, is er sprake van vervanging in de zin van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988, ook indien de nieuw in dienst genomen werknemer een ander statuut heeft of een werk van een andere aard verricht dan een voorheen in dezelfde technische bedrijfseenheid tewerkgestelde werknemer.
  16. De appelrechters stellen vast dat: - de nieuw in dienst genomen werknemer van opleiding industrieel ingenieur was en werd tewerkgesteld als bediende, belast met de coördinatie van de onderaannemingen bij lopende bouwprojecten en de opvolging van problemen gerezen met vorige projecten; - de werknemers, die in de loop van de twaalf maanden voorafgaand aan de nieuwe indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid uit dienst traden, allen tewerkgesteld waren als arbeiders.
  17. Ze oordelen vervolgens dat niet kan worden aangenomen dat "P.J. de plaats heeft ingenomen van een bouwvakker" nu "de aard van zijn tewerkstelling te verschillend" was en dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december 1988 derhalve niet vervuld zijn. Aldus schenden de appelrechters het begrip "vervangen" in de zin van artikel 117, §2, van de Programmawet van 30 december
  18. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Luc Van hoogenbemt en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTLIE:2022:ARR.20220830.1 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.088 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071112.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190513.2 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190513.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.