← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.7 Rolnummer: C.06.0090.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-09 Raadplegingen: 181 - laatst gezien 2026-07-03 05:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het waarborgen van ten minste het salaris dat bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling was toegekend, is van algemene toepassing op de personeelsleden bedoeld in artikel 318 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Thesaurus CAS: ONDERWIJS UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Algemeen (onderwijs) Vrije woorden: HOBU-decreet - Salaris - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 13-07-1994 - Artt. 318 en 323 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0090.N HOGESCHOOL GENT, Vlaamse Autonome Hogeschool, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 9000 Gent, Jozef Kluyskensstraat 2, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen M.M., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 2, 30°, 34°, zowel in de versie van vóór als in die van na de wijziging van dat 34° bij decreet van de Vlaamse Raad van 8 juli 1996, 40° en 43°, 319, §1, en 323, §1, zoals gewijzigd door artikel 51, 1°, van het decreet van de Vlaamse Raad van 19 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, en, voor zoveel als nodig 318, in het bijzonder 318, 1°, 323, §2, zoals gewijzigd door artikel 51, 2°, van het decreet van de Vlaamse Raad van 19 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing na de wijziging van artikel 323, §2, bij decreet van de Vlaamse Raad van 14 juli 1998, en 369 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Aangevochten beslissingen Recht sprekende over de oorspronkelijke vordering van de verweerder verklaart het hof van beroep het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk, maar ongegrond. Het hof van beroep bevestigt het beroepen vonnis, dat de oorspronkelijke vordering van de verweerder gegrond verklaart en de eiseres veroordeelt tot betaling aan de verweerder van een salaris dat gelijk is aan het salaris dat hem vóór het van kracht worden van het HOBU-decreet werd uitbetaald en van de sinds 1 januari 1996 verschuldigde weddentekorten in hoofdsom en meer de interest. Het hof van beroep veroordeelt de eiseres tot de kosten in hoger beroep. Het hof van beroep beslist dat op de volgende gronden: "6.

  1. Ten onrechte houdt (de eiseres) voor het (hof van beroep) staande dat de vier uren die (de verweerder) destijds presteerde als leraar artistieke vakken in een niet-uitsluitend ambt moeten worden verhoogd tot een activiteit van 70 pct. in de door het HOBU-decreet ingestelde organieke regeling, zodat hij om dezelfde verloning te kunnen bekomen gehouden is tot het presteren van 9 uren contactonderwijs per week en hij zich bijkomend een halve dag ter beschikking moet houden. Evenzeer ten onrechte handhaaft (de eiseres) aldus haar stelling dat de vóór de ‘concordantie' door (de verweerder) gepresteerde vier uren contactonderwijs op grond van het HOBU-decreet moeten worden geherkwalificeerd als een docentschap van 30 pct.. 6.
  2. Ook al wordt in de organieke regeling van het HOBU-decreet een (nieuwe) prestatieregeling beschreven, dan nog mag door (de eiseres) niet over het hoofd gezien worden dat (de verweerder) zich in de wettelijke voorwaarden bevindt om aanspraak te maken op een overgangsregeling zoals die werd bepaald in artikel 323 van het kwestieuze decreet. Die overgangsregeling kwam tot stand voor een zeer afgelijnde categorie personeelsleden die voordien onderwijs verstrekten in een zogenaamd "niet-uitsluitend ambt". Wegens de specificiteit van dat ambt kunnen welbepaalde personeelsleden genieten van een overgangsregeling die afwijkt van het voor alle andere personeelsleden bestemde nieuw organiek stelsel. Er kan dus helemaal geen sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel zoals (de eiseres) opwerpt. 6.
  3. De eerste rechter stelde oordeelkundig vast dat tegenover de duidelijke en niet mis te verstane tekst van het artikel 323 van het HOBU-decreet geen enkele decretale of reglementaire beschikking staat die toelaat daarvan af te wijken. Er moet dienvolgens aan (de verweerder) als ‘geconcordeerd' personeelslid die voorheen een niet-uitsluitend ambt uitoefende minstens dezelfde verloning worden betaald als deze die hij vóór de inwerkingtreding van het HOBU-decreet ontving. Dat die verloning blijft gelden in verhouding tot de gepresteerde werktijd ligt voor de hand, wordt door de eerste rechter met zoveel woorden gepreciseerd en werd door (de verweerder) nooit aangevochten.
  4. (De eiseres) brengt voor het overige geen argumenten, in feite of in rechte, aan die van aard zijn de beoordeling en de besluitvorming door de eerste rechter te ontzenuwen. Het bestreden vonnis dient onverkort te worden bevestigd". (blz. 3, midden, - 4, onderaan, van het bestreden arrest). Grieven Eerste onderdeel De eiseres voerde in regelmatig voor het hof van beroep neergelegde conclusie aan: "
  5. Het HOBU-decreet voerde met ingang van zijn inwerkingtreding een volledig nieuwe prestatieregeling in, waarbij zowel voltijdse als deeltijdse betrekkingen anders werden omschreven dan voorheen het geval was. Deze prestatieregeling was van onmiddellijke toepassing op nieuw gecreëerde ambten, waaronder dat van het tijdelijk ambt van docent artistiek gebonden onderwijsactiviteiten, dat overeenstemde met het voorheen door (de verweerder) beklede en inmiddels afgeschafte niet-uitsluitend ambt. Artikel 2, 43°, van het decreet omschrijft een voltijdse betrekking als volgt: "Voltijdse betrekking: een betrekking waaraan een opdracht van 100 pct. verbonden is en die een volledige beschikbaarheid voor de hogeschool inhoudt, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling". Artikel 2, 34°, definieert de deeltijdse betrekking dan weer als volgt: "deeltijdse betrekking voor leden van het onderwijzend personeel: een betrekking met een opdracht waarvan de omvang een procentueel aandeel van een voltijdse betrekking bedraagt. Het procentueel aandeel bedraagt tenminste 10 procent van een voltijdse betrekking, en wordt steeds uitgedrukt in een veelvoud van vijf. Voor de bepaling van het procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de hogeschool overeen met 10 procent": Bij de inwerkingtreding van het HOBU-decreet omvatte de ‘gangbare arbeidsduurregeling' in een voltijdse betrekking in de zin van artikel 2, 43°, 38 uren per week. In zijn beslissing B/RBV/1996/PER/035 van 8 mei 1996 legde de raad van bestuur van (de eiseres), overeenkomstig het decreet, de prestatieregeling voor haar onderwijzend personeel vast. Bij beslissing van de departementsraad muziek en dramatische kunst van 15 oktober 1999 werd deze regeling verder concreet uitgewerkt. 3.- Inzoverre (de verweerder) een 70 pct.-betrekking zou behouden, zoals zij op grond van de vroegere reglementering, waarin enkel rekening werd gehouden met de eigenlijke onderwijsuren, was gekwalificeerd, zou hij er op grond van deze nieuwe prestatieregeling toe gehouden zijn 9 uren contactonderwijs te doceren, en daarnaast nog een halve dag per week ter beschikking dienen te zijn van (de eiseres) met het oog op diverse activiteiten. Aan (de verweerder) werd uiteraard de kans geboden om een 70 pct.-opdracht te aanvaarden. Hij heeft evenwel zelf een dergelijke opdracht geweigerd door op 15 januari 1996 het formulier HOP 1 te ondertekenen waarin werd uitgegaan van een opdracht van 30 pct. (die vier uren contactonderwijs behelsde). Uit stuk 12 blijkt trouwens dat (de verweerder) zich daarmee uitdrukkelijk akkoord verklaarde. Hetzelfde wordt overigens nog bevestigd door de brief die (de verweerder) op 12 oktober 1999 richtte aan de heer Aelterman, algemeen directeur van (de eiseres).
  6. Het feit dat vier lesuren in de oude regeling een 70 pct. betrekking uitmaakten, terwijl zij onder het regime van het HOBU-decreet nog slechts een 30 pct.-betrekking vertegenwoordigen kan niet meer ter discussie staan. Het oude regime werd met ingang van de inwerkingtreding van het HOBU-decreet immers onherroepelijk en zonder overgangsmaatregelen afgeschaft. Deze wijziging lijkt overigens revolutionairder dan zij eigenlijk is. Ook onder het oude regime dienden docenten (zij het veelal onder een andere titel) immers bijkomende activiteiten te verrichten. De zes uren contactonderwijs die van een voltijdse docent werden verwacht veronderstelden immers ook voorbereiding, bijhouden van de onderwezen materie, afnemen van examens en tal van administratieve werkzaamheden die met deze taken verband hielden. Van deze taken werd bij de omschrijving van de betrekking geen melding gemaakt. De nieuwe regeling gaat daarentegen uit van een meer met de realiteit overeenstemmende omschrijving van het takenpakket en laat de regering cq. de hogescholen toe om de concrete invulling van het takenpakket adequater te omschrijven en de de activiteiten van de docenten meer te sturen. De nieuwe regeling heeft derhalve niet tot gevolg dat van de docenten meer prestaties worden verwacht. Zij beoogt enkel deze prestaties beter te omschrijven en de hogescholen meer vat te geven op de concrete verdeling van de beschikbare tijd over de voorgeschreven activiteiten". (blz. 4, midden, - 5, voorlaatste alinea, van de op 16 juni 2004 op de griffie van het hof van beroep neergelegde conclusie, met het opschrift "syntheseconclusie"). De eiseres voerde aldus aan dat het HOBU-decreet de oude regeling, die werkte met uren contactonderwijs onherroepelijk en zonder overgangsmaatregelen afschafte, de omvang van de deeltijdse betrekkingen met ingang van zijn inwerkingtreding vaststelt op een procentueel aandeel van een voltijdse betrekking, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling, dat die gangbare arbeidsduurregeling 38 uren per week omvatte, dat derhalve de vroegere vier uren contactonderwijs van de verweerder, van wie overigens, zoals van alle docenten, vóór de inwerkingtreding van het HOBU-decreet ook bijkomende activiteiten werden verwacht, onder het regime van dat decreet nog slechts dertig procent van een voltijdse betrekking vertegenwoordigen, zonder dat zulks tot gevolg heeft dat meer prestaties dan vroeger worden verwacht, en dat de verweerder zich met dat percentage uitdrukkelijk akkoord verklaarde, terwijl hij een aangeboden opdracht van zeventig procent weigerde. Het hof van beroep beslist dat eiseres "ten onrechte" voorhoudt dat de vier uren die de verweerder destijds presteerde als leraar artistieke vakken in een niet-uitsluitend ambt, moeten worden verhoogd tot een activiteit van 70 pct. in de door het HOBU-decreet ingestelde organieke regeling en dat hij dus 9 uren contactonderwijs per week zou moeten presteren en zich bijkomend een halve dag ter beschikking zou moeten houden om hetzelfde salaris te kunnen verkrijging. Het hof van beroep beslist ook dat eiseres "evenzeer te onrechte" haar stelling handhaaft dat de door de verweerder gepresteerde vier uren contactonderwijs op grond van het decreet moeten worden geherkwalificeerd als een docentschap van 30 pct. (onder nummer 6.1 op de bladzijde 3 van het besteden arrest). Het hof van beroep geeft niet aan op grond van welke motieven het die beslissingen neemt en aldus de door de eiseres aangevoerde middelen, uiteengezet onder de boven aangehaalde nummers 2, 3 en 4 op de bladzijden 4 en 5 van de "syntheseconclusie" voor de eiseres afwijst. Het bestreden arrest kan desbetreffend niet geacht worden eigen motieven te bevatten. Het gaat inderdaad om beslissingen waarin het hof van beroep niet zegt waarom ze werden genomen of waaruit onmogelijk kan worden opgemaakt om welke precieze redenen ze werden genomen. Het wettigheidtoezicht van het Hof wordt daardoor onmogelijk gemaakt, zodat die beslissingen niet regelmatig met redenen omkleed zijn. Aldus is het bestreden arrest niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Tweede onderdeel
  7. Artikel 318, 1, van het decreet van de Vlaamse Raad van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, hieronder afgekort als HOBU-decreet, bepaalt dat overgangsbepalingen worden toegekend aan onder meer de personeelsleden die uiterlijk op 31 december 1995 op grond van de op die datum geldende reglementering vast benoemd zijn in een categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel aan de instellingen die betrokken waren bij de vorming van de hogeschool. Krachtens artikel 319, §1, van het HOBU-decreet gelden de overgangsbepalingen voor "het ambt, het bekwaamheidsbewijs en de salarisschaal". Artikel 323, §1, van het HOBU-decreet bepaalt dat de personeelsleden die zich, zoals de verweerder, krachtens artikel 318 van het decreet op de overgangsbepalingen kunnen beroepen, - "de salarisschaal" blijven genieten die hun mocht worden verleend op grond van de vroegere regelgeving; - "in geen geval (...) in hun nieuwe ambt een lager salaris of salarisschaal (mogen) krijgen dan die waarop zij in hun vroegere ambt recht hadden". Noch in artikel 319, §1, noch in artikel 323 wordt gewag gemaakt van de wijze waarop de omvang van de betrekking of het ambt wordt bepaald. Met betrekking tot die omvang is dus niet in overgangsbepalingen voorzien. De personeelsleden bedoeld in artikel 318 kunnen zich derhalve vanaf de datum waarop titel III "Rechtspositieregeling van het personeel van de hogescholen" van het HOBU-decreet, krachtens artikel 369 van dat decreet, in werking treedt, niet blijven beroepen op de wijze waarop voordien de omvang van hun betrekking of ambt werd bepaald. Weliswaar bepaalt artikel 323, §1, niet alleen dat de personeelsleden die zich op de overgangsbepalingen kunnen beroepen, de salarisschaal blijven genieten waarop zij vóór de inwerkingtreding van het HOBU-decreet aanspraak konden maken, maar ook dat zij in geen geval in hun nieuw ambt een lager salaris mogen krijgen dan dat waarop zij in hun vroegere ambt recht hadden. Maar artikel 2, 40°, van het decreet omschrijft "salaris" als de bezoldiging die een personeelslid "ingevolge zijn betrekking" overeenkomstig een vastgestelde schaal ontvangt. En artikel 2, 30°, van hetzelfde decreet bepaalt dat onder betrekking wordt verstaan, de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een hogeschool, "uitgedrukt in een door het hogeschoolbestuur bepaald procentueel aandeel per week". Uit artikel 2, 34° en 43°, van het HOBU-decreet, die bepalen wat moet worden verstaan onder respectievelijk een "deeltijdse betrekking voor leden van het onderwijzend personeel" en een "voltijdse betrekking", blijkt dat een deeltijdse betrekking een betrekking is met een opdracht waarvan de omvang een procentueel aandeel van een voltijdse betrekking bedraagt, die op haar beurt een betrekking is waaraan een opdracht van honderd procent verbonden is en die een volledige beschikbaarheid voor de hogeschool inhoudt, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling. Uit de samenlezing van de hierboven vernoemde bepalingen volgt dat krachtens artikel 323, §1, van het HOBU-decreet de personeelsleden bedoeld in artikel 318 van dat decreet in geen geval in hun nieuwe ambt een lager salaris mogen ontvangen dan datgene waarop zij in hun vroegere ambt recht hadden voor het procentueel aandeel beschikbaarheid voor de hogeschool per week dat voor hun nieuwe ambt door het hogeschoolbestuur is bepaald ten aanzien van de gangbare arbeidsduurregeling.
  8. Uit de vaststellingen van de eerste rechter, waarnaar het hof van beroep uitdrukkelijk verwijst onder punt 5 op bladzijde 3 van het bestreden arrest, blijkt dat de eiser sinds 1 september 1986 als directeur benoemd was bij de rechtsvoorganger van de eiseres en op 1 september 1987 definitief werd benoemd (blz. 1, onderaan, van het vonnis van de eerste rechter). In de mate dat het hof van beroep met de overwegingen dat de verweerder zich in de wettelijke voorwaarden bevindt om aanspraak te maken op een overgangsregeling zoals die werd bepaald in artikel 323 van het HOBU-decreet, dat de overgangsregeling tot stand kwam voor een zeer afgelijnde categorie personeelsleden die voordien onderwijs verstrekten in een zogenaamd "niet-uitsluitend ambt" en dat wegens de specificiteit van dat ambt welbepaalde personeelsleden een overgangsregeling genieten die afwijkt van het voor alle andere personeelsleden bestemde nieuw organiek stelsel (blz. 3, onderaan, en 4, bovenaan van het arrest), beslist dat de overgangsregeling waarop de verweerder zich kan beroepen, ook betrekking heeft op de wijze waarop de omvang van zijn betrekking wordt bepaald, schendt het hof van beroep de artikelen 318, 319, 323 en 369 van het HOBU-decreet. In de mate dat het hof van beroep met de overwegingen dat de eiseres ten onrechte staande houdt dat de vier uren die de verweerder destijds presteerde als leraar artistieke vakken in een niet-uitsluitend ambt moeten worden verhoogd tot 70 pct. in de door het HOBU-decreet ingestelde organieke regeling, zodat hij om dezelfde verloning te kunnen bekomen gehouden is tot het presteren van 9 uren contactonderwijs per week en hij zich bijkomend een halve dag ter beschikking moet houden en dat de eiseres aldus evenzeer ten onrechte haar stelling handhaaft dat de vóór de "concordantie" door de verweerder gepresteerde vier uren contactonderwijs op grond van het HOBU-decreet moeten worden geherkwalificeerd als een docentschap van 30 pct. (blz. 3, onder 6.1 van het arrest), beslist dat de prestaties van verweerder die vóór de inwerkingtreding van het decreet in uren werden uitgedrukt, na die inwerkingtreding niet mogen worden omgezet in een percentage van een voltijdse betrekking om de dezelfde verloning te kunnen bekomen en in het met dat percentage overeenstemmende aantal uren contactonderwijs, schendt het arbeidshof de artikelen 2, 30°, 34°, 40°, 43°, 318, 319, § 1, 323 en 369 van het HOBU-decreet. En in ieder geval schendt het hof van beroep de artikelen 2, 30°, 34°, 40°, 43°, 318, 319, §1, 323 en 369 van het HOBU-decreet door te beslissen dat dezelfde verloning als ontvangen vóór de inwerkingtreding van het HOBU-decreet die minstens aan verweerder moet worden betaald, "blijft gelden in verhouding met de gepresteerde werktijd" (in plaats van in verhouding met het door het hogeschoolbestuur bepaald procentueel aandeel per week van een voltijdse betrekking die een volledige beschikbaarheid voor de hogeschool inhoudt, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling, zoals door de eiseres aangevoerd). De beslissing het hoger beroep van de eiseres ongegrond te verklaren en het vonnis van de eerste rechter te bevestigen, is niet wettig (schending van de artikelen 2, 30°, 34°, zowel in de versie van vóór als in die van na de wijziging van dat 34° bij decreet van de Vlaamse Raad van 8 juli 1996, 40° en 43°, 319, §1, en 323, §1, zoals gewijzigd door artikel 51, 1°, van het decreet van de Vlaamse Raad van 19 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, evenals 318, in het bijzonder 318, 1°, 323, §2, zoals gewijzigd door artikel 51, 2°, van het decreet van de Vlaamse Raad van 19 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing na de wijziging van artikel 323, §2, bij decreet van 14 juli 1998, en 369 van het decreet van de Vlaamse Raad van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  9. Benevens de in het onderdeel weergegeven redenen, oordeelt de appelrechter ook dat ondanks de nieuwe prestatieregeling in de organieke regeling van het HOBU-decreet door de eiseres niet over het hoofd mag worden gezien dat de verweerder zich in de wettelijke voorwaarden bevindt om aanspraak te maken op een overgangsregeling zoals die werd bepaald in het artikel 323 van het kwestieuze decreet en dat de eerste rechter oordeelkundig vaststelde dat tegenover de duidelijke en niet mis te verstane tekst van het artikel 323 van het HOBU-decreet geen enkele decretale of reglementaire beschikking staat die toelaat daarvan af te wijken.
  10. De appelrechter verwerpt en beantwoordt zodoende het verweer van de eiseres met opgave van redenen die aan het Hof toelaten de wettigheid van de beslissing te toetsen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  11. Krachtens artikel 323, §1, eerste lid, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap blijven de personeelsleden, bedoeld in artikel 318, de salarisschaal genieten die hun mocht worden verleend op grond van de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen van kracht voor de inwerkingtreding van dit decreet, tenzij het bekwaamheidsbewijs, waarover de personeelsleden beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal in het nieuwe ambt. Luidens het tweede lid mogen deze personeelsleden in geen geval in hun nieuwe ambt (of in geval van bevordering) een lager salaris of salarisschaal krijgen dan die waarop zij in hun vroegere ambt recht hadden.
  12. Krachtens artikel 323, §2, van dit decreet, verkrijgen de personeelsleden, bedoeld in artikel 318 en belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst, met uitzondering van de basisopleidingen van één cyclus, in hun nieuwe ambt de bijzondere salarisschaal voor de houder van het vereiste bekwaamheidsbewijs, tenzij de salarisschaal die hun mocht worden verleend op grond van de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen van kracht voor de inwerkingtreding van dit decreet, hoger lag. In dat geval behouden zij hun vroegere salarisschaal.
  13. Het waarborgen van ten minste het salaris dat bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling was toegekend, is van algemene toepassing op de personen bedoeld in artikel 318 van het voornoemde decreet.
  14. De appelrechter stelt vast dat de verweerder zich in de wettelijke voorwaarden bevindt om aanspraak te maken op een overgangsregeling zoals die werd bepaald in artikel 323 van het voornoemde decreet.
  15. Door te oordelen dat aan de verweerder minstens dezelfde verloning moet worden betaald als deze die hij voor de inwerkingtreding van het voornoemde decreet ontving en dat die verloning blijft gelden voor dezelfde gepresteerde lesuren, ongeacht het feit dat het HOBU-decreet de prestaties niet meer uitdrukt in uren, maar wel in percentages, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 622,23 euro jegens de eisende partij en op de som van 371,78 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 20 december 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.