id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071213.3 Rolnummer: F.06.0041.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-01-11 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-03 05:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een wettelijk forfaitaire vaststelling van de grondslag van de aanslag in een bepaalde sector is een feitelijk gegeven waarop het bestuur, als er geen regelmatige boekhouding wordt voorgelegd, kan steunen en kan gelden als een vermoeden in de zin van art. 59, § 1, W.B.T.W.. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Bewijs - controle (B.T.W.) Vrije woorden: Bewijsmiddelen - Vermoedens - Forfaitaire grondslagen van aanslag Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 59, § 1 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0041.N D.N., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur van het ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdend te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 september 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 56 en 59 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde; - de artikelen 1315, 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De eiseres komt op tegen de bestreden beslissing in de mate dat het hof van beroep daarin haar hoger beroep en dienvolgens ook haar verzet tegen het dwangbevel van 4 december 2001 ongegrond verklaart. Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende gronden: "
- Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 26 februari 2002 dagvaardde (de eiseres) (de verweerder) voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde uitspraak te horen doen over haar verzet tegen het dwangbevel (...) uitgevaardigd door D.L., e.a. inspecteur ad interim (ai.) van het BTW-ontvangkantoor te Brugge op 4 december 2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door I.V. e.a. in¬specteur ai. daartoe aangewezen door de Gewestelijke directeur van de ad¬ministratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en do¬meinen te Blankenberge op 6 december
- In dit dwangbevel werd als schuld lastens (de eiseres) opgenomen: 441.369 BEF (10.941,25 euro) aan BTW, 88.000 BEF (2.181,46 euro) geldboete krachtens artikel 70, §1, van het BTW-Wetboek, meer interesten en vervolgingskosten. Bij vonnis van 8 april 2003 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van (de eiseres) ontvankelijk doch ongegrond ver¬klaard, en werd (de eiseres) veroordeeld tot de kosten. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 1 juli 2003 heeft (de eiseres) hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis. Zij streeft de vernietiging van het bestreden vonnis na en herneemt haar oor¬spronkelijke vordering. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat (de eiseres) er in zou hebben berust. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig. (De verweerder) van zijn kant vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
- In het proces-verbaal van 16 november 2001 (...) werd onder meer vastgesteld dat: - de ontvangsten niet gedetailleerd werden weergegeven in het dagontvangstenboek, maar telkens per dag een totaalbedrag werd ingeschreven; - de contante ontvangsten niet worden gestaafd door stavingsstukken; - er geen enkel detail met betrekking tot de dagontvangsten beschikbaar is. Nazicht van de fotokopies uit het dagontvangstenboek voor de jaren 1997, 1998 en 1999 (...) bevestigt dat (de eiseres) per dag enkel een globaal totaalbe¬drag van de contante ontvangsten inschreef, met daarnaast soms een split¬sing van dit globaal totaalbedrag in totaalbedragen volgens het toepasselijke BTW-tarief. Het detail van de prestaties per dag komt niet voor in dit dagontvangstenboek, en is evenmin te reconstrueren aan de hand van andere stukken. In acht genomen het feit dat een splitsing werd gemaakt tussen verrichtingen onderwor¬pen aan verschillende BTW-tarieven, moet (de eiseres) toch over meer gede¬tailleerde informatie hebben beschikt. (De verweerder) kon aan de hand van de boekhouding derhalve niet uitmaken welke prestaties juist per dag verricht werden, welke prijzen werden toegepast, of het BTW-tarief correct werd gehanteerd, of de (niet voorgelegde) bereke¬ningen juist zijn, en dergelijke meer. Uit dit alles dient te worden afgeleid dat de boekhouding van (de eiseres) onvol¬doende controleerbaar is en terecht verworpen werd door (de verweerder). Deze controleerbaarheid is een essentiële vereiste opdat de boekhouding zou kun¬nen aanvaard worden als voldoende bewijskrachtig om de juiste toepassing van de BTW en de controle ervan te kunnen verzekeren, wat de bedoeling is van de boekhouding zoals uitdrukkelijk blijkt uit de bepaling van artikel 14, §1, van het koninklijk besluit nummer 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoe¬ning van de belasting over de toegevoegde waarde. (De eiseres) beroept zich ten onrechte op het vertrouwensbeginsel. Zij toont im¬mers niet aan dat haar boekhoudingswijze bij controles in het verleden door (de verweerder) werd aanvaard. (De verweerder) betwist trouwens dat hij dit zou hebben aanvaard (...) en wijst er op dat bij de twee controles in het verleden er telkens een omzetverhoging werd doorgevoerd, waarvan één zelfs met ak¬koord van (de eiseres) zodat niet op grond van de boekhouding werd getaxeerd, wat dan weer inhoudt dat zij niet betrouwbaar werd geacht.
- (De verweerder) dient de gerealiseerde omzet te bewijzen. Dit mag hij doen door alle middelen van recht, met inbegrip van vermoedens (artikel 59, §1, van het BTW-Wetboek). Dit is wat gebeurde in het proces-verbaal van 16 november 2001, waar op p. 4 onderaan / p. 5 bovenaan verwezen wordt naar de bewijsmogelijk¬heden van artikel 59, §1, van het BTW-Wetboek, als aanloop om vervolgens gebruik te maken van het forfait. Wanneer het forfait als vermoeden gebruikt wordt heeft (de eiseres) uiteraard geen keuzerecht om dit forfait al dan niet toegepast te zien, zodat de middelen in dit verband door (de eiseres) ontwikkeld ongegrond zijn.
- (De verweerder) ging over tot een berekening van de omzet in volgende stappen (zie het proces-verbaal van 16 november 2001 ...): a. berekening van de werkelijke aankoopprijs: - de aankoopprijs van de producten doorverkoop wordt berekend aan de hand van de gegevens in het dagontvangstenboek van (de eiseres); uit deze ontvangsten wordt eerst de BTW gelicht (door vermenigvuldiging met de breuk 100/121); vervolgens wordt het resultaat gedeeld door 1,58 (coëfficiënt voorzien onder cijfer 21 van het forfait, door toepassing waarvan men tot de aankoopprijs komt, wat wering van de winst inhoudt, maar waarbij ook rekening wordt gehouden met de onttrekkin¬gen voor privé-gebruik en de verkopen in solden en met de verliezen - cijfer 21 van het forfait); - van het totaal bedrag aan producten wordt afgetrokken het bedrag van het zoëven bepaald bedrag van de producten doorverkoop en wordt bijgeteld het bedrag van de kortingen en van de normale waarde van de gratis geleverde producten zoals berekend door de NV Fiac (...) voor de jaren 1998 en 1999 is de Administratie vertrokken van het totaal bedrag aan producten na verbetering van de inventaris; aldus wordt het totaal bedrag aan producten bekomen verbruikt in het kapsalon (geen doorverkoop); b. forfaitaire berekening van de aankoopprijs: - van de ontvangsten van het kapperssalon volgens de BTW-aangiften wordt het bedrag van de ontvangsten producten doorverkoop afgetrok¬ken (zie hoger); - op het bedrag van de aldus verminderde ontvangsten wordt dan de aankoopprijs van de producten forfaitair berekend door toepassing van een coëfficiënt van 12 pct. (percentage bepaald in cijfer 20 van het forfait om het aandeel van de producten te bepalen in de in het dameskap¬persalon verstrekte diensten). c. vergelijking werkelijke aankoopprijs met forfaitair berekende aankoopprijs: - omdat de werkelijke aankoopprijs van de producten hoger is dan de for¬faitair berekende aankoopprijs, worden de ontvangsten van het kapperssalon volgens BTW-aangifte min de ontvangsten producten doorverkoop verhoudingsgewijze tot de werkelijke aankoopprijs verhoogd door vermenigvuldiging met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan de forfaitaire aankoopprijs en de teller aan de werkelijke aankoopprijs; d. berekening van het niet aangegeven tekort aan omzet: - van de aldus berekende omzet wordt de aangegeven omzet afgetrok¬ken om tot het tekort te komen. (De eiseres) komt op tegen deze berekeningswijze, stellende dat de Administratie cijfer 20 van het forfait toepast en in plaats van een vergelijking te maken met de forfaitair vastgestelde aangegeven omzet, vergelijkt met de werkelijk aangegeven omzet zoals die blijkt uit de dagontvangstboeken. Er moet worden vastgesteld dat het cijfer 20 van het forfait een methode opgeeft voor het berekenen van een minimumomzet. Zoals de eerste rechter terecht opmerkte komt deze methode er op neer dat volgens het forfait in het type kapsalon van (de eiseres) de verwerkte (niet doorverkochte) producten wor¬den geacht 12 pct. van de totale gerealiseerde omzet uit te maken. Vertrekkende van de aankoopprijs van de verwerkte producten is het derhalve mogelijk de minimumomzet te bepalen die overeenstemt met de aankoopprijs van de verwerkte producten, nl. deze aankoopprijs gedeeld door 12 pct., of 1/12 pct. maal de aankoopprijs, of 100/12 maal de aankoopprijs, of 8,3334 maal de aankoopprijs zoals door de eerste rechter aangegeven. Het is deze berekening die (de verweerder) uiteindelijk maakte om de minimumomzet te berekenen. De bepaling van deze verhouding gebeurde in akkoord met de beroepsorgani¬saties van kappers, organisaties die over de nodige kennis beschikken om dergelijke verhouding te bepalen, en moet dan ook geacht worden een getrouw beeld te geven van de normale verhouding omzet/aankoopprijs verwerkte producten die toelaat de minimumomzet te berekenen. Er is geen bezwaar dat (de verweerder) deze mathematische verhouding als vermoeden zou toepassen op de aankoopprijs zoals die blijkt uit de dagont¬vangstboeken om de omzet te bewijzen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze verhouding zou wijzigen naargelang met een forfaitair vastge¬stelde omzet dan wel de werkelijke omzet rekening zou worden gehouden. Het feit dat vanaf het BTW-forfait 2002 de coëfficiënt 11 pct. in plaats van 12 pct. werd is niet van aard de betrouwbaarheid van de berekening in het gedrang te brengen. De berekening heeft immers betrekking op de BTW voor de jaren 1997 tot en met 1999 hetzij van drie jaren en meer voordien. Het wordt verder niet bewezen door (de eiseres) dat haar (door tussenkomst van haar echtgenoot, zo wordt beweerd) meer kortingen dan normaal werden toegekend door de leverancier. In het proces-verbaal van 25 oktober 2001 (...) wordt vastgesteld dat de producten die Fiac opgaf deze zijn bestemd voor verwerking en niet voor doorverkoop: ‘op onze vraag stelde Fiac een bestand samen, voor elk van de jaren 1997, 1998 en 1999, dat het totaal voor elk jaar bevat voor alle klanten, van de ontvangen kortingen en van de gratis artikelen. Deze bestanden bevatten tevens de identiteit van de klant, zijn BTW-nr. en zijn klantennummer. Van deze bestanden werd eveneens een afdruk onder vorm van een listing voorgelegd. Fiac heeft eveneens bestanden ter beschikking die toelaten eventueel het de¬tail te verstrekken per factuur. Het gaat hier enkel om producten voor verwer¬king met uitsluiting van artikelen voor doorverkoop'. Hieruit blijkt dat het Fiac mogelijk is het onderscheid te maken tussen de producten voor verwerking en die voor doorverkoop, dat Fiac dit onderscheid heeft gemaakt en aan (de ver¬weerder) heeft opgegeven wat bestemd was voor verwerking met uitsluiting van de artikelen voor doorverkoop. Aan de hand van de precieze mededelin¬gen van Fiac kon dan ook duidelijk uitgemaakt worden welke producten en voor welke waarde werden geleverd voor verbruik. Er zijn geen redenen om aan de juistheid van de door Fiac verstrekte gege¬vens te twijfelen. In het zojuist vermelde proces-verbaal werd trouwens door de verbalisanten vastgesteld dat deze gegevens gehaald werden uit de bestanden van Fiac die toelaten het detail van de factuur te verstrekken, wat de betrouwbaarheid ervan bevestigt. De door Fiac verschafte gegevens zijn te beschouwen als bekend feit. (De eiseres) bewijst in het geheel niet dat een deel van de producten die aan (de ei¬seres) gefactureerd werden en geleverd, door haar echtgenoot werden aangewend als artistiek coördinator van Indola. Verder uit (de eiseres) tal van beweringen waaruit zou moeten afgeleid worden dat de berekening door (de verweerder) uitgevoerd en ontleend aan het kappersforfait niet zou opgaan. Het gaat echter om niet bewezen beweringen die de uitgevoerde berekening niet op de helling zetten. Dat de echtgenoot aan (de eiseres) geleverde producten zou aanwenden voor zijn activiteit bij Indola wordt niet eens waarschijnlijk gemaakt. Het stuk 12 of het stuk 28 van (de eise¬res) toont dit niet aan, maar hebben betrekking het een op producten aan de Heer V.H. geleverd door Indola, het ander op de bij Indola beschikbare producten in
- De voorgelegde video's tonen aan dat deze echtgenoot actief is bij Indola, meer niet. Het gebruiken van producten zonder doorreke¬ning aan klanten wordt evenmin waarschijnlijk gemaakt, evenals het beweerd niet aanwenden van deze producten. Er wordt bovendien niet het minste bewijs geleverd dat de door Fiac geleverde producten of een deel ervan niet verwerkt werden en nog in eindstock waren. De stelling dat de gratis of met korting verkregen producten niet resulteren in een niet-aangegeven meeromzet, is strijdig met de in het forfait opgenomen berekening, waarvan de waarde reeds hoger werd aangegeven. Enkele bewe¬ringen van (de eiseres) zijn niet van aard om deze berekeningswijze als onbe¬trouwbaar af te doen. Het gegeven dat er in Wenduine 7 kappers zouden zijn is evenmin van aard deze berekening in het gedrang te brengen. De voorgelegde medische attesten (...) geven wel aan dat (de eiseres) en haar echtgenoot medische problemen hebben, maar in hoeverre dit een weerslag had op de uitbating van de kapperszaak blijkt niet. Het overlopen van de foto¬kopies uit het boek van contante ontvangsten (...) toont, naast een blijkbaar terugkomende gebruikelijke vakantieperiode begin januari en in oktober geen belangrijke sluitingsperiodes van de kapperszaak aan.
- De opgelegde boete van 20 pct. is deze wettelijk voorzien bij de artikelen 70, §1, van het BTW-Wetboek en de bijlage G bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststel¬ling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, cijfer V, voor o.m. ‘onjuistheden vastgesteld bij het nazicht van de boekhouding met betrekking tot de inhoud ervan; belastbare handelingen zijn niet, slechts gedeeltelijk, of zijn laattijdig opgeno¬men in de daartoe bestemde aangifte'. De boete aan (de eiseres) opgelegd in toepassing van artikel 70, §1, van het BTW-Wetboek is een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 van het EVRM (Verdrag van 1 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955). Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het hof (van beroep) bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004; Silvester's Horeca Service t/ Bel¬gië. www.echr.coe.int). Het hof (van beroep) kan onder meer nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, wat ook inhoudt dat het hof (van beroep) mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijnde administratieve boete (vergelijk met Cass. 24.01.2002, Pas. 2002, nr. 51 p. 226 en met Cass. 21.01.2005, rolnr. C.O2.0572.N, www.cass.be). De opgelegde geldboete kan te dezen niet als onevenredig met de inbreuk worden beschouwd en (de verweerder) kon in redelijkheid overgaan tot het opleggen ervan. Het voeren van een correcte boekhouding is een essentiële vereiste teneinde een gedegen controle mogelijk te maken. Reeds voor de jaren voorafgaand aan de thans in betwisting zijnde jaren diende (de verweerder) over te gaan tot omzetverhoging. Met het onvoldoende gedetailleerd houden van de boekhouding zoals hier (zie hoger) is het zelfs voor een leek duidelijk dat ernstige controle wordt belemmerd". (folio's 1107-1112 van het bestreden arrest). Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 56, §1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde kan de grondslag van de aanslag m.b.t. kleine ondernemingen onder bepaalde voorwaarden worden gevestigd op forfaitaire grondslagen, waarbij het krachtens artikel 56, §2, in fine van datzelfde wetboek, in voorkomend geval aan de desbetreffende kleine onderneming toekomt om met het oog op de toepassing van de belasting al dan niet te kiezen voor deze forfaitaire regeling. Het bij toepassing van de voormelde bepaling vastgestelde forfait houdt aldus een afwijking in van de normale maatstaf van heffing waarvoor een kleine onderneming in voorkomend geval kan opteren, en houdt geenszins een bewijsmiddel in dat als zodanig door de Administratie kan worden aangevoerd tegen deze onderneming, wanneer deze laatste niet heeft geko¬zen voor de toepassing van het forfait. Aldus kunnen de forfaitaire grondslagen die bij toepassing van artikel 56, §1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde worden vastgesteld voor een bepaalde groep van kleine ondernemingen, op zichzelf niet als een feitelijk vermoeden worden beschouwd m.b.t. de daadwerkelijk door een welbepaalde belastingplichtige gerealiseerde omzet, nu het bewuste forfait uit zijn aard slechts een weergave inhoudt van de normale mi¬nimumomzet die binnen een bepaalde sector kan worden aanvaard als maatstaf voor de belastingheffing. De rechter kan bij toepassing van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek immers slechts op een wettige wijze rekening houden met een feitelijk vermoeden in zoverre er sprake is van gevolgtrekkingen waarbij uit een bekend feit een onbekend feit wordt afgeleid. Te dezen werd door geen van de partijen betwist dat de belasting-administratie in het proces-verbaal van 16 november 2001 dat tot het betwiste dwangbevel heeft geleid, de beweerde btw-schuld in hoofde van eiseres heeft berekend op basis van de forfaitaire grondslag die werd vastgelegd voor de kappers (het zgn. "kappersforfait"). Na te hebben opgemerkt dat het forfait te dezen "als een vermoeden gebruikt wordt" (randnr. 3 op folio 1108 van het bestreden arrest), maakt het hof van beroep in de bestreden beslissing overigens uitdrukkelijk melding van de desbetreffende berekening op basis van dit forfait (cf. randnr. 4 op folio's 1108-1110 van het bestreden arrest). De bestreden beslissing kon er evenwel niet wettig van uitgaan dat het in artikel 56 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde forfait kan worden beschouwd als een feitelijk vermoeden, nu uit forfaitaire grondslagen voor de belasting niet wettig de concrete omzet van een welbepaalde belastingplichtige in een concrete situatie kan worden afgeleid, en nu het forfait te dezen bovendien werd toegepast met miskenning van het voormelde keuzerecht van de eiseres, die nooit voor het forfait heeft geopteerd. De concrete omzet van een welbepaalde belastingplichtige in een concrete situatie kan, als "onbekend feit", immers onmogelijk naar recht wor¬den afgeleid uit het "bekende feit", nl. de vastgestelde forfaitaire grondslagen als zodanig. De appelrechters miskennen dan ook het rechtsbegrip "feitelijk vermoeden" en schenden bijgevolg de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 59, §1, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en miskennen voorts de draagwijdte van de vastgestelde forfaitaire grondslagen voor de aanslag door deze als een bewijsmiddel en meer in het bijzonder als een vermoeden te beschouwen dat door de administratie tegen een belastingplichtige kan wor¬den aangewend bij de vaststelling van diens gerealiseerde omzet, zodat tevens de artikelen 56 en 59, §1, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde worden geschonden. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de toepassing van het forfait te dezen blijkt uit een door de administratie opge¬steld proces-verbaal. De bijzondere bewijswaarde die aan een dergelijk pro¬ces-verbaal toekomt, geldt immers slechts voor wat de fiscale ambtenaar zelf persoonlijk heeft vastgesteld en niet voor loutere gevolgtrekkingen uit de door hem gedane vaststellingen. In zoverre de appelrechters de wettigheid van de toepassing van het forfait te dezen afleiden uit de omstandigheid dat één en ander blijkt uit het proces-verbaal van de administratie, schenden ze dan ook in dit opzicht artikel 59, §1, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Tweede onderdeel Zelfs in zoverre zou worden aangenomen dat het forfait te dezen kon worden beschouwd als een vermoeden dat door de administratie kon worden aangewend tot vaststelling van de door de eiseres gerealiseerde omzet, is de bestreden beslissing niet wettig verantwoord. De bewijslast m.b.t. de door de eiseres gerealiseerde omzet berustte, overeenkomstig artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 59, §1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, immers in elk geval op de administratie, aan wie het derhalve toekwam om de reële omzet van de eiseres op grond waarvan de be¬twiste aanslag werd geheven, te bewijzen. Te dezen beperkt het hof van beroep zich tot de vaststelling dat de toepassing van de forfaitaire parameters toelaat om de "minimumomzet" te berekenen (folio 1110 van het bestreden arrest), zonder evenwel vast te stel¬len dat deze met de reële omzet van de eiseres zou overeenstemmen. Dienaangaande had de eiseres de a.h.v. het forfait berekende belas¬ting betwist op grond van meerdere feitelijke gegevens - waaronder de om¬standigheid dat zij door de tussenkomst van haar echtgenoot "meer kortingen dan normaal" kreeg toegekend door haar leverancier (voorlaatste alinea van folio 1110 van het bestreden arrest), de omstandigheid dat een deel van de haar gefactureerde goederen door haar echtgenoot werden aangewend als artistiek coordinator van "Indola" (tweede alinea van folio 1111 van het bestre¬den arrest), alsook het bestaan van belangrijke ziekte- en sluitingsperiodes (voorlaatste alinea van folio 1111 van het bestreden arrest) - op grond waarvan zij had gesteld dat de berekening op grond van het kappersforfait in het onderhavige geval niet kon opgaan (derde alinea van folio 1111 van het bestreden arrest). De appelrechters verwerpen evenwel deze verweermiddelen van de eiseres op grond van de overweging dat de eiseres de desbetreffende feitelijke omstandigheden niet zou bewijzen (voorlaatste alinea van folio 1110, tweede en derde alinea van 1111 van het bestreden arrest) of dat zij minstens de weerslag van één en ander op de kapperszaak niet zou bewijzen (voorlaatste alinea van folio 1111 van het bestreden arrest), waardoor de bewijslast om¬trent één en ander op de eiseres wordt gelegd. Bovendien worden bepaalde verweermiddelen van eiseres louter verworpen op grond van de bedenking dat ze strijdig zijn met de forfaitaire pa¬rameters. Aldus oordeelt het hof van beroep dat "de stelling dat de gratis of met korting verkregen producten niet resulteren in een niet-aangegeven meer-omzet, (...) strijdig (is) met de in het forfait opgenomen berekening, waarvan de waarde reeds hoger werd aangegeven", en dat "(e)nkele beweringen van (de eiseres) (...) niet van aard (zijn) om deze berekeningswijze als onbetrouwbaar af te doen" (vierde alinea van folio 1111 van het bestreden arrest). Hoewel het hof van beroep vooraf stelt dat de verweerder "de gereali¬seerde omzet (dient) te bewijzen" (randnr. 3 op folio 1108 van het bestreden arrest), gaat het hof er aldus niet wettig van uit dat de bewijslast m.b.t. de ge¬beurlijke onjuistheid van de toepassing van de forfaitaire parameters op de eise¬res zou rusten. Het forfait kan immers niet worden beschouwd als een wettelijk vermoeden in de zin van de artikelen 1350 en 1352 van het Burgerlijk Wetboek, en geniet als zodanig dan ook geen wettelijke bewijswaarde. De appelrechters miskennen aldus de regels inzake de bewijslast en schenden bijgevolg artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 59, §1, van de wet van 3 juli 1969 tot invoe¬ring van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de artikelen 1350 en 1352 van het Burgerlijk Wetboek. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de toepassing van het forfait te dezen blijkt uit een door de administratie opge¬steld proces-verbaal. De bijzondere bewijswaarde die aan een dergelijk pro¬ces-verbaal toekomt, geldt immers slechts voor wat de fiscale ambtenaar zelf persoonlijk heeft vastgesteld en niet voor loutere gevolgtrekkingen uit de door hem gedane vaststellingen. In zoverre de appelrechters oordelen dat de be¬wijslast nopens de niet-toepasselijkheid van het forfait te dezen op eiseres rust op grond van de omstandigheid dat één en ander blijkt uit het proces-verbaal van de administratie, schenden ze dan ook in dit opzicht artikel 59, §1, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Artikel 59, §1, van het BTW-wetboek zoals hier toepasselijk luidt: "Overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën". Die vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de rechter, onder de voorwaarden van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, uit een bekend feit kan afleiden om te besluiten tot een onbekend feit.
- Een wettelijk forfaitaire vaststelling van de grondslag van de aanslag in een bepaalde sector - te dezen deze van de kappers - is een feitelijk gegeven waarop het bestuur, als er geen regelmatige boekhouding wordt voorgelegd, kan steunen en kan gelden als een vermoeden in de zin van het genoemde artikel 59, §1, BTW-wetboek.
- Het onderdeel dat aanvoert dat het wettelijk forfait in die omstandigheden niet kan gelden als een vermoeden, kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Na te hebben vastgesteld dat de boekhouding van de eiseres niet toeliet de belastbare grondslag te berekenen, beoordeelt het arrest de gegevens die worden aangevoerd door de beide partijen. Het legt hierbij niet de bewijslast op de schouders van de eiseres maar oordeelt dat de gegevens aangereikt door de eiseres als verweer niet van aard waren om de door de appelrechters aanvaarde minimumomzet in vraag te stellen.
- Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechters de bewijslast hebben omgekeerd, kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 405,16 euro jegens de eisende partij en op de som van 100,48 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van 13 december 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071213.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div