id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 20
, 1° Fiches 2 - 4 De partijen in de arbeidsovereenkomst kunnen overeenkomen dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en die in beginsel ten laste zijn van de werkgever, door de werknemer dienen te worden gedragen, zonder dat die overeenkomst tot gevolg mag hebben dat door de betaling van die kosten de werknemer niet meer de volledige beschikking heeft over het bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst bepaalde minimumbaremaloon
(1).
(1)Het Hof besliste op dezelfde datum in dezelfde zin in de arresten met AR S.07.0066.N en AR S.07.0067.N. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERPLICHTINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Rechten en plichten SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming Vrije woorden: Handelsvertegenwoordiger - Kosten verbonden aan de uitvoering van de overeenkomst - Tenlasteneming door de handelsvertegenwoordiger - Beding Wettelijke bepalingen:
Art. 20
, 1° Vrije woorden: Betalen van loon - Handelsvertegenwoordiger - Kosten ten laste van de werkgever - Tenlasteneming door de handelsvertegenwoordiger - Minimumbaremaloon Wettelijke bepalingen:
Art. 20
, 1° Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Rechten en plichten SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming Vrije woorden: Handelsvertegenwoordiger - Kosten ten laste van de werkgever - Tenlasteneming door de handelsvertegenwoordiger - Minimumbaremaloon Wettelijke bepalingen:
Art. 20, 1° Tekst van de beslissing Nr.
S.07.0065.N ZEP BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Petrus Basteleusstraat 2, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.W., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 januari 2007 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 6 en 20, 1° en 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - de artikelen 1 en 12 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 februari 1995, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende het sectorieel akkoord 1995-1996, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 7 augustus 1995 (B.S. 6 oktober 1995); - artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 1993, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende de minimumbarema, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 15 september 1994 (B. S. 24 november 1994), zoals van toepassing vóór de vervanging ervan door een collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumbarema en de maandwedden, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 26 april 2000 (B.S. 3 oktober 2000); - de artikelen 1, 2 en 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende de minimumwedde voor de handelsvertegenwoordigers, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 26 april 2000 (B.S. 26 september 2000), zoals van toepassing vóór de vervanging ervan door een collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2001, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende de minimumwedde voor de handelsvertegenwoordigers, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 11 juni 2002 (B.S. 27 juli 2002); - de artikelen 1, 2 en 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2001, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende de minimumwedde voor de handelsvertegenwoordigers, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 11 juni 2002 (B.S. 27 juli 2002); - voor zoveel als nodig, de artikelen 11, 19 en 31 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités; - de artikelen 2, inzonderheid eerste lid, en 3, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers; - de artikelen 1101, 1108, 1128, 1131, 1133 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; - het algemeen rechtsbeginsel luidens welk een afstand van recht maar kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn en strikt moet worden uitgelegd; - artikel 141, inzonderheid eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957 (oud artikel 119, hernummerd krachtens artikel 12 van het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998). Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de verweerder, het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en gegrond en het incidenteel beroep van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond. Dienvolgens hervormt het arbeidshof het vonnis van de arbeidsrechtbank van 27 november 2001 en veroordeelt het de eiseres tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 9.796,78 euro als beroepskosten, onder aftrek van 2.115,23 euro, te vermeerderen met de interest. Het arbeidshof beslist dat onder meer op grond van de volgende motieven: "IV. Beoordeling (...)
- Ten gronde Volgens de gewijzigde arbeidsovereenkomst diende (de verweerder) voor het grootste gedeelte zelf in te staan voor de kosten die inherent waren aan de uitoefening van zijn beroep zoals verplaatsingskosten, telefoon- en portkosten en maaltijdkosten die tijdens of door de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst werden gemaakt. Het betreft kosten die normaal ten laste vallen van de werkgever. Door de arbeidsovereenkomst verbindt de werknemer zich in principe enkel tot het leveren van arbeid, tegen betaling van loon en stelt hij niet zijn vermogen of arbeidsmiddelen, het arbeidsgereedschap en de productiemiddelen ter beschikking die voor de uitvoering van de arbeid noodzakelijk zijn (...). De kosten die daarmee verband houden vallen normalerwijze niet ten laste van de werknemer. (...) Artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de werkgever de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking stelt. Volgens het advies uitgebracht door de Raad van State met betrekking tot het ontwerp van de Arbeidsovereenkomstenwet, werd daarmee bedoeld: de medewerkers, het gereedschap en de grondstoffen. (...) Vanuit de aanvullende werking van de goede trouw bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten, wordt een ruimere invulling voorgestaan en kan worden geconcludeerd dat de bijstand van de werkgever zich uitstrekt tot de kosten verbonden aan de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten. (...) Artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet staat afwijkingen toe op de regel dat de werkgever ertoe verplicht is de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen. De vraag die voorligt is of in het geval de werknemer zelf de kosten inherent aan zijn beroepsuitoefening dient te dragen volgens de overeenkomst tussen partijen, in afwijking van artikel 20, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, hiermee dient rekening gehouden te worden om het baremaloon aan te vullen, in het geval de werknemer door de betaling van die kosten niet meer het minimum baremaloon zou bereiken. Om zijn taak als handelsvertegenwoordiger te vervullen diende (de verweerder) immers de klanten in zijn sector te bezoeken en zich daarvoor met de wagen te verplaatsen, hetgeen vrij aanzienlijke verplaatsingskosten met zich meebracht. Ook de telefoon- en portkosten en maaltijdkosten zijn inherent aan de uitoefening van zijn functie. Door het feit dat hij zelf voor die kosten diende in te staan beweert hij het minimum baremaloon niet meer te hebben genoten. Wanneer de werkgever aan de werknemer een vergoeding betaalt voor de werkelijke kosten inherent aan de beroepsuitoefening die door de werknemer werden gemaakt dan wordt die vergoeding arbeidsrechtelijk niet als loon aangezien daar de werknemer deze kosten normaliter niet hoort te dragen en de vergoeding hem geen vermogensverrijking oplevert. Indien ze niet zouden vergoed worden zouden ze een verarming opleveren. Wie de kosten hoort te dragen dient in abstracto te worden nagegaan op grond van wat normaal en redelijk is, ongeacht de concrete overeenkomst. (...) In het raam van de Loonbeschermingswet worden dergelijke vergoedingen wel als loon beschouwd. De reden daarvoor ligt in het opzet van de Loonbeschermingswet, te weten, een afdoende bescherming van het loon van de werknemer te waarborgen opdat deze in voldoende mate zou kunnen beschikken over zijn loon om te voorzien in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin. (...) De vergoeding bewerkstelligt dat de werknemer zijn inkomen uit arbeid niet hoeft te besteden aan uitgaven die niet tot het levensonderhoud bijdragen. Die vergoeding maakt het hem mogelijk de bedragen en de voordelen die hij als loon ontvangt aan te wenden voor zijn levensonderhoud. Indien de werknemer met eigen middelen die kosten betaalt (die ten laste zijn van zijn werkgever) en geen terugbetaling ontvangt, zal hij het loon dat hij voor zijn arbeidsprestaties ontvangt daarvoor moeten aanwenden, hetgeen in strijd is met de bedoeling van de Loonbeschermingswet. Om haar doel te bereiken strekt de Loonbeschermingswet zich dus uit tot de andere bestanddelen van het inkomen. (...) Om die reden kunnen die vergoedingen ook niet in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van het baremaloon, wanneer het overeengekomen brutoloon lager is dan het baremaloon. De betaling van die kosten door de werknemer in afwijking van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, betekenen immers een verarming voor hem. In de commentaar bij CAO nr 43 wordt zulks uitdrukkelijk bevestigd. Deze redenering leidt tot het besluit dat wanneer de werknemer in afwijking van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, zelf dient in te staan voor de kosten inherent aan de uitoefening van zijn beroep en hij hiervoor geen vergoeding ontvangt, dit een verarming oplevert daar hij in dat geval niet meer zijn volledige loon kan besteden aan zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin. Hij zal dan immers een deel ervan (...) moeten aanwenden voor de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst. De overeenkomst die ertoe strekt die kosten zonder vergoeding, ten laste te leggen van de werknemer, in afwijking van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, - hoewel principieel toegestaan - mag niet voor gevolg hebben dat de werknemer niet meer de beschikking had over het bij CAO opgelegde minimum baremaloon. Dit zou (...) een inbreuk vormen op de bij CAO dwingend opgelegde minimumloon-schalen. Partijen mogen trouwens evenmin bij overeenkomst een lager loon bedingen da(n) het bij CAO opgelegde minimumloon. De niet-betaling van het minimumloon is een misdrijf krachtens artikel 42 Loonbeschermingswet en artikel 56 CAO-wet en is van openbare orde. Partijen kunnen er bij overeenkomst niet van afwijken. Met het vaststellen van minimumloonschalen in collectieve arbeidsovereenkomsten, wordt beoogd dat de werknemer minstens de beschikking zou krijgen over dit bedrag als tegenprestatie voor de in de arbeidsovereenkomst bedongen arbeidsprestatie om in zijn levensonderhoud te voorzien. Uit het tijdstip van de contractwijziging waarbij de afwijking op artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet werd ingevoerd, 16 augustus 1995 hetzij enkele maanden na het vaststellen bij CAO van 20 februari 1995 in het Paritair Comité der scheikundige nijverheid van het verhoogd minimum baremaloon voor handelsvertegenwoordigers, kan worden afgeleid dat het de bedoeling van (de eiseres) was de bepalingen van het minimum baremaloon te ontduiken. Dergelijke overeenkomst, afgesloten tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst, is overigens niet geldig in de mate dat zij erop neerkwam dat (de verweerder) afstand deed van het bij CAO gewaarborgde minimumloon. De vordering van (de verweerder) die terugbetaling beoogt van de door hem in afwijking van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, gedragen kosten tot het maandelijks minimum verschuldigd baremaloon wordt bereikt komt derhalve in principe gegrond voor. Dit kwam overigens ook de vennootschap destijds evident voor nu dit bevestigd wordt in de brief van haar raadsman van 28 september 1998 in volgende duidelijke bewoordingen: "(De eiseres) ontkent niet dat de toepassing van het akkoord tussen partijen met betrekking tot de tussenkomst in de beroepskosten er niet toe kan leiden dat het loon van de werknemer het baremaloon niet meer zou bereiken". (De eiseres) bevestigde dit nogmaals in conclusies neergelegd voor de Arbeidsrechtbank. Daarenboven blijkt dat andere handelsvertegenwoordigers de kosten inherent aan de uitoefening van hun functie zoals reiskosten etc. niet moeten dragen bij gelijk loon, en hiervoor een forfaitaire vergoeding ontvangen of de beschikking over een wagen, zodat dit aanleiding geeft tot een discriminatie tussen de verschillende handels-vertegenwoordigers. Zulks is strijdig met artikel 119 EEG-Verdrag dat een gelijk loon oplegt voor arbeid van gelijke waarde, waarbij niet enkel met het basis- of minimumloon moet worden rekening gehouden doch met alle voordelen die door de werkgever voor het presteren van arbeid worden toegekend. Die bepaling heeft directe werking. (...)". Grieven 1° Eerste onderdeel 1.1.
- Krachtens artikel 20, 1°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, is de werkgever verplicht de werknemer te doen arbeiden op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen, inzonderheid, zo de omstandigheden dat vereisen en behoudens strijdige bepaling, door de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen. De werkgever heeft dus in beginsel de verplichting de uitvoering van de arbeidsovereenkomst door de werknemer mogelijk te maken door hem de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen, maar de partijen bij de arbeidsovereenkomst kunnen anders overeenkomen. De partijen kunnen dan ook vrij overeenkomen wie de kosten draagt die inherent zijn aan de eigenlijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Welke kosten ten laste van de werkgever vallen, moet bijgevolg aan de hand van de bepalingen en de uitvoering van de arbeidsovereenkomst worden nagegaan. 1.1.
- Krachtens artikel 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet is de werkgever verplicht het loon te betalen op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen. Die verplichting impliceert de verplichting om het bij hogere dwingende normen opgelegde minimumloon te betalen, zoals overigens ook volgt uit artikel 11 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, hieronder afgekort als CAO-Wet. Artikel 12 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 februari 1995, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende het sectorieel akkoord 1995-1996, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 7 augustus 1995 (B.S. 6 oktober 1995), legt voor de handelsvertegenwoordigers "een specifiek minimumloon" vast. Voor de handelsvertegenwoordigers van 25 jaar en ouder is het loon ten minste gelijk aan de schaalminima volgens leeftijd van categorie 4 A zoals bepaald in het barema voorzien door de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 1993, aldus het vierde lid, van artikel
- De collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 1993, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende de minimumbarema, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 15 september 1994 (B.S. 24 november 1994), waarnaar artikel 12 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 februari 1995 verwijst, legt in zijn artikel 2 "een minimumbarema" vast dat als "baremieke minima der wedden" is opgenomen in de bijlage bij die overeenkomst. De collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 1993 werd met ingang van 1 april 1999 vervangen door de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumbarema en de maandwedden, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 26 april 2000 (B.S. 3 oktober 2000). Sinds 1 januari 1999 geldt ten aanzien van handelsvertegenwoordigers de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende de minimumwedde voor de handelsvertegenwoordigers, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 26 april 2000 (B.S. 26 september 2000). Artikel 2 van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt dat "de wedde" of "het loon" van de handels-vertegenwoordigers ten minste gelijk is aan een van de schaalminima zoals bepaald in het barema voorzien door de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 1993 tot vaststelling van het minimumbarema voor de periode van 1 januari 1999 tot 31 maart 1999 en het barema waarin is voorzien door de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999 betreffende het minimumbarema en de maandwedden voor de periode vanaf 1 april 1999, telkens volgens leeftijd van categorie 3 of volgens leeftijd van categorie 4 naargelang de handelsvertegenwoordigers jonger zijn dan 25 jaar dan wel 25 jaar of ouder zijn. Met ingang van 1 maart 2001 is de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999 betreffende de minimumwedde voor handelsvertegenwoordigers vervangen door de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2001, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende de minimumwedde voor de handelsvertegenwoordigers, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 11 juni 2002 (B.S. 27 juli 2002). Ook artikel 2 van deze laatste collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt dat "de wedde" of "het loon" van de handels-vertegenwoordigers ten minste gelijk is aan de schaalminima volgens leeftijd van categorie 3 en categorie 4 naargelang de handelsvertegenwoordigers jonger zijn dan 25 jaar dan wel 25 jaar of ouder zijn, zoals bepaald in de barema's waarin is voorzien in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid volgens de collectieve arbeidsovereenkomsten van 24 september 1993, 4 mei 1999 en 10 juli 2001, elk wat hun geldigheidsperiode betreft. De voornoemde bepalingen van de hierboven vermelde collectieve arbeids-overeenkomsten waarborgen aan de handelsvertegenwoordigers een wedde die of een loon dat een bepaald minimumbedrag moet bereiken en hebben geen betrekking op kosten ongeacht of die ten laste van de werkgever dan wel ten laste van de werknemer vallen. Zij houden enkel een verplichting voor de werkgever in een minimumloon te betalen. 1.1.
- Uit de hierboven besproken wettelijke en collectief conventionele bepalingen volgt dat de verplichting van de werkgever om, behoudens afwijkende bepaling, de werknemer de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen en zijn verplichting het bij dwingende bepalingen gewaarborgde minimumloon te betalen aan de werknemer, van elkaar te onderscheiden zijn. Een overeenkomst die met toepassing van artikel 20, 1°, van de Arbeids-overeenkomstenwet, tussen de partijen wordt gesloten over de betaling van de kosten die inherent zijn aan de uitoefening van de overeengekomen arbeid is dan ook wettig zodra die overeenkomst wettig is aangegaan. Indien de partijen bij de arbeidsovereenkomst op geldige wijze overeenkomen dat de werknemer de kosten zal dragen die inherent zijn aan de uitoefening van zijn arbeid, strekt die overeenkomst op grond van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek de partijen tot wet, zelfs wanneer de naleving van die overeenkomst ertoe leidt dat de werknemer, aan wie de werkgever het minimumloon betaalt en aldus zijn wettelijke verplichting tot betaling van loon op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen nakomt, uiteindelijk niet meer de beschikking heeft over een bedrag gelijk aan dat van het minimumloon. Dat is immers precies het gevolg van de mogelijkheid die artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet aan de partijen biedt om vrij te bedingen over de tenlasteneming van de kosten inherent aan de uitoefening van de bedongen arbeid. Dergelijke overeenkomst kan dan ook niet worden beschouwd als een inkorting van de rechten van de werknemer of een verzwaring van zijn verplichtingen ten aanzien van de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet en haar uitvoeringsbesluiten dat met toepassing van artikel 6 van die wet nietig zou zijn. 1.
- In het bestreden arrest stelt het arbeidshof vast dat de verweerder volgens de gewijzigde arbeidsovereenkomst voor het grootste gedeelte zelf diende in te staan voor de kosten die inherent zijn aan de uitoefening van zijn beroep, zoals verplaatsingskosten, telefoon- en portkosten en maaltijdkosten die tijdens of door de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst werden gemaakt. Het arbeidshof erkent het principe dat de wet afwijkingen toestaat op de regel dat de werkgever ertoe verplicht is de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen. Het arbeidshof beslist dat de vordering van de verweerder die de terugbetaling beoogt van de door hem, in afwijking van artikel 20, 1° van de Arbeidsovereenkomstenwet, gedragen kosten die inherent zijn aan de uitoefening van zijn beroep, tot het maandelijks minimum verschuldigd baremaloon wordt bereikt, in principe gegrond voorkomt, in essentie op grond van de overwegingen dat: - het gaat om kosten die normaal ten laste van de werkgever vallen, aangezien de werknemer zich door de arbeidsovereenkomst in principe enkel tot het leveren van arbeid tegen betaling van een loon verbindt en niet zijn vermogen of arbeidsmiddelen, het arbeidsgereedschap en de productiemiddelen ter beschikking stelt die voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst noodzakelijk zijn, - die kosten normalerwijze niet ten laste van de werknemer vallen, - vanuit de aanvullende werking van de goede trouw kan worden geconcludeerd dat de bijstand van de werkgever zich uitstrekt tot de kosten verbonden aan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, - wanneer de werkgever aan de werknemer een vergoeding betaalt voor de werkelijke kosten inherent aan de beroepsuitoefening die door de werknemer werden gemaakt, die vergoeding arbeidsrechtelijk niet als loon wordt beschouwd, aangezien de werknemer die kosten normaliter niet hoort te dragen en die vergoeding hem geen vermogensvoordeel oplevert, en dat, indien die kosten niet zouden vergoed worden, ze voor de werknemer een verarming zouden opleveren, - wie de vergoedingen hoort te dragen in abstracto moet worden nagegaan op grond van wat normaal en redelijk is, ongeacht de concrete overeenkomst, - de kostenvergoedingen wel als loon worden beschouwd in de zin van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet, die tot doel heeft een afdoende bescherming van het loon van de werknemer te waarborgen opdat hij in voldoende mate zou kunnen beschikken over zijn loon om te voorzien in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin; en dat indien de werknemer met eigen middelen de kosten betaalt die ten laste zijn van de werkgever en geen terugbetaling ontvangt, hij het loon dat hij voor zijn arbeidsprestaties ontvangt daarvoor moet aanwenden, wat in strijd is met de Loonbeschermingswet, - om die reden de kostenvergoedingen ook niet in aanmerking kunnen worden genomen voor de vaststelling van het baremaloon, wanneer het overeengekomen brutoloon lager is dan het baremaloon, - wanneer de werknemer in afwijking van artikel 20, 1°, van de Arbeids-overeenkomstenwet zelf moet instaan voor de kosten inherent aan de uitoefening van zijn beroep en daarvoor geen vergoeding ontvangt, dat voor die werknemer een verarming oplevert aangezien hij in dat geval niet meer zijn volledige loon kan besteden aan zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin en een deel ervan zal moeten aanwenden voor de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het arbeidshof beslist op grond van de voornoemde overwegingen dat de overeenkomst die ertoe strekt de kosten die inherent zijn aan de uitoefening van de arbeidsovereenkomst ten laste van de werknemer te leggen in afwijking van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, hoewel principieel toegestaan, niet als gevolg mag hebben dat de werknemer niet meer de beschikking heeft over het bij collectieve arbeidsovereenkomst gewaarborgde minimumloon. Een en ander zou volgens het arbeidshof een inbreuk zijn op de bij collectieve arbeidsovereenkomst dwingend opgelegde minimumloonschalen, waarvan partijen niet mogen afwijken, en waarmee wordt beoogd dat de werknemer minstens de beschikking zou krijgen over dat minimumbedrag als tegenprestatie voor de in de arbeidsovereenkomst bedongen arbeidsprestatie om in zijn levensonderhoud te voorzien. 1.
- Dat de kosten waarvoor de verweerder blijkens de gewijzigde arbeidsovereenkomst voor het grootste gedeelte zelf diende in te staan, inherent waren aan de uitoefening van zijn beroep, dat die kosten normaal ten laste vallen van de werkgever en normaliter niet ten laste van de werknemer, belet niet dat artikel 20, 1°, van de Arbeids-overeenkomstenwet de partijen het recht geeft een strijdige bepaling overeen te komen, zoals het arbeidshof overigens ook zelf erkent. De omstandigheid dat de niet-vergoeding van werkelijke kosten die inherent zijn aan de beroepsuitoefening en die door de werknemer werden gemaakt en voor deze laatste een verarming oplevert, belet niet dat, krachtens artikel 20, 1°, van de Arbeids-overeenkomstenwet de niet-vergoeding door de werkgever rechtsgeldig door de partijen kan worden overeengekomen. Anders dan het arbeidshof overweegt, bepaalt, met toepassing van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet en van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, de concrete overeenkomst wie de kosten hoort te dragen en dient dat niet in abstracto te worden nagegaan op grond van wat normaal en redelijk is. Dat de Loonbeschermingswet de vergoedingen die de werkgever betaalt voor de werkelijke kosten inherent aan de beroepsuitoefening die door de werknemer werden gemaakt als loon beschouwt opdat de werknemer in voldoende mate zou kunnen beschikken over zijn loon om te voorzien in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin, betekent, anders dan het arbeidshof overweegt, geenszins dat het in strijd zou zijn met de Loonbeschermingswet dat de werknemer met eigen middelen die kosten betaalt en geen terugbetaling ontvangt, aangezien hij dan het loon dat hij voor zijn arbeidsprestaties ontvangt, daarvoor moet aanwenden. Niet alleen staat artikel 20, 1°, van de Arbeids-overeenkomstenwet uitdrukkelijk toe dat de partijen bedingen dat de hier bedoelde kosten door de werknemer worden gedragen en niet door de werkgever worden terugbetaald, bovendien heeft de Loonbeschermingswet en de bescherming waarin zij voorziet, geen betrekking op de hoogte van het loon, maar op de betaling van het loon, de meting van de arbeid, de inhoudingen op het loon en de procedure betreffende de overdracht van het loon. Door op grond van de hierboven vermelde overwegingen te beslissen dat de vordering van de verweerder tot terugbetaling van de kosten die hij heeft gedragen, tot het maandelijks minimum baremaloon wordt bereikt, in principe gegrond voorkomt, schendt het arbeidshof de artikelen 2 en 3 van de Loonbeschermingswet, waaraan het een verkeerde draagwijdte geeft. Met de overwegingen waarop die beslissing steunt, en meer bepaald de overweging dat de mogelijkheid van de partijen bij de arbeidsovereenkomst om met toepassing van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet vrij overeen te komen wie van hen de kosten zal dragen die inherent zijn aan de uitvoering van de bedongen arbeid, niet ertoe mag leiden dat de werknemer niet meer beschikt over het hem bij andere dwingende wettelijke bepalingen gewaarborgde minimumloon dat de werkgever verplicht is hem te betalen, voegt het arbeidshof tevens aan de bepaling van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet een voorwaarde toe die zij niet bevat, zodat zijn beslissing niet naar recht verantwoord is (schending van artikel 20, 1°, van de Arbeids-overeenkomstenwet). Met diezelfde overweging miskent het arbeidshof tevens de artikelen 6 en 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet en de in de aanhef van het middel, bij de als geschonden aangegeven wettelijke bepalingen vermelde artikelen van de collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid van toepassing in deze zaak, die de handelsvertegenwoordigers een minimummaandwedde toekennen. De aan de handelsvertegenwoordigers gewaarborgde minimumwedde heeft geen uitstaans met een afspraak tussen de werkgever en zijn handelsvertegenwoordiger over de tenlasteneming van kosten, ook niet als die inherent zijn aan de uitvoering van de bedongen arbeid. Het arbeidshof stelt overigens nergens in het arrest vast dat de eiseres de verschuldigde minimumwedde niet correct heeft betaald aan de verweerder. 2° Tweede onderdeel 2.
- Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging houdt onder meer in dat de rechter zijn beslissing niet mag steunen op een rechtsgrond die niet door de partijen werd aangevoerd en waarover zij niet de gelegenheid hebben gekregen een standpunt in te nemen. 2.
- Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van de verweerder eveneens gegrond op de overwegingen dat: - uit het tijdstip van de contractwijziging waarbij de afwijking op artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet werd ingevoerd, namelijk op 16 augustus 1995 hetzij enkele maanden na het vaststellen bij collectieve arbeidsovereenkomst van 20 februari 1995, in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid van het verhoogd minimum baremaloon voor handelsvertegenwoordigers, kan worden afgeleid dat het de bedoeling was van de eiseres de bepalingen over het minimumbaremaloon te ontduiken, - dergelijke overeenkomst, gesloten tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst, overigens niet geldig is in de mate dat zij erop neerkwam dat de verweerder afstand deed van het bij collectieve arbeidsovereenkomst gewaarborgde minimumloon. Aldus steunt het arbeidshof zijn beslissing dat het hoger beroep en de vordering van de verweerder tot veroordeling van de eiseres tot terugbetaling van het bedrag van de beroepskosten die door de verweerder in afwijking van artikel 20, 1 van de Arbeids-overeenkomstenwet werden betaald ten belope van het maandelijks verschuldigde minimumloon, gegrond zijn, eveneens op de gronden dat: - de tussen de partijen gesloten overeenkomst ongeldig is wegens een ongeldig voorwerp of oorzaak, m.n. de bedoeling van de eiseres het minimumbaremaloon te ontduiken, - de tussen de partijen gesloten overeenkomst ongeldig is in de mate dat de verweerder daardoor afstand deed van zijn recht op het hem bij collectieve arbeidsovereenkomst gewaarborgde minimumloon. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder de voornoemde twee gronden waarop het arbeidshof zijn beslissing mee steunt, niet aanvoerde en dat de partijen daarover niet hebben geconcludeerd. Door zijn beslissing op die gronden te steunen en die middelen aan te voeren zonder de eiseres de gelegenheid te geven daarover te concluderen, miskent het arbeidshof het recht van verdediging van de eiseres (schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging). Voorts volgt uit de in het eerste onderdeel ontwikkelde grief dat de overeenkomst die de partijen sloten over de tenlasteneming door de verweerder van de kosten die inherent zijn aan de uitvoering van de bedongen arbeid, geen ongeoorloofd voorwerp of ongeoorloofde oorzaak heeft, noch een afstand van recht van de verweerder inhoudt van het hem door de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten gewaarborgde minimumloon, zodat het arbeidshof tevens de artikelen 6, 20, 1° en 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, de in de aanhef van het middel, bij de als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen, vermelde artikelen van de collectieve arbeids-overeenkomsten gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid van toepassing in deze zaak, de artikelen 1101, 1108, 1128, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel luidens welk een afstand van recht maar kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn en strikt moet worden uitgelegd, schendt. 3° Derde onderdeel 3.
- Artikel 141 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957 (oud artikel 119, hernummerd krachtens artikel 12 van het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998), hieronder afgekort als EG-Verdrag, bepaalt dat iedere lidstaat het beginsel van de gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid moet verzekeren en handhaven. Niet alleen mannelijke en vrouwelijke werknemers die gelijke arbeid verrichten, maar ook mannelijke en vrouwelijke werknemers die een arbeid verrichten waaraan een gelijke waarde moet worden toegekend, moeten luidens artikel 141 van het E.G.-Verdrag een gelijke beloning genieten. De bepaling van artikel 141 van het EG-Verdrag heeft enkel betrekking op een discriminatie in de beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor het verrichten van gelijke arbeid of arbeid van gelijke waarde, of op een discriminerende situatie die tot een discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers kan worden teruggebracht. 3.
- Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat blijkt dat de andere handelsvertegenwoordigers die werkzaam zijn bij de eiseres, de kosten inherent aan de uitoefening van hun functie zoals reiskosten, niet moeten dragen bij gelijk loon, en daarvoor een forfaitaire vergoeding ontvangen of de beschikking over een wagen, wat aanleiding geeft tot discriminatie tussen de verschillende handelsvertegenwoordigers. Volgens het arbeidshof is dat strijdig met het oude artikel 119, thans artikel 141 van het EG-Verdrag, dat een gelijk loon oplegt voor arbeid van gelijke waarde, waarbij niet enkel met het basis- of minimumloon moet worden rekening gehouden, maar ook met alle voordelen die door de werkgever voor het presteren van arbeid worden toegekend. Aangezien het arbeidshof de beloning van de verweerder met toepassing van artikel 141 van het EG-Verdrag discriminerend acht ten aanzien van de andere handels-vertegenwoordigers die bij de eiseres werkzaam zijn zonder daarbij na te gaan of, noch vast te stellen dat de discriminatie gebeurt tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers, is zijn beslissing niet naar recht verantwoord (schending van artikel 141 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957).
- Aangezien het arbeidshof op geen van de in het bestreden arrest aangehaalde gronden wettig oordeelt dat de overeenkomst tussen de partijen gesloten, die ertoe strekt kosten inherent aan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ten laste te leggen van de verweerder, niet tot gevolg mag hebben dat de verweerder niet meer de beschikking had over het hem bij collectieve arbeidsovereenkomsten gewaarborgde minimumloon, en het arbeidshof voorts niet vaststelt dat de overeenkomst die de partijen hebben aangegaan met toepassing van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, niet geldig is gesloten, miskent het arbeidshof de verbindende kracht van de tussen de partijen gesloten overeenkomst en derhalve artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek. Conclusie Het arbeidshof oordeelt niet wettig dat de overeenkomst die de partijen sloten op grond waarvan bepaalde kosten die inherent zijn aan de uitvoering van de bedongen arbeid, ten (laste) werden gelegd van de verweerder met toepassing van artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, niet tot gevolg mag hebben dat de verweerder niet meer de beschikking heeft over het bij collectieve arbeidsovereenkomst opgelegde minimumbaremaloon. Bijgevolg verklaart het arbeidshof niet wettig het hoger beroep van de verweerder gegrond en het incidenteel beroep van de eiseres ongegrond (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet is de werkgever verplicht de werknemer te doen arbeiden op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen, inzonderheid, zo de omstandigheden dit vereisen en behoudens strijdige bepalingen, door de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen. Het begrip hulpmiddelen omvat niet alleen gereedschap, maar slaat ook op hulpmiddelen van andere aard zoals de kosten, verbonden aan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De partijen in de arbeidsovereenkomst kunnen dienvolgens overeenkomen dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en die in beginsel ten laste zijn van de werkgever, door de werknemer dienen te worden gedragen.
- De overeenkomst, die ertoe strekt die kosten ten laste te leggen van de werknemer, mag evenwel niet tot gevolg hebben dat door de betaling van die kosten de werknemer niet meer de volledige beschikking heeft over het bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst bepaalde minimum loon. De niet-betaling van dit minimumloon is een misdrijf krachtens artikel 42 van de Loonbeschermingswet en artikel 56 van de CAO-wet en in strijd met artikel 20,3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet. De partijen kunnen dienvolgens, mede krachtens artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet, op straffe van nietigheid, in de arbeidsovereenkomst of tijdens de uitvoering ervan geen afwijking overeenkomen van dit verschuldigd minimumloon.
- Met de in randnummer 2 van dit arrest weergegeven reden en de reden dat de eiseres dit in een brief van 28 september 1998 en in haar conclusies voor de eerster rechter toegaf, beslist het arrest naar recht dat de verweerder gerechtigd is op de terugbetaling van de door hem gedragen kosten van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, in zoverre deze het hem verschuldigd minimumloon hebben verminderd.
- De verweerder voerde in zijn verzoekschrift in hoger beroep en in zijn appelconclusie aan dat hij een gedeelte van zijn loon moest gebruiken voor de betaling van de kosten om zijn arbeidsovereenkomst uit te voeren, zodat hij niet volledig over zijn minimumloon kon beschikken en dat derhalve de clausule in de arbeidsovereenkomst, krachtens welke hij alle beroepslasten diende te dragen, niet aanvaardbaar was en een inbreuk uitmaakte op de sectoriële collectieve arbeidsovereenkomst in de mate hij niet over het minimumloon kon beschikken. Zodoende voerde de verweerder aan dat hij bij de bedoelde overeenkomst geen afstand kon doen van zijn minimumloon of een gedeelte ervan. Het onderdeel, in zoverre het aanvoert dat de onmogelijkheid om afstand te doen van het minimumloon of een gedeelte ervan niet door de verweerder was aangevoerd, mist feitelijke grondslag.
- Het arrest oordeelt niet dat de bedoelde overeenkomst "ongeldig" is wegens een ongeoorloofde oorzaak of voorwerp. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Het feit dat de eiseres de bedoeling zou hebben gehad het minimum baremaloon te ontduiken, betreft een ten overvloede gegeven reden die de beslissing niet noodzakelijk draagt. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Eerste en derde onderdeel
- Het arrest beslist tot de veroordeling van de eiseres op grond van de in het tweede onderdeel tevergeefs bekritiseerde redenen. De onderdelen komen op tegen ten overvloede gegeven redenen die de beslissing niet noodzakelijk dragen, vertonen mitsdien geen belang en zijn derhalve niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 258,92 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div