id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.5 Rolnummer: F.06.0026.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-01-09 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-07-03 05:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche Kunnen niet worden aangemerkt als schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te behouden, de schulden die de belastingplichtige heeft aangegaan om de uitwinning van een onroerend goed te voorkomen ,als deze uitwinning het gevolg is van betalingsmoeilijkheden doordat de belastingplichtige uitgaven of betalingen vreemd aan het onroerend goed heeft uitgevoerd. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit onroerende goederen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Vaststelling van het netto-inkomen Vrije woorden: Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Aftrek interesten - Voorwaarden - Schulden specifiek aangegaan om onroerende goederen te behouden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 14, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0026.N R.G., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 september 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 9 van de wet van 7 december 1988 houdende de hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met zegel gelijkgestelde taksen, zoals dit luidde voor de invoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992); - artikel 14, in de versie ervan zoals dit luidde vóór de wijziging ervan door artikel 4 van de wet van 6 juli 1994 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, hierna afgekort als WIB
(1992). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest "Verklaart de voorziening ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt de bestreden beslissingen. Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten, begroot aan de zijde van (de verweerder) op nihil." op grond van de motieven op p.4 -6: "Krachtens artikel 9 van de hervormingswet 1988 (wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen) worden van het bedrag van de inkomsten van onroerende goederen van een belastbaar tijdperk afgetrokken de tijdens het belastbaar tijdperk betaalde interesten van schulden specifiek aangegaan om die goederen te verkrijgen of te behouden. Deze bepaling heeft tot gevolg dat vanaf aanslagjaar 1990 nog alleen interesten mogen worden afgetrokken van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden en dat die aftrek rechtstreeks en uitsluitend in mindering komt van de onroerende inkomsten. Omdat een strikte interpretatie van deze bepaling ertoe zou leiden dat de interesten van een zogenaamde herfinancieringslening die de belastingplichtige sluit om het saldo van een vorige lening terug te betalen niet langer aftrekbaar zouden zijn en om gezinnen met een bescheiden inkomen die een sociale of een middelgrote woning hadden verworven en die door het aangaan van een nieuwe lening tegen een lagere rentevoet de mogelijkheid hadden hun financiële lasten te verminderen, niet te bestraffen, heeft de administratie toegestaan dat een herfinancieringslening in bepaalde gevallen geacht wordt in de plaats te treden van de eerste lening zodat de ermee verband houdende fiscale voordelen behouden blijven. Derhalve werd aangenomen dat de interesten van een herfinancieringslening voor aftrek in aanmerking genomen mogen worden indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: - het moet gaan om twee hypothecaire leningen, - de oorspronkelijke lening moet zijn aangegaan voor het verwerven, het bouwen of het verbouwen ofwel van een sociale woning, een kleine landeigendom of een woning die ermee gelijkgesteld is overeenkomstig de huisvestingscode of van een volgens diezelfde code als middelgroot te beschouwen woning, wanneer het contract met betrekking tot de eerste lening voor 01.01.1989 is gesloten ofwel van een in België gelegen woning wanneer het contract vanaf 01.01.1989 gesloten is; - de tweede lening moet gunstiger financiële voorwaarden voor de ontlener bieden en daadwerkelijk voor de vervroegde terugbetaling van het saldo van de oorspronkelijke lening aangewend zijn, - de nieuwe lening mag niet meer bedragen dan het nog verschuldigd blijvend saldo van de oorspronkelijke lening, eventueel verhoogd met de enige premie van een nieuwe schuldsaldoverzekering (circulaire nr. Ci. RH. 243/415.808 van 22.02.1990). Deze circulaire werd opgeheven en vervangen door de circulaire nr. Ci. RH 331/450.989 van 7 juli 1994 volgens dewelke de belastingvermindering niet meer geweigerd mag worden voor een aan de gebruikelijke voorwaarden voldoende herfinancieringslening waarvan het bedrag hoger is dan het nog verschuldigde saldo van de oorspronkelijke lening, met dien verstande dat het in aanmerking te nemen gedeelte van de nieuwe lening niet meer mag bedragen dan dat saldo. Deze richtlijnen traden onmiddellijk in werking en zijn ook van toepassing op de hangende geschillen. De richtlijnen gelden ook voor de lopende herfinancieringsleningen waarvoor het fiscale voordeel voorheen werd geweigerd. De (eiseres) houdt voor dat op basis van deze circulaire de door haar ingebrachte interesten wel degelijk aftrekbaar zijn. De interesten waarvan (de eiseres) de aftrek vraagt hebben betrekking op een lening die werd aangegaan ter vervanging van vroeger afgesloten leningen die ingevolge wanbetaling vervroegd dienden terugbetaald te worden. De (eiseres) brengt geen enkel stuk bij waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in de kwestieuze circulaires (zowel deze van 22.02.1990 vermeld in de bestreden beslissingen als deze van 07.07.1994). De (eiseres) bewijst derhalve niet dat aan de voorwaarden voor aftrekbaarheid voldaan is. Bovendien heeft (de eiseres) in de aangiften voor de aanslagjaren 1990 en 1991 nog steeds melding gemaakt van "debetrenten betaald aan BVBA Flash point", die in geen geval in aanmerking komen vermits ze betaald werden wegens een debetstand van een lopende rekening ontstaan door tegenboeking van de lening van de Bank J. Van Breda en C° en niet als aflossing van een hypothecair krediet. De bestreden beslissingen hebben derhalve terecht de bezwaren van de eiseres afgewezen. De voorziening is dan ook ongegrond en (de eiseres) dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding, zoals hierna overeenkomstig artikel 392 WIB
(1992)begroot". Grieven Krachtens artikel 9 van de aangehaalde wet van 7 december 1988 worden "Van het bedrag van de inkomsten van onroerende goederen van een belastbaar tijdperk (...) afgetrokken de tijdens dat belastbaar tijdperk betaalde interesten van schulden specifiek aangegaan om die goederen te verkrijgen of te behouden". Ingevolge de coördinatie luidt deze bepaling onder het aangehaalde artikel 14 van het WIB
(1992)voor het aanslagjaar 1992: "Van de inkomsten van onroerende goederen worden afgetrokken mits zij in het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen, de interest uit hoofde van schulden die specifiek zijn aangegaan om die goederen te verkrijgen of te behouden". Zoals een schuld specifiek is aangegaan door een belastingplichtige om onroerende goederen te verkrijgen, niet alleen wanneer hij ze aanwendt om een onroerend goed materieel tot stand te brengen in zijn patrimonium door de bouw of verbouwing van een onroerend goed er mee te bekostigen, maar ook wanneer hij ze aanwendt om het eigendomsrecht van een onroerend goed te verwerven door aankoop of anderszins, zo ook is een schuld specifiek aangegaan door een belastingplichtige om onroerende goederen te behouden, niet alleen wanneer hij ze aanwendt voor het materieel in stand houden van het onroerend goed in zijn patrimonium middels het eraan uitvoeren van herstellings,- verbeterings-, aanpassings-, moderniserings- of onderhoudswerken die er mee bekostigd worden, maar ook wanneer hij ze aanwendt tot behoud van het eigendomsrecht ervan in zijn vermogen. Dit laatste is het geval wanneer de belastingplichtige de schuld, die hij aangaat opzichtens een derde, aanwendt om zijn schuldeiser te voldoen en op die manier het verdwijnen van het onroerend goed uit zijn vermogen afwendt ingevolge de gedwongen uitwinning op dat onroerend goed door die schuldeiser waaraan hij bloot staat. Niet wordt vereist door de wet dat de schuld een hypothecaire lening dient te zijn, gunstiger financiële voorwaarden voor de ontlener dient te bieden, en de aftrek verhoudingsgewijs beperkt blijft tot het saldo van de er mee terugbetaalde lening. De appelrechters stellen vast op p. 3 dat "De leningen (van de eiseres bij de Generale Bankmaatschappij) (...) vervroegd (dienden) terug betaald te worden wegens wanbetaling en werden overgenomen door de Bank J. Van Breda en C°" en op p. 5 nogmaals dat "De intresten waarvan (de eiseres) de aftrek vraagt (...) betrekking (hebben) op een lening die werd aangegaan ter vervanging van vroeger afgesloten leningen die ingevolge wanbetaling vervroegd dienden terugbetaald te worden". Die vaststellingen houden in dat de eiseres voor het aanslagjaar 1992 intresten betaalde op een schuld waarmee zij haar schuldeiser, de Generale Bankmaatschappij voldeed en meteen haar bedrijfspand kon behouden door op die wijze het dreigend verlies uit haar vermogen ervan af te wenden, door de mogelijke gedwongen uitwinning van dat bedrijfspand te verhinderen gezien de hypotheken die verleend waren in het voordeel van die bank die de vervroegde terugbetaling van het krediet had opgeëist. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor de aftrekbaarheid van de intresten voor het aanslagjaar 1992 niet wettig verantwoordt, nu de intresten waarvan de aftrek gevraagd werd blijkens de eigen vaststellingen van de appelrechters intresten zijn van een schuld, die de eiseres specifiek aanging bij de Bank J. Van Breda en C° om haar bedrijfspand niet te verliezen en derhalve te behouden in haar vermogen. (schending van de aangehaalde artikelen 9 van de wet van 7 december 1988 en 14 WIB
(1992)en in de mate het de aftrek van de intresten niet toestaat omdat niet bewezen is dat aan de voorwaarden van de kwestieuze circulaires voldaan is, voorwaarden stelt die niet voorzien zijn door de wet (schending van de aangehaalde artikelen 9 van de wet van 7 december 1988 en 14 WIB
(1992). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 14, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), worden van de inkomsten van onroerende goederen afgetrokken mits zij in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen, de interesten uit hoofde van schulden die specifiek zijn aangegaan om die goederen te verkrijgen of te behouden.
- Kunnen niet worden aangemerkt als schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te behouden, de schulden die de belastingplichtige heeft aangegaan om de uitwinning van een onroerend goed te voorkomen, als deze uitwinning het gevolg is van betalingsmoeilijkheden doordat de belastingplichtige uitgaven of betalingen vreemd aan het onroerend goed heeft uitgevoerd.
- Het middel gaat ervan uit dat de voormelde wetsbepaling zonder enige beperking toelaat interest af te trekken van schulden aangegaan om het verdwijnen van dergelijke eigendom uit het vermogen van de belastingplichtige te vermijden. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 263,26 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Eric Stassijns en in openbare terechtzitting van 20 december 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div