← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.3 Rolnummer: C.07.0161.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-01-09 Raadplegingen: 909 - laatst gezien 2026-07-03 18:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De buitengerechtelijke bekentenis is een eenzijdige daad waaruit een bewijs kan worden gehaald en die moet uitgaan van de partij tegen wie ze wordt aangevoerd

(1), maar niet moet bestemd zijn om voor de tegenpartij als bewijs te dienen; voor het in aanmerking nemen ervan is niet vereist dat tussen de betrokken partijen een reeds ontstane en actuele betwisting bestaat
(2).
(1)Cass., 7 feb. 1997, AR C.95.0127.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970207.10, A.C., 1997, nr. 71.
(2)Cass., 7 maart 1991, AR 7197, A.C., 1990-91, nr. 358. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bekentenis UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bekentenis Vrije woorden: Buitengerechtelijke bekentenis Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1354 en 1355 Fiche 2 Feitelijke vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de rechter uit een bekend feit kan afleiden om te besluiten tot een onbekend feit; hoewel de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen, die hij daaruit als vermoeden afleidt, aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten, mag hij het rechtsbegrip feitelijk vermoeden, dat aan het toezicht van het Hof is onderworpen niet miskennen of denatureren en mag hij onder meer uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen afleiden die, op grond van die feiten, voor geen enkele verantwoording vatbaar zijn
(1).
(1)Cass., 19 juni 1998, AR C.97.0156.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980619.8, A.C., 1998, nr.
  1. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bekentenis Vrije woorden: Feitelijke vermoedens - Begrip - Beoordeling door de rechter - Toetsing door het Hof Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1349 en 1353 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0161.N M.J., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen IMMO JORISSEN, naamloze vennootschap, met zetel te 3740 Bilzen, Hasseltsestraat 26, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 106, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 november 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het arrest neemt aan dat de notariële akte van 2 maart 1993 geen betrekking heeft op het litigieuze perceel. Het oordeelt dat de verkoop van het litigieuze perceel bewezen is door een buitengerechtelijke bekentenis van de eiseres.
  3. Het arrest laat aldus geen bewijs van de verkoop van het litigieuze perceel toe tegen de notariële akte. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  4. De appelrechter oordeelt dat het bezwaarschrift (van 5 november 1999) "te aanzien is als een schriftelijke (buitengerechtelijke) bekentenis in de zin van artikel 1356 van het Burgerlijk Wetboek".
  5. Het Hof kan bij de beoordeling van een cassatiemiddel een materiële vergissing in de bestreden beslissing verbeteren, wanneer deze duidelijk uit de context blijkt. De verwijzing naar artikel 1356 van het Burgerlijk Wetboek maakt een materiële vergissing uit nu uit de context blijkt dat de rechter artikel 1354 van dit wetboek bedoelde. In zoverre het onderdeel er van uitgaat dat de appelrechter beslist dat het bezwaarschrift van 5 november 1999 een gerechtelijke betekenis uitmaakt in de zin van artikel 1356 van het Burgerlijk Wetboek, mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. De buitengerechtelijke bekentenis bedoeld in de artikelen 1354 en 1355 van het Burgerlijk Wetboek is een eenzijdige daad waaruit een bewijs kan worden gehaald. Ze moet uitgaan van de partij tegen wie ze wordt aangevoerd, maar moet niet bestemd zijn om voor de tegenpartij als bewijs te dienen. Voor de toepassing van de artikelen 1354 en 1355 van het Burgerlijk Wetboek en voor het in aanmerking nemen van een buitengerechtelijke bekentenis is niet vereist dat tussen de betrokken partijen een reeds ontstane en actuele betwisting bestaat.
  7. Het onderdeel dat steunt op de onjuiste veronderstelling dat voor een buitengerechtelijke bekentenis vereist is dat de auteur van de bekentenis de wil heeft om over een ontstane en actuele betwisting een verklaring af te leggen, faalt naar recht. Vierde onderdeel
  8. Feitelijke vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de rechter, onder de voorwaarden van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek uit een bekend feit kan afleiden om te besluiten tot een onbekend feit. Hoewel de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen, die hij daaruit als vermoeden afleidt, aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten, mag hij het rechtsbegrip feitelijke vermoeden, dat aan het toezicht van het Hof is onderworpen niet miskennen of denatureren. Hij mag onder meer uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen afleiden die, op grond van die feiten, voor geen enkele verantwoording vatbaar zijn.
  9. Het arrest stelt vast dat: - de eiseres en haar broer bij notariële akte, op 16 januari 1989 verleden voor notaris H.G. te Hasselt, overgingen tot de minnelijke verdeling van de blote eigendom van een aantal onroerende goederen; - tot de aan de eiseres toebehorende kavel, enerzijds, een huis met aanhorigheden op en met grond, gelegen te 3500 Hasselt, aan de ...., met als kadasternummer sectie .., nr. ..., voor een oppervlakte van 1a 5ca en, anderzijds, een gedeelte werkhuis, gelegen te 3500 Hasselt, aan de ..., met als kadasternummer sectie ..., deel van nummer ... (thans ....), groot volgens opmeting 96 ca, toebehoorde; - de onderhandse verkoopovereenkomst het door de eiseres aan de verweerster verkochte goed omschrijft als "een woonhuis, gelegen ..., 3500 Hasselt"; - het verkochte onroerend goed in de notariële akte van 2 maart 1993 werd omschreven als een woonhuis op en met grond met alle aanhorigheden, staande en gelegen ...; - noch de onderhandse verkoopovereenkomst, noch de notariële verkoopakte van 2 maart 1993 vermelden dat het litigieuze perceel (met als kadasternummer sectie ..., nummer ...) met een oppervlakte van 96 centiaren begrepen zou zijn in de verkoopovereenkomst die in die aktes is neergelegd. Het arrest stelt tevens vast dat de eiseres met betrekking tot de aangerekende onroerende voorheffing voor het litigieuze perceel, met als kadasternummer sectie .. nummer ...., thans nummer ..., bij de Belastingsdienst voor Vlaanderen een bezwaarschrift indiende op 5 november 1999 in de hierna volgende bewoordingen: "Bovenvermeld pand (bedoeld wordt het eigendom waarvan sprake) is reeds ± 7 à 8 jaar in het bezit van de firma Jorissen te Bilzen. Gelieve hiermee rekening te houden en de toekomstige briefwisseling te sturen naar J.M.". Het arrest oordeelt dat de omstandigheid dat er in de verklaring sprake is van "bezit" en niet van "eigendom" hieraan geen afbreuk doet vermits de eiseres met haar verklaring duidelijk uitsluitend het eigendomsrecht op het oog heeft gehad hetgeen ten andere ook zo is begrepen door de fiscale administratie.
  10. De uitleggingsbevoegdheid van de rechter is niet beperkt tot de gewone betekenis van de gebruikte bewoordingen aangezien een partij zich op onbeholpen wijze kan uitdrukken en aan de term "bezit" een andere zin dan de gewone betekenis kan toekennen. De appelrechter vermocht te oordelen dat de eiseres in haar bezwaarschrift met de term "bezit" het eigendomsrecht heeft bedoeld omdat zij met haar bezwaarschrift aan de fiscale administratie wou te kennen geven dat zij geen onroerende voorheffing verschuldigd was vermits de verweerster reeds gedurende 7 à 8 jaar eigenaar was van het litigieuze perceel.
  11. Het arrest dat op grond van die feitelijke beoordeling aanneemt dat de eiseres met haar verklaring "uitsluitend het eigendomsrecht op het oog heeft gehad", schendt noch de artikelen 544 en 2228 van het Burgerlijk Wetboek noch artikel 251 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Voor het overige oordeelt de rechter onaantastbaar in feite dat de omstandigheid dat de eiseres na de verkoop in 1993 nog enkele jaren de onroerende voorheffing met betrekking tot het perceel, waarvan sprake, is blijven betalen, niet terzake doet vermits het bezwaarschrift van 5 november 1999 zelf bewijst dat zulks bij vergissing is gebeurd. In zoverre het onderdeel opkomt tegen die feitelijke beoordeling is het niet ontvankelijk.
  1. Op grond van de gedane vaststellingen en uit het feitelijk gegeven dat het litigieuze perceel voorheen aan de eiseres toebehoorde, konden de appelrechters, zonder schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, oordelen dat de eiseres een bekentenis deed van het feit dat het betrokken perceel wel degelijk begrepen was in de verkoopovereenkomst die de eiseres destijds met de verweerster had aangegaan. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  2. Uit het antwoord op het vierde onderdeel blijkt dat de appelrechter het bestaan van een buitengerechtelijke bekentenis van het feit dat het betrokken perceel wel degelijk begrepen was in de verkoopovereenkomst die de eiseres destijds met de verweerster had aangegaan niet alleen afleidde uit de bewoordingen van het bezwaarschrift. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 650,46 euro jegens de eisende partij en op de som van 174,15 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 20 december 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100503.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170127.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180503.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970207.10 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980619.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090525.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.11 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.11 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120123.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141023.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251201.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.