id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.6 Rolnummer: F.05.0062.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2008-01-09 Raadplegingen: 339 - laatst gezien 2026-07-03 07:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een opgeheven wetsbepaling waarnaar wordt verwezen door een niet opgeheven wettekst moet in de regel geacht worden van kracht te blijven voor de toepassing van de niet opgeheven wet; deze regel is echter niet van toepassing als uit de strekking van de opheffingsbepaling blijkt dat het niet alleen de bedoeling is een bepaalde wettekst op te heffen, maar ook deze wettekst niet langer te behouden voor de toepassing van andere wetten waarin naar de opgeheven wettekst wordt verwezen. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Belastingen polders en wateringen Vrije woorden: Werking in de tijd - Opgeheven wetsbepaling - Wet die er naar verwijst - Toepasselijkheid van de opgeheven wetsbepaling Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Tekst van de beslissing Nr. F.05.0062.N POLDER VAN HET LAND VAN WAAS, openbaar bestuur, voor wie de dijk¬graaf in rechte optreedt, met zetel te 9130 Beveren (Verrebroek), Kieldrechtsebaan 53, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen MAATSCHAPPIJ VOOR HET GROND- EN INDUSTRIALISATIE¬BELEID VAN HET LINKERSCHELDE-OEVERGEBIED, coöperatieve ven¬nootschap met beperkte aansprakelijkheid, intercommunale vereniging, met zetel te 9130 Beveren (Kallo-Kieldrecht), Ketenislaan ZN, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 10 maart 2005 gewezen door de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voorwaardelijke afstand zonder berusting
- De eiser heeft in antwoord op het middel van niet-ontvankelijkheid van zijn cassatieberoep, betekend door het openbaar ministerie, met toepassing van artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek een noot neergelegd. Hij heeft tevens een verzoekschrift "tot voorwaardelijke afstand zonder berusting" neergelegd.
- Uit de twee voormelde stukken blijkt dat de eiser het Hof uitnodigt om uitspraak te doen over het middel van niet-ontvankelijkheid van zijn cassatieberoep. Hij doet pas afstand voor zover het Hof beslist dat zijn cassatieberoep niet ontvankelijk is. Het is tegenstrijdig het Hof, enerzijds, te verzoeken uitspraak te doen en, anderzijds, en afhankelijk van de uitspraak van het Hof afstand te doen van zijn cassatieberoep. Aan dit tegenstrijdig verzoek kan geen gevolg worden gegeven. Middel van niet-ontvankelijkheid opgeworpen door het Openbaar Ministerie
- Het openbaar ministerie voert aan dat het cassatieberoep, dat werd ingesteld tegen een beslissing van een bestendige deputatie inzake een polderbelasting, te dezen niet ontvankelijk is om reden dat het laattijdig is en om reden dat de verklaring van het cassatieberoep niet werd gedaan op de griffie van de provincieraad, zoals vereist door artikel 4 van de wet van 22 januari 1849 tot wijziging van de wetten op de patenten.
- Krachtens artikel 68, vierde lid, van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders worden de bezwaren tegen een polderbelasting voor de bestendige deputatie gebracht binnen drie maanden na ontvangst van het aanslagbiljet, in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij de wet van 22 juni 1865 betreffende de bezwaren inzake directe belastingen. Krachtens artikel 68, vijfde lid, van deze wet mag men zich in verbreking voorzien overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van de wet van 22 januari 1849 tegen de beslissingen door de bestendige deputatie getroffen over de bezwaren tegen een polderbelasting. Krachtens artikel 4, tweede lid, van de wet van 22 januari 1849 tot wijziging van de wetten op de patenten, zoals gewijzigd door artikel 2 van de wet van 18 maart 1874, mogen de belanghebbenden cassatieberoep aantekenen binnen de termijn van één maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing.
- De wet van 22 januari 1849 tot wijziging van de wetten op de patenten waarnaar wordt verwezen door voornoemd artikel 68 van de wet van 3 juni 1957, werd opgeheven bij artikel 11, §1, 3°, van de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen ter zake van provinciale en plaatselijke heffingen.
- Een opgeheven wetsbepaling waarnaar wordt verwezen door een niet opgeheven wettekst moet in de regel geacht worden van kracht te blijven voor de toepassing van de niet opgeheven wet. Deze regel is echter niet van toepassing als uit de strekking van de opheffingsbepaling blijkt dat het niet alleen de bedoeling is een bepaalde wettekst op te heffen, maar ook deze wettekst niet langer te behouden voor de toepassing van andere wetten waarin naar de opgeheven wettekst wordt verwezen. De wet van 23 december 1986 betreffende invordering en de geschillen ter zake van provinciale en plaatselijke heffingen, alsmede de wet van 24 december 1996 die deze wet vervangt, hebben de bedoeling de procedure in de zaken van de provinciale en plaatselijke heffingen te vereenvoudigen en gelijk te schakelen met de procedure inzake de inkomstenbelastingen van het rijk. De verwijzing in artikel 68 van de wet van 3 juni 1957 op de polders, naar artikel 4 van de wet van 22 januari 1849 tot wijziging van de wetten op de patenten, is dan ook opgeheven door artikel 11 van de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen terzake van provinciale en plaatselijke heffingen.
- Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat: - de beslissing van de bestendige deputatie van 10 maart 2005 werd verzonden aan de eiser op 30 maart 2005; - het bestuur van de Polder van het Land van Waas op 21 april 2005 besliste om tegen deze beslissing beroep aan te tekenen bij het Hof van Cassatie; - het cassatieberoep werd neergelegd op 30 juni 2005 ter griffie van het Hof van Cassatie.
- De eiser heeft zijn cassatieberoep niet ingediend overeenkomstig de regels van de wet van 22 januari 1849, maar heeft de voorschriften van de gemeenrechtelijke procedure van cassatie nageleefd. Het cassatieberoep is ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 76 van het decreet van het Vlaams Parlement van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking kan, met inachtneming van wat is bepaald in artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, voor gewestelijke aangelegenheden het Vlaamse Gewest de in dit decreet bedoelde samenwerkingsverbanden aan een eigen fiscaliteit onderwerpen.
- Artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales is van toepassing op intergemeentelijke samenwerkings-verbanden in het Vlaamse Gewest. Krachtens artikel 26 van de voornoemde wet van 22 december 1986 zijn de intercommunales, onverminderd de bestaande wetsbepalingen, vrijgesteld van alle belastingen ten gunste van de Staat, evenals van alle belastingen ingevoerd door de provincies, de gemeenten of enig ander publiekrechtelijk rechtspersoon. Artikel 26 van de wet van 22 december 1986 handhaaft aldus de op dat tijdstip bestaande toestand inzake de fiscale behandeling van intercommunales, te weten in beginsel vrijstelling van alle belastingen ten gunste van de Staat, de provincies en de gemeenten en breidt deze vrijstelling voor de intercommunales uit tot de belastingen ingevoerd door andere publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals polderbesturen. Artikel 26 verleent deze vrijstelling echter niet voor de belastingen, onder meer de polderbelastingen, die reeds bestonden op het ogenblik dat de wet van 22 december 1986 in voege is getreden.
- Krachtens artikel 17 van de wet van 1 maart 1922 betreffende de vereniging van gemeenten met het oog op het nut van het algemeen belang, gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 18 mei 1929, waren de verenigingen van gemeenten vrijgesteld van alle belastingen ten behoeve van de Staat, evenals van alle provinciale en gemeentebelastingen. Krachtens artikel 65, eerste lid, van de wet van 3 juni 1957 kan door een polder op al de erven binnen het poldergebied een polderbelasting worden geheven op de grondslagen en volgens het onderscheid te bepalen bij het reglement. Uit die wetsbepalingen samengelezen, volgt dat de verenigingen van gemeenten derhalve vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales onderworpen waren aan polderbelastingen voor hun erven gelegen binnen het poldergebied.
- Artikel 26 van de wet van 22 december 1986 heeft hieraan geen wijziging gebracht.
- De bestreden beslissing, die oordeelt dat intercommunales niet onderworpen zijn aan de belastingen ingevoerd door publiekrechtelijke rechtspersonen zoals de polders, schendt artikel 26 van de wet van 22 december
- Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden beslissing. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Veroordeelt de verweerster in de kosten. Verwijst de zaak naar de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant. De kosten zijn begroot op de som van 309,58 euro jegens de eisende partij en op de som van 365,21 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 20 december 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div