← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071213.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071213.2 Rolnummer: C.06.0214.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-01-11 Raadplegingen: 289 - laatst gezien 2026-07-03 05:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche Indien het voorwerp van het geschil behoort tot de bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat worden de betekeningen aan de Staat gedaan aan de griffie van de betrokken vergadering; met dergelijke geschillen worden enkel geschillen beoogd waarvan het voorwerp tot de zelfstandige bevoegdheid van deze instellingen behoort en met name niet de aansprakelijkheidsgeschillen wegens foutieve wetgeving. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak Vrije woorden: Betekeningen aan de Staat - Betekeningen aan de griffie van de Kamer of de Senaat - Voorwaarden - Geschil waarvan het voorwerp behoort tot de bevoegdheid van de Kamer of de Senaat Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 42, 1° en 705 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0214.N M.R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, generaal secretariaat, budget en boekhouding, met kantoor te 1000 Brussel, Bisschofsheim 38, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 36, 37, 106 en 109 van de Grondwet; - de artikelen 3, 42, 1°, 705 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 42, 1°, gewijzigd bij de wet van 23 maart 1999, 705 gewijzigd bij de wet van 23 maart 1999 (en zowel voor als na de wijziging bij de wet van 26 mei 2003); - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 28 en 104 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de vordering van de eiser om de verweerder te veroordelen tot betaling van de som van 7.500,00 euro provisioneel met aanstelling van een gerechtsdeskundige met als opdracht te onderzoeken welke schade de eiser geleden heeft ingevolge de belasting op de aan hem uitgekeerde arbeidsongevallenrente vanaf aanslagjaar 1979 tot en met aanslagjaar 1997, ongegrond op de volgende gronden: De eiser werd op 1 december 1976 slachtoffer van een arbeidsongeval toen hij in zijn functie van inspecteur van de gerechtelijke politie werd neergeschoten. Er werd hem een blijvende werkonbekwaamheid toegekend van 50 pct. waardoor hem een rente werd uitgekeerd. De eiser bleef evenwel zijn functie als inspecteur van de gerechtelijke politie verder uitoefenen zodat hij geen inkomstenverlies leed. De eiser werd op de arbeidsongevallenrente belast terwijl hij vaststelde dat deze belasting niet geheven werd voor militairen of rijkswachters die in dezelfde omstandigheden verkeerden. De eiser verwijst naar het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998 dat deze vorm van belasting onwettig acht. Ingevolge voorgaande en voorgehouden feitelijkheden vordert eiser op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schadevergoeding. Zoals alle burgers is de Staat onderworpen aan de rechtsregels en er is geen algemeen rechtsprincipe of wettelijke beschikking dat uitsluit dat de Staat niet zou kunnen gesanctioneerd worden op grond van artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. De fout van een van de organen van de overheid brengt de aansprakelijkheid van de Staat mede op basis van artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek voor zover genoemde organen hun wettelijke bevoegdheden zouden te buiten gaan of inbreuk plegen op de zorgvuldigheidsnorm. De extra-contractuele aansprakelijkheid van de Staat is niet beperkt tot de uitvoerende macht maar strekt zich ook uit over de andere machten van de Staat en derhalve ook over de wetgevende macht. De burgerlijke rechtbanken en in casu dit hof van beroep hebben derhalve rechtsmacht. De belasting die werd geheven op de rente die eiser toekwam vindt haar grondslag in artikel 32bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. Dit artikel houdt conform het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998 een schending in van artikel 10 van de Grondwet doordat het de vergoeding die met toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving wordt gestort tot herstel van een blijvende invaliditeit belastbaar maakt, zonder dat er voor het slachtoffer een inkomstenderving is. De schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zoals vastgesteld door het Arbitragehof in haar arrest van 9 december 1998 valt onder de verantwoordelijkheid van de wetgevende kamers, en niet onder de verantwoordelijkheid van individuele leden van deze kamers. Indien het voorwerp van het geschil behoort tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer van Volksvertegenwoordigers dient in overeenstemming met artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek de betekening te geschieden aan de griffie van de betrokken vergadering. De vordering gesteld en betekend aan de minister van Financiën als vertegenwoordiger van de Belgische Staat in een materie die behoort tot de bevoegdheid van de Senaat en Kamer van Volksvertegenwoordigers is ongegrond. Volledigheidshalve wijst het hof van beroep er op dat artikel 705 van het Gerechtelijk Wetboek zoals van toepassing op het ogenblik van de dagvaarding, niet voorziet in aanvullende regels voor geschillen die behoren tot de bevoegdheid van de wetgevende Kamers. Grieven Eerste onderdeel De Staat wordt, in zijn buitengerechtelijke of gerechtelijke verhoudingen met derden, in beginsel rechtsgeldig vertegenwoordigd door de minister van het departement waarop die verhoudingen betrekking hebben en voor zover die van belang zijn voor de begroting van dat departement. Dit volgt uit de artikelen 28 en 104 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit en uit de artikelen 42, 1°, en 705 van het Gerechtelijk Wetboek. Een vordering gesteund op de extra-contractuele aansprakelijkheid van de Staat voor federale wetgeving die volgens een arrest van het Arbitragehof de Grondwet miskent, dient bijgevolg ingesteld tegen de Staat vertegenwoordigd door de minister die bevoegd is voor de betrokken materie vermits het voorwerp van dit geschil niet behoort tot de zelfstandige bevoegdheid van de Wetgevende Kamers aangezien de federale wetgevende macht gezamenlijk wordt uitgeoefend door de Koning en de Wetgevende Kamers ingevolge artikel 36 van de Grondwet

(1), de Wetgevende Kamers over de wetten stemmen en de Koning ze bekrachtigt ingevolge artikel 109 van de Grondwet
(2)met ministeriële medeondertekening ingevolge artikel 106 van de Grondwet
(3). De eiser vorderde op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schadevergoeding lastens de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor de belastingen die geheven werden op zijn arbeidsongevallenvergoeding tot herstel van blijvende ongeschiktheid zonder inkomstenderving bij toepassing van artikel 32bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), thans artikel 34, §1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)welk artikel volgens het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998 een schending uitmaakt van artikel 10 van de Grondwet. Het bestreden arrest beslist ten onrechte dat het voorwerp van dit geschil behoort tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer. Een vordering tot schadevergoeding wegens foutieve vergunning behoort immers niet tot de zelfstandige bevoegdheid van de Wetgevende Kamers (schending van de artikelen 36, 106 en 109 van de Grondwet, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) zodat het bestreden arrest op die gronden ten onrechte gesteld heeft dat de betekening van de dagvaarding diende te geschieden aan de griffie van de betrokken vergadering en dat de vordering gesteld en betekend aan de minister van Financiën als vertegenwoordiger van de Belgische Staat ongegrond was (schending van de artikelen 37, 106 en 109 van de Grondwet, 28 en 104 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991, 42, 1°, 705 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 705 zowel vóór als na de wijziging bij de wet van 26 mei 2003), 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel De betekeningen worden krachtens artikel 42, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek gedaan aan de Staat op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar, indien het voorwerp van het geschil behoort tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer van Volksvertegenwoordigers aan de griffie van de betrokken vergadering, onverminderd de in artikel 705 gestelde regels. Krachtens artikel 705, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de wijziging bij de wet van 26 mei 2003, wordt de Staat gedagvaard aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar. Krachtens artikel 705, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de wijziging bij de wet van 26 mei 2003, mag de minister die in de zaak betrokken is niet betwisten dat het voorwerp van het geschil tot de bevoegdheid van zijn departement behoort, tenzij hij tevens de betrokken minister in zijn plaats stelt. Wanneer de dagvaarding betekend werd aan de minister en wanneer het voorwerp van het geschil volgens die minister behoorde tot de bevoegdheid van de Wetgevende Kamers dan kon de minister de vordering niet ongegrond doen verklaren louter omdat zij tegen hem gericht was en niet tegen de bevoegde Wetgevende Kamer. Wanneer de minister naliet de bevoegde Wetgevende Kamer in zijn plaats te stellen, dan werd de Staat geacht wettelijk vertegenwoordigd te zijn door de gedagvaarde minister. Het bestreden arrest heeft de vordering van de eiser dan ook ten onrechte ongegrond verklaard louter omdat de vordering gesteld en betekend werd aan de minister van Financiën als vertegenwoordiger van de Belgische Staat in een materie die behoort tot de bevoegdheid van de Wetgevende Kamers (schending van de artikelen 42, 1°, 705 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, het artikel 705 vóór de wijziging bij de wet van 26 mei 2003). Derde onderdeel De betekeningen worden krachtens artikel 42, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, gedaan aan de Staat op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar, indien het voorwerp van het geschil behoort tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer van Volksvertegenwoordigers, aan de griffie van de betrokken vergadering, onverminderd de in artikel 705 gestelde regels. Krachtens artikel 705, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, na de wijziging bij de wet van 26 mei 2003, wordt de Staat gedagvaard aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar. Indien het voorwerp van het geschil behoort tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer van Volksvertegenwoordigers, wordt de Staat, vertegenwoordigd door de Senaat of de Kamer van Volksvertegenwoordigers, gedagvaard aan de griffie van de betrokken assemblee. Krachtens artikel 705, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, na de wijziging bij de wet van 26 mei 2003, mag de minister die in de zaak betrokken is niet betwisten dat het voorwerp van het geschil tot de bevoegdheid van zijn departement behoort, tenzij hij tevens de betrokken minister of Wetgevende Kamer in zijn plaats stelt. Het artikel 705 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 26 mei 2003, is krachtens artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing op de hangende rechtsgedingen en dus ook op de vordering van eiser die werd ingeleid bij exploot van 24 juli
  1. Het bestreden arrest kon derhalve niet wettelijk beslissen dat de vordering gesteld en betekend aan de minister van Financiën in een materie die behoort tot de bevoegdheid van de Wetgevende Kamers ongegrond was omdat artikel 705 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de dagvaarding, niet voorzag in aanvullende regels voor geschillen die behoren tot de bevoegdheid van de wetgevende kamers. Het artikel 705 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 26 mei 2003, is immers ook van toepassing op de hangende rechtsgedingen (schending van artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek) zodat de minister van Financiën niet mocht betwisten dat het voorwerp van het geschil tot de bevoegdheid van zijn departement behoorde zonder de bevoegde Wetgevende Kamer in zijn plaats te stellen en zodat de vordering van de eiser ten onrechte ongegrond verklaard werd louter omdat die vordering gesteld en betekend werd aan de minister van Financiën in plaats van aan de bevoegde Wetgevende Kamer (schending van de artikelen 42, 1°, 705 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, het artikel 705 na de wijziging bij de wet van 26 mei 2003). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 42, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de betekeningen aan de Staat gedaan op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar of, indien het voorwerp van het geschil behoort tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de griffie van de betrokken vergadering, onverminderd de in artikel 705 gestelde regels.
  3. Uit voormelde bepalingen volgt dat het geschil waarvan het voorwerp tot de bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat behoort in de zin van artikel 42, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, enkel betrekking heeft op die geschillen waarvan het voorwerp tot de zelfstandige bevoegdheid van deze instellingen behoort en met name niet op de aansprakelijkheidsgeschillen wegens foutieve wetgeving.
  4. Het bestreden arrest stelt vast: - de eiser vordert schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ten gevolge van de krachtens artikel 32bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen geheven belasting op de hem toekomende arbeidson¬gevallenrente, daar waar deze vorm van belasting bij arrest van het Grondwettelijk Hof van 9 december 1998 onwettig werd bevonden; - de extracontractuele aansprakelijkheid van de Staat is niet beperkt tot de uitvoerende macht, doch strekt zich tevens uit tot de wetgevende macht; - de door het Grondwettelijke Hof in voormeld arrest vastgestelde schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel valt onder de verantwoordelijkheid van de wetgevende kamers; - de vordering gesteld en betekend aan de minister van Financiën als vertegenwoordiger van de Belgische Staat in een materie die behoort tot de bevoegdheid van de Senaat en Kamer van volksver¬tegenwoordigers is "ongegrond".
  5. Door aldus te oordelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum, Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van 13 december 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071213.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.