← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 22

- 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 2 - 4 De omstandigheid dat een verdachte die een vreemde taal spreekt en wiens verwijzing naar het vonnisgerecht wordt gevorderd, geen vertaling van de processen-verbaal, de verklaringen van getuigen of klagers en van de verklaringen van deskundigen kan vorderen op grond van artikel 22 Taalwet Gerechtszaken, doet geen afbreuk aan zijn recht op de eerbiediging van zijn recht van verdediging, die naar omstandigheden de strafrechter ertoe kan nopen onder andere voorwaarden als bepaald in artikel 22 Taalwet Gerechtszaken de vertaling van stukken in een andere Belgische landstaal te bevelen. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Regeling van de rechtspleging - Artikel 22 Taalwet Gerechtszaken - Verdachte die een vreemde taal spreekt en die zich niet kan beroepen op artikel 22 Taalwet Gerechtszaken Wettelijke bepalingen:

Art. 22

- 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Taalgebruik - Artikel 22 Taalwet Gerechtszaken - Verdachte die een vreemde taal spreekt en die zich niet kan beroepen op artikel 22 Taalwet Gerechtszaken Wettelijke bepalingen:

Art. 22

- 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Regeling van de rechtspleging - Taalgebruik - Artikel 22 Taalwet Gerechtszaken - Verdachte die een vreemde taal spreekt en die zich niet kan beroepen op artikel 22 Taalwet Gerechtszaken Wettelijke bepalingen:

Art. 22

- 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 5 - 6 Noch het vroegere artikel 127, 6°, Wetboek van Strafvordering, noch het huidige artikel 127, § 2 van hetzelfde wetboek, noch het recht van verdediging vereisen dat de inverdenkinggestelde, na het verstrijken van de termijn van 15 dagen waarvan sprake in hoger vernoemde wetsbepalingen, toegang moet kunnen blijven hebben tot het dossier tot op het tijdstip van het in beraad nemen van de zaak door het onderzoeksgerecht. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Inzage van het dossier ter griffie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127, 6° Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Regeling van de rechtspleging - Inzage van het dossier ter griffie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127, 6° Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 7 De wet die vanaf een bepaald ogenblik een wettelijke onderzoeksmaatregel invoert die voordien niet bestond, en daarvoor een nieuwe rechtspleging instelt, is geen wet in de zin van artikel 3 Gerechtelijk Wetboek die onmiddelijk kan worden toegepast op nog aanhangige rechtsgedingen van vóór de nieuwe wet

(1).
(1)Het openbaar ministerie concludeerde niet in deze zin en ontmoette de problematiek van de werking van de strafwet in de tijd dan ook niet. Het was van oordeel dat de grieven van eiser op zich reeds konden verworpen worden door te verwijzen naar de eerdere rechtspraak van het Hof in verband met de inhoudelijke voorwaarden inzake de toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering. Zie Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.0841.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2, nr. ...; Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.0898.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5, nr. ...; Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.1016.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5, nr. ... Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Wet die een nieuwe onderzoeksmaatregel invoert - Wet die daarvoor een nieuwe rechtspleging instelt - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 3 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 189ter en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 8 De artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering voeren een rechtspleging in waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid beoordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, voor zover zij daartoe het vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies of 47novies Wetboek van Strafvordering, moet controleren
(1).
(1)Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.0841.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2, nr. ...; Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.0898.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5, nr. ...; Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.1016.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5, nr. ... Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Beoordeling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Artikel 189ter, Wetboek van Strafvordering - Artikel 235ter, Wetboek van Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47septies, 47novies, 189ter en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 9 De artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering voeren geen rechtspleging die, los van het vertrouwelijk dossier bedoeld in de artikelen 47septies of 47novies Wetboek van Strafvordering, op algemene wijze de kamer van inbeschuldigingstelling het onderzoek toevertrouwen van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Beoordeling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Artikel 189ter, Wetboek van Strafvordering - Artikel 235ter, Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte - Beperking Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47septies, 47novies, 189ter en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 10 Indien voor de strafrechter, aan wie het staat de wettigheid en de regelmatigheid van het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs te beoordelen, aannemelijk wordt gemaakt, dat vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 betreffende bijzondere opsporingsmethoden dergelijke opsporingsmethoden werden gebruikt die door de nieuwe wet bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie worden genoemd, dan moet hij oordelen of het gebruik van deze methoden al dan niet verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces en of het bewijs dat er uit voortgesproten is, betrouwbaar is; bij twijfel over een en ander moet de rechter dat bewijs uitsluiten. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden gebruikt vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 - Toelaatbaarheid - Beoordeling door de rechter Tekst van de beslissing Nr. P.07.1332.N I. S J S, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel. II. Y M M J D, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge. III. J V K, inverdenkinggestelde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. IV. W M V C, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Bart De Geest, advocaat bij de balie te Brussel. V. T M L E D G, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 juni
  1. De eiser I voert in een memorie, een middel aan. De eiser II voert in een memorie, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie, een middel aan. De eiser IV voert in een memorie, twee middelen aan. De eiser V voert in een memorie, twee middelen aan. Deze memories zijn aan dit arrest gehecht. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Afstand van het cassatieberoep
  2. De eisers II en V doen zonder berusting afstand van hun cassatieberoep voor zover het voorbarig zou zijn.
  3. Ten aanzien van de eiser II doet het arrest enkel uitspraak over de regelmatigheid van de verwijzingsbeschikking. Aldus doet het arrest uitspraak met toepassing van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering en is het vatbaar voor onmiddellijk cassatieberoep. Er is geen grond tot het verlenen van de afstand aan deze eiser.
  4. Ten aanzien van de eiser V, was de kamer van inbeschuldigingstelling ook gevraagd uitspraak te doen over de regelmatigheid van de onderzoekshandeling observatie. In zoverre doet het arrest uitspraak met toepassing van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering en is het voor onmiddellijk cassatieberoep vatbaar. In zoverre het cassatieberoep tegen die beslissing is gericht, is er geen grond tot het verlenen van de afstand. Beoordeling Middel van de eiser I Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 22 Taalwet Gerechtszaken, de artikelen 10 en 11 Grondwet, artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het onderdeel bekritiseert het oordeel van het bestreden arrest dat de eiser niet behoort tot de categorie van de verdachten die een vertaling van de processen-verbaal, de verklaringen van getuigen of klagers en de verslagen van deskundigen, kunnen vorderen. Het onderdeel voert ook aan dat in de mate het Hof van oordeel zou zijn dat artikel 22 Taalwet Gerechtszaken in die zin moet worden geïnterpreteerd dat een persoon die niet de Belgische nationaliteit heeft, en die één van de Belgische landstalen spreekt, geen aanspraak kan maken op het recht op vertaling van de door genoemd artikel 22 bedoelde stukken, dit artikel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met artikel 6 EVRM schendt. Het onderdeel verzoekt het Hof daarom de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 22, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, samen gelezen met artikel 6 EVRM, het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het aan een Belgische verdachte, die strafrechtelijk wordt vervolgd in een Nederlandstalige procedure en die alleen het Frans en/of het Duits verstaat, toelaat om een Franse of Duitse vertaling te vorderen van de processen-verbaal, de verklaringen van getuigen of klagers en de verslagen van deskundigen, die in het Nederlands zijn opgesteld, terwijl deze bepaling dit niet toelaat aan een niet Belgische verdachte, die strafrechtelijk wordt vervolgd in een Nederlandstalige procedure en die naast zijn niet Belgische landstaal ook het Frans en/of het Duits verstaat?".
  6. Artikel 22 Taalwet Gerechtszaken bepaalt: "Ieder verdachte die alleen Nederlands en Duits of een van die talen verstaat, kan vorderen dat bij zijn dossier een Nederlandse of een Duitse vertaling wordt gevoegd van de processen-verbaal, de verklaringen van getuigen of klagers en de verslagen van deskundigen die in het Frans zijn gesteld. Iedere verdachte die alleen Frans en Duits of een van die talen verstaat, kan vorderen dat bij zijn dossier een Franse of een Duitse vertaling wordt gevoegd van genoemde stukken die in het Nederlands zijn gesteld. Eveneens kan iedere verdachte die alleen Frans en Nederlands of een van die talen verstaat, vorderen dat bij zijn dossier een Franse of een Nederlandse vertaling wordt gevoegd van genoemde stukken die in het Duits zijn gesteld. De verdachte zal, langs de griffie, zijn verzoekschrift aan den ambtenaar van het openbaar ministerie overmaken; het zal niet meer ontvankelijk zijn, na verloop van acht dagen volgende op de betekening, hetzij van het bevelschrift tot verwijzing naar het Hof van Assisen, hetzij van de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van de politierechtbank, van de militaire rechtbank of van de correctionele rechtbank zitting houdend in eerste aanleg. Hetzelfde recht wordt erkend aan de verdachten, voor de rechtscolleges in hoger beroep, wat betreft de nieuwe over te leggen stukken. De kosten van vertaling zijn ten laste der Schatkist". Deze wetsbepaling betreft naar haar uitdrukkelijke bewoording alle verdachten die alleen, versta uitsluitend, Nederlands, Duits of Frans verstaan, en niet de verdachten die een andere dan een van deze drie talen spreken en bovendien slechts Nederlands, Duits of Frans verstaan. Zij kan dus niet in die zin worden uitgelegd dat ze een onderscheid maakt tussen Belgen en vreemdelingen. Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste uitlegging van artikel 22 Taalwet Gerechtszaken en er is dan ook geen grond om het Grondwettelijk Hof de opgeworpen prejudiciële vraag te stellen.
  7. De omstandigheid dat een verdachte die een vreemde taal spreekt en wiens verwijzing naar het vonnisgerecht wordt gevorderd, geen vertaling daarvan kan vorderen op grond van artikel 22 Taalwet Gerechtszaken, doet nochtans geen afbreuk aan zijn recht op de eerbiediging van zijn recht van verdediging. De eerbiediging van het recht van verdediging kan naar omstandigheden de strafrechter ertoe nopen onder andere voorwaarden als bepaald in artikel 22 Taalwet Gerechtszaken de vertaling van stukken in een andere Belgische landstaal te bevelen. Bij de beoordeling of een dergelijke vraag moet gehonoreerd worden, kan de rechter rekening houden met alle ter zake relevante omstandigheden.
  8. De appelrechters overwegen dat: - "immers [de eiser] tot tijdens de eindbehandeling van de zaak vóór dit [hof van beroep], kamer van inbeschuldigingstelling, in staat was zijn verdediging naar voor te brengen, er steeds een advocaat voor hem opgetreden is die het Nederlands machtig is en het duidelijk is dat [de eiser] wist waarover de tenlasteleggingen gingen; - dit onder meer duidelijk blijkt uit het gegeven dat [de eiser] op 29 september 2003, overeenkomstig art. 61quinquies juncto art 127 Wetboek van Strafvordering, om aanvullende onderzoeksdaden verzocht, ten einde het dossier in staat te stellen; - [de eiser] zijn verklaringen tijdens het onderzoek steeds in het Arabisch aflegde, trouwens de officiële taal van Libanon (6.8 kaft 51 stukken 84 en volgende); - bij verzoekschrift van 30 augustus 2005 hij voorhield de Franse taal te spreken en verzocht om vertaling van het strafdossier dat een omvang heeft van 75 kartons, in het Frans; dat dit verzoek duidelijk dilatoir voorkomt". Op grond van deze relevante omstandigheden vermochten de appelrechters wettig eisers vordering tot vertaling van het strafdossier in het Frans af te wijzen. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 22 Taalwet Gerechtszaken.
  10. Het onderdeel bouwt verder op de onjuiste uitlegging van artikel 22 Taalwet Gerechtszaken. Het is niet ontvankelijk. Middel van de eiser II Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert miskenning aan van de contradictoire aard van de procedure van de regeling van de rechtspleging voor de onderzoeksgerechten, schending van de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering, inzonderheid artikel 127, zesde lid, Wetboek van Strafvordering en miskenning van het recht van verdediging. Het onderdeel verzoekt in ondergeschikte orde het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de artikelen 127, 135 en 223 van het Wetboek van Strafvordering, die op heden het beginsel van de contradictoire aard van de rechtspleging voor de onderzoeksgerechten bevatten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre: - deze artikelen zo dienen geïnterpreteerd te worden dat ze niet meebrengen dat bij de procedure van de rechtspleging door de onderzoeksgerechten, het strafdossier ter inzage moet zijn van de partijen gedurende de ganse tijd van het behandelen van de zaak, en dit dus - in de gevallen waarin op de inleidingszitting niet onmiddellijk wordt gepleit, maar naar een latere datum wordt verdaagd - ook na deze inleidingszitting tot aan de sluiting van de debatten; - terwijl dit wel zo is bij de behandeling van de zaak ten gronde voor de vonnisgerechten?".
  12. Zoals het bestreden arrest oordeelt, vereist artikel 127, zesde lid, Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing tot 25 juni 2005, niet dat het dossier permanent ter inzage moet blijven tot aan de uiteindelijke behandeling van het dossier door de raadkamer. Voorts hebben de appelrechters op grond van het feitelijke verloop van de rechtspleging wettig kunnen oordelen dat eisers recht van verdediging werd geëerbiedigd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
  13. De voorgestelde prejudiciële vraag wijst geen wettelijke bepaling aan die voorschrijft dat het strafdossier gedurende de hele duur van de behandeling door het vonnisgerecht tot aan het sluiten van het debat ter inzage moet blijven van de partijen. Het Hof moet in dergelijk geval het Grondwettelijk Hof geen prejudiciële vragen stellen. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert miskenning aan van de contradictoire aard van de regeling van de rechtspleging voor de onderzoeksgerechten en schending van de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering, op grond dat het bestreden arrest niet heeft geantwoord op eisers argument dat het strafdossier tijdens de behandeling van de procedure tot regeling voor de raadkamer zeker ter inzage van de partijen moet liggen op de ogenblikken dat deze partijen besluiten dienen neer te leggen ingevolge conclusieregeling vastgesteld door deze raadkamer in het kader van deze rechtspleging.
  15. Het door het onderdeel bedoelde argument vormde geen afzonderlijk verweer. Door eisers verweer gemotiveerd te verwerpen, hebben de appelrechters meteen het argument ter ondersteuning van dit verweer afgewezen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Middel van de eiser III
  16. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel houdende de rechten van verdediging en schending van artikel 127 Wetboek van Strafvordering, zowel in zijn versie van vóór de wijziging bij wet van 31 mei 2005, als in zijn versie na die wijziging. Het middel stelt dat uit de omstandigheid dat de voormelde wetteksten slechts gewagen van een minimale toegang tot het dossier gedurende 15 dagen, niet volgt dat, zodra die tijdspanne verstreken is, de toegang tot het dossier aan de inverdenkinggestelde kan ontzegd worden, dewelke op straffe van de miskenning van zijn rechten van verdediging, die toegang moet kunnen blijven hebben tot het tijdstip van het in beraad nemen door het onderzoeksgerecht.
  17. Noch artikel 127 Wetboek van Strafvordering, in zijn vroegere of huidige versie, noch het recht van verdediging vereisen wat het middel voorhoudt. Het middel faalt naar recht. Eerste middel van de eiser IV
  18. Het middel voert schending aan van de artikelen 135 en 223 Wetboek van Strafvordering. Het stelt: - "Het recht op tegenspraak impliceert dat een arrest gewezen door het hof van beroep, kamer van inbeschuldigingstelling dient gemotiveerd te zijn; - dat niet wordt geantwoord op de middelen van [de eiser]; - dat woordelijk de vordering van het openbaar ministerie en de besluiten van het openbaar ministerie met betrekking tot [de eiser], worden overgenomen; - dat minstens het [hof van beroep] de wettelijke verplichting heeft de middelen van [de eiser] te onderzoeken (art. 135, § 3, lid 4 en 5); - dat uit het bestreden arrest duidelijk blijkt dat zulks niet is geschied; - dat de bestreden beslissing hoger aangehaalde wetsbepaling schendt".
  19. Niets verbiedt de kamer van inbeschuldigingstelling een beslissing te motiveren door overneming van een vordering of conclusie van het openbaar ministerie. Het middel dat geheel berust op een andere onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel van de eiser IV
  20. Het middel dat drie onderdelen bevat, voert schending aan van de artikelen 135, § 3, 223 en 235 Wetboek van Strafvordering en miskenning van het recht van verdediging. Eerste onderdeel
  21. Het onderdeel bekritiseert vooreerst het feit dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet beargumenteert waarom zij geen twee getuigen oproept.
  22. Het onderdeel omvat onontwarbaar eisers verweer voor de raadkamer en voor de kamer van inbeschuldigingstelling. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
  23. Het onderdeel bekritiseert vervolgens de motieven van de weigering van het bestreden arrest het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen met betrekking tot de artikelen 135, § 2, en 235 Wetboek van Strafvordering. Het stelt dat de kamer van inbeschuldigingstelling minstens had moeten beargumenteren waarom ze de vraag niet stelde.
  24. Het bestreden arrest motiveert waarom het geen prejudiciële vraag stelt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  25. Het onderdeel is geheel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste middel en tweede middel, eerste onderdeel. Het is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  26. Het onderdeel stelt dat, indien zou worden geoordeeld dat het middel niet bij schriftelijke conclusie werd opgeworpen voor de raadkamer en bijgevolg niet ontvankelijk is, het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag wordt voorgelegd: "Schendt het artikel 135, §2, van het Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu hierin een onderscheid wordt gemaakt tussen het instellen van beroep in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking enerzijds en het instellen van hoger beroep voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering anderzijds, daar waar in dit laatste geval ook de mogelijkheid bestaat deze middelen op te werpen na het ontstaan van de debatten voor de raadkamer, terwijl deze mogelijkheid niet bestaat in het eerste geval?".
  27. Het onderdeel maakt de vergelijkbaarheid niet duidelijk van, enerzijds, onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden zoals bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering en gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering ontstaan vóór het sluiten van het debat voor de raadkamer, anderzijds, gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering ontstaan na het sluiten van het debat voor de raadkamer. Het Hof kan dan ook niet oordelen of er grond is tot het stellen van de opgeworpen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Het onderdeel is wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser V Eerste onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering en 3 Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel stelt dat door op grond van de in het middel weergegeven overwegingen te beslissen dat de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering slechts toepassing kunnen vinden op bijzondere opsporingsmethoden die in toepassing van de wetten van 6 januari 2003 en 27 december 2005, aanleiding gegeven hebben tot het opstellen van een vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies of 47novies Wetboek van Strafvordering, het bestreden arrest de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering en artikel 3 Gerechtelijk Wetboek schendt.
  29. De wet die vanaf een bepaald ogenblik een wettelijke onderzoeksmaatregel invoert die voordien niet bestond, en daarvoor een nieuwe rechtspleging instelt, is geen wet in de zin van artikel 3 Gerechtelijk Wetboek die onmiddellijk kan worden toegepast op nog aanhangige rechtsgedingen van vóór de nieuwe wet. Bovendien voeren de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering een rechtspleging in waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid beoordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, voor zover zij daartoe het vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies of 47novies Wetboek van Strafvordering, moet controleren. Het onderdeel gaat derhalve uit van de onjuiste rechtsopvatting dat de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering een rechtspleging invoeren die, los van het vertrouwelijk dossier bedoeld in de artikelen 47septies of 47novies Wetboek van Strafvordering, op algemene wijze de kamer van inbeschuldigingstelling het onderzoek toevertrouwen van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht op een eerlijk proces. Het onderdeel stelt dat zo de rechtspleging van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering niet toepasselijk zou zijn op de vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en de reparatiewet van 27 december 2005 verrichte bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, dan op geen enkel ogenblik van de procedure in een controle is voorzien door een onafhankelijke en onpartijdige rechter over de regelmatigheid van deze bijzondere opsporingsmethoden aan de hand van het vertrouwelijk dossier.
  31. Het staat de strafrechter de wettigheid en de regelmatigheid van het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs te beoordelen. Indien voor hem aannemelijk wordt gemaakt, dat vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden dergelijke opsporingsmethoden werden gebruikt die door de nieuwe wet bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie worden genoemd, dan moet hij oordelen of het gebruik van deze methoden al dan niet verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces en of het bewijs dat er uit is voortgesproten, betrouwbaar is. Bij twijfel over een of ander moet de rechter dat bewijs uitsluiten. Het onderdeel faalt naar recht. Derde onderdeel
  32. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met artikel 6 EVRM en 14 IVBPR. Het onderdeel bouwt verder op het tweede onderdeel en stelt ditmaal dat de verschillende behandeling ten aanzien van de rechterlijke controle op de regelmatigheid en de betrouwbaarheid van bijzondere opsporingsmethoden, op geen enkele objectieve en redelijke rechtvaardiging berust, zodat het bestreden arrest het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van de non-discriminatie miskent.
  33. Het onderdeel verzoekt daarom het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de artikelen 189ter en 235ter van het Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd door de artikelen 22 en 28 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen of gelezen in samenhang met de artikelen 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en 14 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, uitgevoerd vóór het inwerking¬treden van de wetten van 6 januari 2003 en 27 december 2005, geen recht hebben op een controle van het vertrouwelijk dossier met betrekking tot deze opsporingsmethoden door een onpartijdige en onafhankelijke rechter op enig ogenblik van de procedure, terwijl de personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de bijzondere opsporingsmethoden, observatie of infiltratie, uitgevoerd na de inwerkingtreding van de wetten van 6 januari 2003 en 27 december 2005 wel recht hebben op een controle van het vertrouwelijk dossier met betrekking tot deze opsporingsmethoden door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie, nl. de kamer van inbechuldigingstelling?".
  34. In strafzaken wordt het verschil in behandeling ingevolge de werking van de wet in de tijd niet beheerst door het in de prejudiciële vragen aangewezen artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, maar door artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR. Het onderdeel dat aan deze bepalingen voorbijgaat, faalt naar recht. Er is dus ook geen grond tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Vierde onderdeel
  35. Het onderdeel voert schending aan van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel bekritiseert de beslissing van het bestreden arrest het Grondwettelijk Hof geen prejudiciële vraag te stellen omdat het middel met deze vraag niet in schriftelijke conclusie werd ingeroepen bij de raadkamer. Het onderdeel stelt dat het middel niet kon opgeworpen worden bij de raadkamer, omdat het slechts ontstaan is na het debat voor de raadkamer.
  36. Niettegenstaande de bekritiseerde overweging betreffende de niet-ontvankelijkheid van de grief, onderzoekt het bestreden arrest niettemin die grief. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser V
  37. Het middel voert schending aan van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak, zoals vastgelegd voor de onderzoeksgerechten in de artikelen 127, 135, § 1 en 3, 223 en 235bis, § 3 en 4, Wetboek van Strafvordering. Het middel stelt dat het bestreden arrest niet regelmatig gemotiveerd is omdat het met de overwegingen die het bevat, niet antwoordt op het verweer van een mede-inverdenkinggestelde die geen cassatieberoep heeft ingesteld, betreffende de schending door het openbaar ministerie van het vermoeden van onschuld door berichtgeving aan de pers met schending van artikel 57, § 3, Wetboek van Strafvordering en van het beroepsgeheim.
  38. Met de bekritiseerde overwegingen beantwoordt het bestreden arrest het verweer van de mede-inverdenkinggestelde wel. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
  39. De substantiële of op straffe van nietigheid voorge¬schreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent de eiser V akte van de afstand in zoverre het arrest uitspraak doet over de bezwaren. Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 602,94 euro waarvan elke eiser 120,58 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 18 december 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081028.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120425.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140114.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160217.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.