← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.1 Rolnummer: C.06.0045.N-C.06.0220.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-01-09 Raadplegingen: 216 - laatst gezien 2026-07-03 05:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche De ontheffing van de aansprakelijkheid heeft betrekking op elke organisator van een loodsdienst, ongeacht of deze door de Staat dan wel door een andere instantie wordt georganiseerd; aldus heeft de opheffing van de aansprakelijkheid ook betrekking op het loodsen van zeevaartuigen in waterwegen die niet tot de uitsluitende bevoegdheid van de Staat behoren, zoals het loodsen binnen de havendokken

(1).
(1)Parl. St. Kamer 373 (1966-1967) - Nr. 1, 2; Parl. St. Senaat 369 (1985-1986) - Nr. 1, 4; Hand. Senaat, 17 maart 1987, 1581; Parl. St. Kamer 521/3-1988, 2; zie ook A. Van Oevelen, " De wet van 30 aug. 1988 tot wijziging van de wet van 3 nov. 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen: te verregaande aansprakelijkheidsvrijstellingen en een ongehoord verre retroactiviteit", R. W. 1988-89, 946
(951); E. Boon, Evolutie van de overheidsaansprakelijkheid ook in het zeerecht?, in Lib. Am. Lionel Tricot, Antwerpen, Kluwer,
  1. De bewering van J.P. Vanhooff ("De loods" in Zeerecht. Dl. I. Grondbeginselen van het Belgisch Privaatrechtelijk Zeerecht, I, De Weerdt (red.), Antwerpen, ETL, 1998, 206) dat dokloodsen krachtens art. 3 van bedoelde wet buiten zijn toepassingsgebied vallen lijkt enkel te moeten gelezen worden als een beperking van de verplichting om een loods te nemen. Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Loodsen Vrije woorden: Loodsen - Aansprakelijkheid - Ontheffing - Dokloodsen - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 03-11-1967 - Artt. 3 en 3bis - 30 ELI link Pub nr 1967110301 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0045.N CORAL INTERNATIONAL NAVIGATION INC., vennootschap naar Liberiaans recht, met zetel te Liberia, Monrovia, Broad Street 80, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. P.F.,
  3. BRABO, Havenloodsen en Bootlieden, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2000 Antwerpen, Sint-Aldegondiskaai 36-42, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  4. GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ANTWERPEN, autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid, met zetel in het Havenhuis, Entrepotkaai 1,
  5. HESSE-NOORD NATIE, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Napelsstraat 79, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  6. AVERO BELGIUM INSURANCE, vennootschap naar Nederlands recht, naamloze vennootschap, met zetel te 1200 Brussel Woluwelaan 62-64, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  7. NMBS HOLDING, naamloze vennootschap van publiek recht, met zetel te 1060 Brussel, Frankrijkstraat 85, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  8. FORTIS AG, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53,
  9. V.Y.,
  10. S.J.,
  11. W.A., in eigen naam en in haar hoedanigheid van ouder en wettelijke vertegenwoordigster van S.S. en Sh.S. en als rechtsopvolgster van H.T., verweerders. Nr. C.06.0220.N
  12. BRABO, HAVENLOODSEN EN BOOTLIEDEN, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2000 Antwerpen, Sint Aldegondiskaai 36-42,
  13. P.F., eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  14. CORAL INTERNATIONAL NAVIGATION INC., vennootschap naar Liberiaans recht, met zetel te Liberia, Monrovia, Broad Street 80, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  15. V.Y.,
  16. W.A., in eigen naam en in haar hoedanigheid van ouder en wettelijke vertegenwoordigster van S.S. en Sh.S., en als rechtsopvolgster van H.T.,
  17. S.J.,
  18. GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ANTWERPEN, autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 2000 Antwerpen, Entrepotkaai 1,
  19. HESSE-NOORD NATIE, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Napelsstraat 79,
  20. AVERO BELGIUM INSURANCE, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1200 Brussel, Woluwelaan 62-64,
  21. NMBS HOLDING, naamloze vennootschap van publiek recht, met zetel te 1060 Brussel, Frankrijkstraat 85, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  22. FORTIS AG, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen in de zaak C.06.0045.N en in de zaak C.06.0220.N zijn gericht tegen een arrest, op 26 september 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. FEITEN De feiten en procedurevoorgaanden kunnen kort als volgt worden samengevat. Aan de basis van het geschil tussen partijen ligt een ongeval, dat plaatsvond op 13 maart 1995 in de haven van Antwerpen, waarbij een zeeschip, in de haven gesleept door twee sleepboten met de bijstand van een havenloods, een containerkraan raakte. De kraanman (H.W.) kwam hierbij om het leven en het zeeschip, de kraan, de kaaimuur, sporen en spoorwagens werden beschadigd. Bij beschikking van 15 maart 1995 stelde de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, zetelend in kort geding, kapitein F. O. aan als deskundige teneinde de oorzaak van het ongeval en de grootte van de schade te bepalen. Volgende partijen zijn betrokken in het geding: - de eiseres Coral International Navigation Inc., eigenaar van het zeeschip Iberian Express; - F. P., havenloods en aangestelde van de CV Brabo; - de CV Brabo, concessiehouder van de loodsdienst; - het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen, eigenaar van de beschadigde kade, concessiegever van de loodsdienst en eigenaar van de twee sleepboten; - de NV Hesse-Noord Natie, eigenaar van de containerkraan; - Avero Belgium als opvolster van de NV Royal & Sun Alliance, verzekeraar van de containerkraan; - de NMBS Holding, eigenaar van de beschadigde sporen en spoorwagens; - de NV Fortis AG, arbeidsongevallenverzekeraar van de NV Hesse-Noord Natie; - Y.V., J.S. en A.W., nabestaanden van de overleden kraanman. De eiseres heeft een procedure tot aansprakelijkheidsbeperking ingesteld. De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelde bij beschikking van 6 augustus 1999 een vereffenaar aan en stelde bij beschikking van 9 september 1999 vast dat de eiseres een beperkingsfonds had gevormd door een garantie van 157.613.083 Belgische frank (3.907.126,27 euro) te stellen. Bij vonnis van 3 oktober 2000 deed de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen uitspraak over de samengevoegde zaken. Bij arrest van 26 september 2005 vernietigde het Hof van Beroep te Antwerpen het vonnis van de eerste rechter wegens schending van de Wet op het taalgebruik in gerechtszaken. Het hof van beroep: - beveelt voorts de samenvoeging van de zaken; - veroordeelt de eiseres tot de betaling van verschillende sommen aan achtste verweerster en aan de tiende verweerster en beveelt de heropening der debatten op een punt van de vordering van de achtste verweerster; - verklaart de vordering van de vierde en de vijfde verweerders tegen de eiseres ontvankelijk, zegt voor recht dat de eiseres aansprakelijk is t.o.v. deze partijen en stelt een deskundige aan om de schade te onderzoeken en te begroten; - verklaart de vordering van de derde verweerder tegen de eiseres gegrond, voor een bedrag van 74.607,50 euro, te vermeerderen met de interesten, en beveelt het de opneming van deze vordering in het door de eiseres gevormde beperkingsfonds; - verklaart de vordering van de zesde verweerster tegen de eiseres gegrond, voor een bedrag van 131.255,75 euro, te vermeerderen met de interesten, en beveelt het de opneming van deze vordering in het door eiseres gevormde beperkingsfonds; - veroordeelt de eiseres tot betaling van 140.009,84 euro, vermeerderd met de interesten, aan de zevende verweerster; - verklaart de vordering van de eiseres tegen de vierde verweerster ontvankelijk doch ongegrond; - houdt de uitspraak over de vordering van o.m. de eiseres tegen de eerste en de tweede verweerders aan en stelt een prejudiciële vraag aan de Europese Commissie. III. CASSATIEMIDDELEN A. De eiseres voert in de zaak C.06.0045.N in haar verzoekschrift drie middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. B. De eiseres voert in de zaak C.06.0220.N in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. De zaken dienen te worden gevoegd. A. Zaak C.06.0045.N Eerste middel Eerste onderdeel
  23. De appelrechters beantwoorden en verwerpen het bedoelde verweer door op p. 39, onder punt 4.2.
  24. van het arrest te oordelen: "Uit het loutere feit dat vastgesteld wordt dat de loods een fout (heeft) begaan bij de uitvoering van zijn opdracht naar aanleiding van het schadegeval dd. 13 maart 1995, terwijl de kapitein daarentegen geen fout treft, kan niet automatisch afgeleid worden dat de loods zich niet als raadgever doch als meester van het schip gedragen heeft. De rederij draagt de bewijslast van het feit dat de loods zich niet als raadgever gedragen heeft en dient hiertoe zeer concrete feiten en omstandigheden aan te brengen. In casu slaagt (Coral International Navigation Inc.) niet in dit bewijs en kan niet aangenomen worden dat de loods buiten zijn wettelijke opdracht is getreden". Door aldus te oordelen dat de eiseres Coral International Navigation Inc. geen dienende concrete feiten en omstandigheden aanbrengt waaruit blijkt dat de eerste verweerder, de loods, zich als meester van het schip heeft opgesteld, verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  25. Anders dan de scheepseigenaar, eiseres, aanvoert, oordeelt het arrest niet dat deze partij geen concrete feiten en omstandigheden aanbrengt, maar dat de aangevoerde gegevens geen concrete feiten en omstandigheden uitmaken die voldoen aan de op de eiseres rustende bewijslast dat de loods zich niet als raadgever, maar als meester van het schip heeft gedragen. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  26. Door te oordelen dat, enerzijds, het niet automatisch toppen van de kraan geen inbreuk uitmaakt, noch op het door de eiseres geciteerde Politiereglement, noch op de algemene zorgvuldigheidsnorm en, anderzijds, dat de kraan geen enkele hinder vormde voor het schip, minstens een volstrekt voorzienbare hindernis vormde, geven de appelrechters aan dat Hesse-Noord Natie door geen maatregelen te treffen bij het naderen van het schip geen verwijt treft. Zodoende verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel aangevoerde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  27. Het onderdeel gaat er geheel van uit dat de havenkraan niet meer in bedrijf was. Het arrest stelt dit niet vast. Het onderdeel vraagt een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd was en is niet ontvankelijk. Derde middel
  28. Anders dan de eiseres voorhoudt, breiden de appelrechters met de aangevochten beslissing het voorwerp van het beperkingsfonds niet uit, maar stellen zij de omvang vast van de in het beperkingsfonds op te nemen schuldvorderingen van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en de NMBS Holding. Het middel berust in zoverre op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag.
  29. De appelrechters zeggen voor recht dat het bedrag van 131.255,75 euro wordt vermeerderd met de vergoedende interest vanaf 13 maart 1995 tot 9 maart 1999 en vanaf deze datum met de gerechtelijke interest en bevelen de opneming van deze schuldvordering in het door de scheepseigenaar gevormde beperkingsfonds. De appelrechters geven aldus het begin en de einddatum van de gerechtelijke interest aan en laten het Hof toe zijn wettigheidstoezicht ter zake uit te oefenen. Het middel mist inzoverre feitelijke grondslag. B. Zaak C.06.0220.N Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
  30. De scheepseigenaar, de eerste verweerster, werpt de niet-ontvankelijkheid op van het onderdeel: het onderdeel vergt een onderzoek van feiten nu het arrest niet vaststelt dat P. en de C.V. Brabo het zeevaartuig uitsluitend hebben geloodst binnen de havendokken, zonder de grenzen van de dokken te overschrijden of binnen de havendokken die door sluizen van hun toegangswegen zijn afgescheiden zoals door het onderdeel wordt aangevoerd.
  31. De grond van niet-ontvankelijkheid is onafscheidbaar verbonden met het onderzoek van het middel. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Onderdeel zelf
  32. Krachtens artikel 3bis, §1, eerste lid, van de wet van 3 november 1967, zoals gewijzigd door de wet van 30 augustus 1988, en in de versie zoals van kracht vóór de opheffing ervan bij artikel 22 van het Decreet van 19 april 1995 betreffende de organisatie en de werking van de loodsdienst van het Vlaamse Gewest en betreffende de brevetten van havenloods en bootman, kan de organisator van een loodsdienst rechtstreeks noch onrechtstreeks aansprakelijk worden gesteld voor schade die een beloodst schip zou lijden of veroorzaken, wanneer die schade te wijten is aan een fout van de organisator zelf of van een lid van zijn personeel dat handelt in de uitoefening van zijn functie, ongeacht of die fout in een handeling dan wel in een verzuim bestaat. Artikel 3bis, §1, derde lid, 1°, omschrijft de organisator van de loodsdienst als de openbare overheid en het havenbeheer die de loodsdiensten inrichten of in concessie geven en de concessiehouder van die dienst. Artikel 3bis, § 1, derde lid, 2°, van bedoelde wet omschrijft de loodsdienst als: a) de dienst die een loods ter beschikking stelt van de kapitein van een zeevaartuig, om hem als raadgever bij te staan. Overeenkomstig artikel 3 van deze wet behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de Staat het loodsen van zeevaartuigen in de maritieme toegangswegen en de zeehavens, bij het binnenkomen en het verlaten ervan, alsook op de stromen, rivieren en kanalen die voor de zeescheepvaart toegankelijk zijn. Krachtens het tweede lid van dit artikel maken op deze regeling uitzondering: 1° het loodsen van zeevaartuigen uitsluitend uitgevoerd binnen havendokken, zonder de grenzen dezer dokken te overschrijden, 2° het loodsen van zeevaartuigen uitgevoerd binnen havendokken die door sluizen van hun toegangswegen zijn afgescheiden, zelfs indien dit loodsen wordt voorafgegaan of gevolgd door een prestatie die in de bevoegdheid van de Staat valt en 3°, het loodsen van zeevaartuigen uitgevoerd op de waterwegen of gedeelten ervan, waar dit door een andere overheid wordt verzekerd uit hoofde van een door de Staat bekrachtigde conventie.
  33. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt de bedoeling van de wetgever dat de ontheffing van de aansprakelijkheid betrekking heeft op elke organisator van een loodsdienst, ongeacht of deze door de Staat dan wel door een andere instantie wordt georganiseerd. Aldus heeft de opheffing van de aansprakelijkheid ook betrekking op het loodsen van zeevaartuigen in waterwegen die niet tot de uitsluitende bevoegdheid van de Staat behoren, zoals het loodsen binnen de havendokken.
  34. De appelrechters die beslissen dat de ontheffing van de aansprakelijkheid zoals bepaald door artikel 3bis van de voormelde wet niet van toepassing is, vermits deze enkel geldt voor loodsen benoemd door de Minister, schenden aldus voormeld artikel. Het onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.06.0045.N en C.06.0220.N. A. In de zaak C.06.0045.N Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt Coral International Navigation Inc. in de kosten. B. In de zaak C.06.0220.N Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de ontheffing van aansprakelijkheid van de C.V. Brabo en van F.P. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 20 december 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.