← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

§1

, eerste lid en tweede lid, 1°, en 54,

het eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; - voor zoveel als nodig artikel 25, §1, eerste lid van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de eiser tot vernietiging van de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout van de verweerder van 20 mei 2005, het hoger beroep van de verweerder gegrond, op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder de volgende: "Voor de toepassing van voormeld artikel 54 Werkloosheidsbesluit is het onverschillig of de dienstbetrekking werd verlaten om een wettige of onwettige reden (zie Cass. 2 maart 1987, R. W. 1987-88, 442; W. van Eeckhoutte, Sociaal Compendium - Sociaal zekerheids-recht, band 2, nr. 16188); het door (de eiser) ingeroepen criterium ter weerlegging van het passend karakter van de verlaten dienstbetrekking, met name een gewone dagelijkse afwezigheid uit zijn gewone verblijfplaats van meer dan 12 uur en/of een dagelijkse duur van verplaatsing van meer dan 4 uur na zijn verhuis naar Ravels, is derhalve niet dienend. (...) Gelet op voormelde elementen heeft (de eiser), in toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit, geen recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari

  1. (De verweerder) heeft dienvolgens terecht bij administratieve beslissing van 20 mei 2005 (de eiser) uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf 17 januari 2005 tot 6 februari
  2. Het hoger beroep is gegrond". Grieven 1.1 Eerste onderdeel 1.1.
  3. Artikel 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, hieronder afgekort als het Werkloosheidsbesluit, bepaalt dat de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon moet zijn. Krachtens artikel 51, §1, eerste lid, van genoemd besluit, kan de werknemer die werk-loos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil, uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot
  4. Onder "werk-loosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer" wordt onder meer verstaan het verlaten van een passende dienstbetrekking zonder wettige reden, zo bepaalt artikel 51, §1, tweede lid, 1°, Werkloosheidsbesluit. Uit die bepalingen volgt dat de werknemer die een passende dienstbetrekking verlaat zonder wettige reden en omwille van dergelijke verlating werkloos wordt, kan worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 en
  5. Zo onder meer wordt krachtens artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit geen uitkering toegekend gedurende vier weken te rekenen vanaf de verandering van dienst-betrekking aan de werknemer die, zonder uitkeringen aan te vragen, een passende dienstbetrekking heeft verlaten om een andere uit te oefenen, tenzij hij in de loop van deze vier weken tijdelijk werkloos wordt gesteld of zijn nieuwe dienstbetrekking verliest ten gevolge van overmacht. De werknemer die een passende dienstbetrekking verlaat met wettige reden, kan niet overeenkomstig de artikelen 52 en 54 worden uitgesloten van het genot van uitkeringen wanneer hij dientengevolge werkloos wordt. Die werknemer is immers werkloos geworden wegens omstandigheden die niet afhankelijk zijn van zijn wil in de zin van de artikelen 44 en 51, §1, van het Werkloosheidsbesluit. Dat de werknemer de passende dienstbetrekking ook verlaat om een andere te kunnen uitoefenen, verandert daaraan niets. Zoals ook het arbeidshof vaststelt, heeft artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit tot doel een rem te zetten op de overhaaste, ondoordachte werkverandering van werknemers (blz. 5, derde alinea, van het arrest). Een werkverandering die is ingegeven door een wettige reden, is niet overhaast of ondoordacht, maar per definitie gerechtvaardigd. Het kan niet de bedoeling van de regelgever zijn werknemers die met wettige reden een passende dienstbetrekking hebben verlaten om een andere uit te oefenen, tijdelijk uit te sluiten van het genot van werkloosheidsuitkeringen. 1.1.
  6. In het bestreden arrest beslist het arbeidshof dat het voor de toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit onverschillig is of de dienstbetrekking werd verlaten om een wettige of onwettige reden. Aldus beslist het arbeidshof dat de werknemer die met wettige reden een passende dienstbetrekking verlaat om een andere uit te oefenen, kan worden uitgesloten van het genot van werkloosheidsuitkeringen en schendt het de artikelen 44, 51, §1, eerste lid en tweede lid, 1°, en 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eiser met toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari 2005 op de overwegingen dat het voor de toepassing van voormeld artikel onverschillig is of de dienstbetrekking werd verlaten om een wettige of onwettige reden en dat het door de eiser ingeroepen criterium ter weerlegging van het passend karakter van de verlaten dienstbetrekking derhalve niet dienend is (schending van de artikelen 44, 51,

§1

, eerste lid en tweede lid, 1°, en artikel 54,

het eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). 1.

  1. Tweede onderdeel 1.2.
  2. Het arbeidshof beslist dat het voor de toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit onverschillig is of de dienstbetrekking werd verlaten om een wettige of onwettige reden. Krachtens het eerste lid van de in die zin geïnterpreteerde bepaling wordt gedurende vier weken geen uitkering toegekend aan de werknemer die met wettige reden een passende dienstbetrekking verlaat om een andere uit te oefenen. Daarentegen kan de werknemer die een passende dienstbetrekking met wettige reden verlaat zonder dat ook te doen om een andere dienstbetrekking uit te oefenen, in diezelfde interpretatie niet van het genot van werkloosheidsuitkeringen worden uitgesloten. Nochtans bevinden die werknemers zich ten aanzien van het genot van werkloosheidsuitkeringen in een vergelijkbare situatie: zij verlaten beide een passende dienstbetrekking om een wettige reden en dus wegens omstandigheden onafhankelijk van hun wil in de zin van de artikelen 44 en 51, §1, van het Werkloosheidsbesluit. Het onderscheid dat uit de interpretatie van het arbeidshof voortvloeit tussen de genoemde categorieën van werknemers op het vlak van (de tijdelijke uitsluiting van) het genot van werkloosheidsuitkeringen berust niet op een objectieve en redelijke verantwoording. Het houdt geen verband met de doelstelling van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit, met name het ontmoedigen van overhaaste en ondoordachte werkveranderingen. Noch de werknemer die een passende dienstbetrekking verlaat met wettige reden en om een andere uit te oefenen, noch de werknemer die een passende dienstbetrekking verlaat met wettige reden maar niet om een andere dienstbetrekking uit te oefenen, is ondoordacht of overhaast van werk veranderd. Een wettige reden impliceert per definitie dat de werkverandering gerechtvaardigd is. Het hierboven bedoelde onderscheid moedigt precies snelle beslissingen inzake werkverandering aan. Het heeft immers tot gevolg dat de werknemer die wacht tot hij elders in dienst kan treden vooraleer zijn werk om een bestaande wettige reden te verlaten, tijdelijk van werkloosheidsuitkeringen wordt uitgesloten, terwijl de werknemer die zijn dienstbetrekking meteen verlaat bij het ontstaan van een wettige reden, niet van het genot van werkloosheidsuitkeringen wordt uitgesloten. Er bestaat voor het onderscheid in behandeling van de hierboven genoemde categorieën van werknemers dan ook geen enkele objectieve en redelijke verantwoording. Uit wat voorafgaat, volgt dat artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit, in zoverre het toepasselijk zou zijn op de werknemer die met wettige reden een passende dienstbetrekking verlaat om een andere uit te oefenen, discriminerend is en dus strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Krachtens artikel 159 (van) de Grondwet passen de hoven en de rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Het arbeidshof diende het in die zin geïnterpreteerde artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit krachtens artikel 159 van de Grondwet ambtshalve te toetsen aan de grondwettelijke bepalingen en te weigeren dat artikel toe te passen in zoverre het daarmee niet overeenstemt, zodat de bestreden beslissing die de initiële vordering van de eiser ongegrond verklaart op grond van de bepaling van een koninklijk besluit die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de in het middel aangehaalde bepalingen schendt. Conclusie Indien uw Hof zou oordelen dat het arbeidshof wettig beslist dat het voor de toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit onverschillig is of de dienstbetrekking werd verlaten om een wettige of onwettige reden, beslist het arbeidshof in elk geval niet wettig dat de eiser met toepassing van die bepaling geen recht heeft op werkloosheids-uitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari 2005 en dat het door de eiser ingeroepen criterium ter weerlegging van het passend karakter van de verlaten dienstbetrekking derhalve niet dienend is (schending van de artikelen 10, 11 en 159 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet, van de artikelen 44, 51,

§1

, eerste lid en tweede lid, 1°, en artikel 54,

het eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). 1.3. Derde onderdeel Artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat geen uitkering wordt toegekend gedurende vier weken te rekenen vanaf de verandering van dienstbetrekking aan de werknemer die, zonder uitkeringen aan te vragen, een passende dienstbetrekking heeft verlaten om een andere uit te oefenen, tenzij hij in de loop van deze vier weken tijdelijk werkloos wordt gesteld of zijn nieuwe dienstbetrekking verliest ten gevolge van overmacht. Opdat de werknemer krachtens die bepaling tijdelijk kan worden uitgesloten van het genot van werkloosheidsuitkeringen, is dus vereist dat de dienstbetrekking die hij heeft verlaten, passend is. Krachtens artikel 25, §1, eerste lid van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering wordt een dienst-betrekking als niet passend beschouwd indien zij een gewone dagelijkse afwezigheid uit de gewone verblijfplaats ten gevolge heeft van meer dan twaalf uur of indien de dagelijkse duur van de verplaatsing gewoonlijk meer dan een (lees: vier) uur bedraagt. Het arbeidshof beslist dat de eiser met toepassing van artikel 54 van het Werkloos-heidsbesluit geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari 2005 op de overweging dat het door de eiser ingeroepen criterium ter weerleg-ging van het passend karakter van de verlaten dienstbetrekking, met name een gewone dagelijkse afwezigheid uit zijn gewone verblijfplaats van meer dan twaalf uur en/of een dagelijkse duur van verplaatsing van meer dan vier uur na zijn verhuis naar Ravels, niet dienend is. Het arbeidshof schendt zodoende de artikelen 44, 51, §1, eerste lid en tweede lid, 1°, en artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eiser met toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari 2005 op de overweging dat het door de eiser ingeroepen criterium ter weerlegging van het passend karakter van de verlaten dienstbetrekking, met name een gewone dagelijkse afwezigheid uit zijn gewone verblijfplaats van meer dan twaalf uur en/of een dagelijkse duur van verplaatsing van meer dan vier uur na zijn verhuis naar Ravels, niet dienend is (schending van de artikelen 44, 51,

§1

, eerste lid en tweede lid, 1°, en 54,

het eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en artikel 25, §1, eerste lid van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering) . Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek - de artikelen 44, 51,

§1

, eerste lid en tweede lid, 1°, en 54,

het eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de eiser tot vernietiging van de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout van de verweerder van 20 mei 2005, het hoger beroep van de verweerder gegrond, op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder de volgende: "Uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt: - dat (de eiser) zijn dienstbetrekking als arbeider bij de NV Spindor International te Peer verlaten heeft op 7 januari 2005 om op 10 januari 2005 het werk te kunnen aanvatten bij Randstad Interim; - dat bij de overgang van de oude naar de nieuwe betrekking (de eiser) geen uitkeringen heeft aangevraagd; - dat de nieuwe betrekking bij Randstad Interim op 14 januari 2005 beëindigd werd wegens "einde contract bepaalde duur"; - dat (de eiser) werkloosheidsuitkeringen aanvroeg vanaf 17 januari

  1. Gelet op voormelde elementen heeft (de eiser), in toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit, geen recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari
  2. (De verweerder) heeft dienvolgens terecht bij administratieve beslissing van 20 mei 2005 (de eiser) uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf 17 januari 2005 tot 6 februari
  3. Het hoger beroep is gegrond". Grieven
  4. Eerste onderdeel Het arbeidshof beslist dat de eiser met toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari 2005 op de overweging dat "uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt: - dat (de eiser) zijn dienstbetrekking als arbeider bij de NV Spindor International te Peer verlaten heeft op 7 januari 2005 om op 10 januari 2005 het werk te kunnen aanvatten bij Randstad Interim". In regelmatig neergelegde conclusie voerde de eiser aan: "Nu het onbetwistbaar is dat (de eiser) een wettige reden had om zijn dienstbetrekking bij Spindor International NV te verlaten, tracht (de verweerder) op een tergende manier de beweringen van (de eiser) om te draaien, door te stellen dat hij zijn werk zou hebben verlaten om de tewerkstelling bij Randstad Interim aan te vatten. Uiteraard nonsens ! Het moge duidelijk zijn dat (de eiser) zijn werk enkel verliet, omdat die betrekking niet meer passend was door zijn verhuis naar Ravels". In de mate dat het arbeidshof met de hierboven, bij de vermelding van de aangevochten beslissing geciteerde overweging oordeelt dat door de eiser niet werd betwist dat het verlaten van zijn dienstbetrekking was ingegeven door het kunnen aanvatten van het werk bij Randstad Interim, schendt het arbeidshof de bewijskracht van zijn conclusie gedagtekend 7 juli
  5. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eiser met toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari 2005 op de overweging dat uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt dat hij zijn dienstbetrekking als arbeider bij de NV Spindor International te Peer verlaten heeft op 7 januari 2005 om op 10 januari 2005 het werk te kunnen aanvatten bij Randstad Interim (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en alle overige in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen). 2.
  6. Tweede onderdeel Artikel 54, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, hieronder afgekort als Werkloosheidsbesluit, bepaalt dat geen uitkering wordt toegekend gedurende vier weken te rekenen vanaf de verandering van dienstbetrekking aan de werknemer die, zonder uitkeringen aan te vragen, een passende dienstbetrekking heeft verlaten om een andere uit te oefenen, tenzij hij in de loop van deze vier weken tijdelijk werkloos wordt gesteld of zijn nieuwe dienstbetrekking verliest ten gevolge van overmacht. Met de woorden "om een andere uit te oefenen" wordt bedoeld dat de werknemer een passende dienstbetrekking heeft verlaten met de bedoeling een andere uit te oefenen. Het volstaat voor de toepassing van die bepaling niet dat de werknemer een passende dienstbetrekking heeft verlaten en vervolgens een andere uitoefent zonder dat de uitoefening van de nieuwe dienstbetrekking een beweegreden was voor het verlaten van de oude dienstbetrekking. Het doel van artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit is ondoordachte veranderingen van werk te ontmoedigen. Het arbeidshof beslist dat de eiser met toepassing van artikel 54 van het Werkloos-heidsbesluit geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari 2005 op de overweging dat "uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt: - dat (de eiser) zijn dienstbetrekking als arbeider bij de NV Spindor International te Peer verlaten heeft op 7 januari 2005 om op 10 januari 2005 het werk te kunnen aanvatten bij Randstad Interim". In zover het arbeidshof met de woorden "om op 10 januari 2005 het werk te kunnen aanvatten bij Randstad Interim" niet verwijst naar de intentie van de eiser, maar naar het loutere chronologisch verloop van de feiten, schendt het artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit door op de hierboven, bij de vermelding van de aangevochten beslissing geciteerde overweging te oordelen dat de eiser met toepassing van die bepaling geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari
  7. In die hypothese stelt het arbeidshof immers niet vast dat de eiser zijn dienstbetrekking bij de NV Spindor International heeft verlaten met de bedoeling het werk te kunnen aanvatten bij Randstad Interim. Zoals gezegd, is het bestaan van die bedoeling voor de toepassing van artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit vereist. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eiser met toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 januari 2005 tot 6 februari 2005 op de overweging dat uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt dat hij zijn dienstbetrekking als arbeider bij de NV Spindor International te Peer verlaten heeft op 7 januari 2005 om op 10 januari 2005 het werk te kunnen aanvatten bij Randstad Interim (schending van de artikelen 44, 51,

§1

, eerste lid en tweede lid, 1°, en 54,

het eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Derde onderdeel

  1. Krachtens artikel 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, hierna genoemd: Werkloosheids-besluit 1991, moet de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten, wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Krachtens artikel 51, §1, eerste lid, van voormeld besluit, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 29 juni 2000, kan de werknemer die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil, uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot
  2. Onder "werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer" wordt krachtens artikel 51, §1, tweede lid, 1°, van dit besluit onder meer verstaan: het verlaten van een passende dienstbetrekking zonder wettige reden.
  3. Krachtens artikel 51, §2, 1°, van het Werkloosheidsbesluit 1991 bepaalt de Minister, na advies van het beheerscomité, de criteria van de passende dienstbetrekking. Krachtens artikel 25, §1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, wordt een dienstbetrekking als niet passend beschouwd indien zij een gewone dagelijkse afwezigheid uit de gewone verblijfplaats ten gevolge heeft van meer dan 12 uur of indien de dagelijkse duur van de verplaatsing gewoonlijk meer dan 4 uur bedraagt.
  4. Krachtens artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit 1991, wordt geen uitkering toegekend gedurende vier weken te rekenen vanaf de verandering van dienstbetrekking aan de werknemer die, zonder uitkeringen aan te vragen, een passende dienstbetrekking heeft verlaten om een andere uit te oefenen, tenzij hij in de loop van deze vier weken tijdelijk werkloos wordt gesteld of zijn nieuwe dienstbetrekking verliest ten gevolge van overmacht. Om een werknemer op grond van deze bepaling uitkeringen te kunnen weigeren is in de eerste plaats vereist dat de dienstbetrekking die hij heeft verlaten, een passende dienstbetrekking was.
  5. Het arrest stelt vast dat: - de eiser zijn dienstbetrekking als arbeider bij de NV Spindor International te Peer verlaten heeft op 7 januari 2005 om op 10 januari 2005 het werk te kunnen aanvatten bij Randstad Interim; - de eiser bij de overgang van de oude naar de nieuwe betrekking geen uitkeringen heeft aangevraagd; - de nieuwe betrekking bij Randstad Interim op 14 januari 2005 beëindigd werd wegens ‘einde contract bepaalde duur'; - de eiser werkloosheidsuitkeringen aanvroeg vanaf 17 januari
  6. Het arrest oordeelt dat het door de eiser ingeroepen criterium ter weerlegging van het passend karakter van de verlaten dienstbetrekking, met name een gewone dagelijkse afwezigheid uit zijn gewone verblijfplaats van meer dan 12 uur en/of een dagelijkse duur van verplaatsing van meer dan 4 uur na zijn verhuis naar Ravels, niet dienend is voor de toepassing van artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit
  7. Aldus schendt het arrest artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit
  8. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Kosten
  10. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld in de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het oordeelt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerder in de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten begroot op de som van 223,77 euro jegens de eisende partij en op de som van 129,36 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100610.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.