id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.8 Rolnummer: C.06.0301.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-01-09 Raadplegingen: 703 - laatst gezien 2026-07-03 22:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken
(1).
(1)Cass., 23 sept. 2004, AR C.03.0451.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040923.7, A.C., 2004, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Fiches 2 - 3 De eiser die beweert ingevolge artikel 29bis van de W.A.M.-wet aanspraak te kunnen maken op een vergoeding, moet bewijzen dat het verwezenlijkte risico binnen de omschrijving van het verzekerde risico valt; hij moet derhalve bewijzen dat hij behoort tot de door dat artikel beschermde categorie en dus niet de bestuurder was van een bij een verkeersongeval betrokken voertuig. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: W.A.M.-verzekering - Artikel 29bis W.A.M.-wet - Beschermde categorie - Niet-bestuurder - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet - 21-11-1989 - Art. 29bis oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1315, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Artikel 29bis W.A.M.-wet - Beschermde categorie - Niet-bestuurder - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet - 21-11-1989 - Art. 29bis oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1315, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0301.N B.M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen P&V VERZEKERINGEN, coöperatieve vennootschap, verzekerings-maatschappij, met zetel te 1210 Brussel, Koningsstraat 151, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 15 februari 2006 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen beginsel betreffende het gezag van gewijsde in strafzaken op de burgerlijke rechtsvordering; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (WAM-wet). Aangevochten beslissingen De rechtbank van eerste aanleg stelt vast dat er betwisting bestaat over het feit of de eiser bestuurder of inzittende in zijn voertuig was. De appelrechters stellen vast dat niet betwist wordt dat het voertuig, eigendom van de eiser een betrokken motorrijtuig was in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet. Zij stellen tevens vast dat de betwisting over de toepasselijkheid van artikel 29bis van de WAM-wet zich beperkt tot twee vragen, waaronder de eerste vraag of de vorderende partijen, waaronder de eiser, bestuurders of passagiers zijn. De appelrechters wijzen er op dat aan deze burgerrechtelijke procedure een strafrechtelijke procedure is voorafgegaan als gevolg waarvan de eiser wegens de hem ten laste gelegde feiten van onopzettelijke slagen en verwondingen en verkeersinbreuken wegens twijfel werd vrijgesproken. Aangaande het door de eiser aangevoerde gezag van gewijsde van deze strafrechtelijke vrijspraak ten aanzien van de burgerlijke rechter oordelen de appelrechters als volgt: "(de eiser) Er is wel betwisting over het feit of (de eiser) bestuurder of inzittende in zijn voertuig was. (De eiser) stelt dat, gelet op de vrijspraak door de correctionele rechtbank, de rechtbank thans dient te oordelen dat (de eiser) geen bestuurder maar wel een inzittende was in het voertuig Mercedes. Alle partijen in huidig geding waren ook aanwezig of vertegenwoordigd in de procedure voor de strafrechter, zodat het vonnis van de correctionele rechtbank gezag van gewijsde heeft ten opzichte van al deze partijen. Het gezag van gewijsde van een uitspraak op strafgebied die, zoals in casu, in kracht van gewijsde is getreden, is beperkt tot datgene dat de strafrechter zeker en noodzakelijk beslist heeft. Het gezag van gewijsde is gehecht aan het dispositief van de beslissing over de strafvordering en aan de motieven die er de noodzakelijke grondslag van vormen. Het gezag van gewijsde houdt in dat de burgerlijke rechter die na de definitieve beslissing over de grond van de strafvordering een beslissing moet nemen over de burgerlijke vordering voortspruitend uit hetzelfde feit, geen oordeel mag vellen dat strijdig is met wat beslist werd bij het oordeel over de strafvordering. In casu werd (de eiser) vrijgesproken voor het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen aan M.D. en S.S. en voor inbreuken op de Wegcode en dit omdat de correctionele rechtbank oordeelde dat er twijfel was over de identiteit van de bestuurder van het voertuig. Deze twijfel dient in strafzaken te leiden tot vrijspraak van de beklaagde. Niet alleen (de eiser) doch ook M.D. , die voor dezelfde inbreuken vervolgd werd, werd om deze reden vrijgesproken. Dit heeft tot gevolg dat de burgerlijke rechtbank niet meer kan oordelen dat (de eiser) of M.D. een inbreuk begingen op de strafwet m.b.t. het betrokken verkeersongeval. De strafrechter heeft echter niet zeker en noodzakelijk beslist dat (de eiser) geen bestuurder doch wel inzittende was. De vrijspraak is gesteund op twijfel omtrent deze hoedanigheid, doch hieruit volgt niet dat de rechtbank thans, in het kader van de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet, dient aan te nemen dat (de eiser) geen bestuurder doch wel passagier in het voertuig was. Evenmin houdt de uitspraak van de correctionele rechtbank in, zoals P&V Verzekeringen ten onrechte voorhoudt, dat de rechtbank thans moet aannemen dat M.D. geen bestuurder was en dus (de eiser) de bestuurder moet geweest zijn. Het eventuele oordeel van deze rechtbank dat (de eiser) niet bewijst dat hij inzittende (niet-bestuurder) was in het voertuig Mercedes of dat P&V Verzekeringen niet bewijst dat (de eiser) wel bestuurder van dit voertuig was, is niet tegenstrijdig met de vrijspraak van (de eiser) en M.D. door de correctionele rechtbank. Bij de beoordeling van de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet dient geen fout in hoofde van de bestuurder te worden vastgesteld, zodat er in dat verband geen tegenstrijdigheid kan ontstaan met het vonnis van de strafrechter. De vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet is geen ‘burgerlijke vordering' voortspruitend uit het feit waarvoor (de eiser) voor de strafechter werd vervolgd en vrijgesproken. Deze vordering is immers niet gegrond op enige fout van de bestuurder. Het volstaat dat het voertuig Mercedes betrokken was bij het ongeval (wat in casu niet betwist wordt)". (bestreden vonnis, blz. 15 en 16) Met betrekking tot de voorafgaande vrijspraak op strafrechtelijk gebied, stellen de appelrechters vast: "Het vonnis van de politierechtbank werd in graad van beroep bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 26 oktober 2000 bevestigd. De vordering van (de eiser) tot gemeenverklaring van het vonnis aan Hamburg Mannheimer Zagversicherung AG werd gegrond verklaard en het tussengekomen vonnis werd aan haar gemeen verklaard. De correctionele rechtbank oordeelde dat er in hoofde van M.D. en (de eiser) aanwijzingen waren dat zij bestuurder waren doch tevens tegenaanwijzingen en dat er ten aanzien van geen van beide beklaagden voldoende objectieve elementen in het strafdossier waren die toelieten met zekerheid één van beiden als bestuurder aan te wijzen. De rechtbank oordeelde, zoals de eerste rechter, dat er manipulaties aan het voertuig werden doorgevoerd (airbags vervangen of schoongemaakt, bloedsporen laten verdwijnen, voorruit aan passagierszijde weggesneden) zodat de besluiten van de deskundigen niet 100 pct. zeker en objectief waren". (bestreden vonnis, blz. 6 in fine en 7) Grieven Eerste onderdeel De appelrechters stellen vast dat de eiser door de correctionele rechtbank werd vrijgesproken en dat alle partijen in huidig geding ook aanwezig of vertegenwoordigd waren in de procedure voor de strafrechter, zodat het vonnis van de correctionele rechtbank gezag van gewijsde heeft, ten opzichte van al deze partijen Bij vonnis van 26 oktober 2000 werd de eiser op strafrechtelijk gebied door de Correctionele Rechtbank te Hasselt vrijgesproken wegens de hem ten laste gelegde verkeersinbreuken en onopzettelijke slagen en verwondingen omdat er twijfel bestaat over de vraag of de eiser als bestuurder van het voertuig, dat bij het ongeval betrokken was, kon worden beschouwd. De strafrechter heeft geoordeeld dat er ten aanzien van geen van beide beklaagden voldoende objectieve elementen in het strafdossier zijn die toelaten met zekerheid één van beiden als bestuurder aan te wijzen. De strafrechter heeft eveneens geoordeeld dat "er in de gegeven omstandigheden onvoldoende objectieve bewijzen zijn dat beklaagde B. of rechtstreeks gedaagde D. de bestuurder was op het moment van de aanrijding". Op grond van deze feitelijke omstandigheid werd de eiser door de Correctionele Rechtbank te Hasselt op strafrechtelijk gebied vrijgesproken. De appelrechters oordelen dat deze uitspraak van de correctionele rechtbank ten aanzien van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt wel degelijk gezag van gewijsde heeft, doch dat dit gezag de appelrechters niet verplicht om thans in het kader van de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet aan te nemen dat de eiser geen bestuurder, doch wel passagier in het voertuig was. Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde bindt de burgerlijk rechter niet alleen als deze uitspraak doet over de vordering tot schadevergoeding ex delicto maar ook in andere burgerlijke zaken, waarin de vordering op een misdrijf steunt. Dit betekent dat het gezag van het strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de strafrechter uitwerking heeft indien de beslissing van de strafrechter hetzelfde feit betreft als wat in het burgerlijk geschil tot de betwisting behoort. De appelrechters nemen zulks aan nu zij oordelen dat in beginsel de beslissing van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 26 oktober 2000 gezag van gewijsde heeft. Bovendien dekt het gezag van gewijsde het feit ongeacht de kwalificatie. De omstandigheid dat het betrokken verkeersongeval in de procedure voor de strafrechter als een misdrijf werd omschreven belet niet dat het in onderhavige procedure op grond van artikel 29bis van de WAM-wet gaat om hetzelfde feit, met name het verkeersongeval dat zich op 23 januari 1998 heeft voorgedaan te Lommel. De burgerlijke rechter kan overigens niet aan de bindende kracht van wat de strafrechter omtrent het feit heeft beslist ontsnappen door te pogen aan het feit een andere kwalificatie te geven. De appelrechters stellen vast dat de eiser op strafrechtelijk gebied werd vrijgesproken doch oordelen dat zij hierdoor niet dienen aan te nemen dat de eiser geen bestuurder doch wel passagier in het voertuig was. De burgerlijke rechter is evenwel gehouden door wat de strafrechter zeker en noodzakelijk besliste, met name door het dictum en door de redenen die daarvan de noodzakelijke grondslag uitmaken. In onderhavige zaak werd de eiser op strafrechtelijk gebied vrijgesproken omdat het niet bewezen was dat de eiser bestuurder was van het voertuig dat in het ongeval betrokken was. Uit het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 26 oktober 2000 blijkt dat de dragende reden van deze vrijspraak bestaat uit het gegeven dat er ten aanzien van geen van beide beklaagden, waaronder de eiser, voldoende objectieve elementen waren die toelieten met zekerheid één van beiden als bestuurder aan te wijzen. De feitelijke omstandigheid dat er onvoldoende elementen toelieten om de eiser als bestuurder aan te merken dient derhalve ongetwijfeld als een noodzakelijke grondslag van de strafrechtelijke vrijspraak te worden aangezien. De omstandigheid dat de vrijspraak op strafrechtelijk gebied gesteund is op twijfel omtrent deze hoedanigheid heeft geenszins voor gevolg dat de burgerlijke rechter in het kader van de betwisting nopens de toepassing van artikel 29bis van de WAM-wet de mogelijkheid zou kunnen openlaten dat de eiser wel degelijk als bestuurder dient te worden beschouwd. Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde geldt immers ongeacht de motieven van de vrijspraak en derhalve ook bij vrijspraak op grond van twijfel. De appelrechters oordelen weliswaar dat zij niet meer kunnen oordelen dat de eiser een inbreuk beging op de strafwet doch zij beperken hierbij ten onrechte de draagwijdte van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde. Nu de omstandigheid dat er twijfel bestaat nopens de vraag of de eiser als bestuurder kan worden aangezien de dragende reden is van de strafrechtelijke vrijspraak enerzijds en het gezag van het strafrechtelijk gewijsde blijft gelden, ongeacht de motieven van de vrijspraak anderzijds, vermochten de appelrechters bij hun beoordeling, en dit ongeacht de beslissing nopens de bewijslast, niet meer de mogelijkheid open te laten dat de eiser toch als bestuurder van het voertuig zou kunnen worden aangezien. De appelrechters oordelen dat de eiser niet aantoont dat hij een vergoedingsgerechtigd persoon in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet is en dat zijn vordering derhalve ongegrond dient te worden verklaard (bestreden vonnis, blz. 18 in fine). Zij oordelen tevens dat "het niet kan worden uitgemaakt, op grond van objectieve gegevens wie op het ogenblik van het ongeval bestuurder was van de Mercedes" (bestreden vonnis blz. 16 in fine). Hierdoor houden de appelrechters de mogelijkheid open dat de eiser als bestuurder van het betrokken voertuig dient te worden aangezien. Nu de eiser op strafrechtelijk gebied wegens twijfel omtrent deze omstandigheid vrijgesproken is en deze omstandigheid de dragende reden is van de vrijspraak, vermochten de appelrechters niet meer de mogelijkheid open te laten dat eiser als bestuurder dient te worden aangezien. Door derhalve, niettegenstaande de door de appelrechters aangenomen vrijspraak op strafrechtelijk gebied te oordelen dat het niet kan worden uitgemaakt wie op het ogenblik van het ongeval bestuurder was van de Mercedes en de vordering van de eiser op grond van artikel 29bis van de WAM-wet ongegrond dient te worden verklaard, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht (schending van het algemeen beginsel betreffende het gezag van gewijsde in strafzaken op de burgerlijke vordering en artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdend de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering). Tweede onderdeel De appelrechters oordelen dat de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet geen burgerlijke vordering is voortspruitend uit het feit waarvoor de eiser voor de strafrechter werd vervolgd en vrijgesproken, om reden dat deze vordering niet gegrond is op enige fout van de bestuurder (bestreden vonnis, blz. 16, voorlaatste alinea). De appelrechters oordelen zodoende dat de vordering van de eiser op grond van artikel 29bis van de WAM-wet gesteund is op een ander feit dan het feit dat door de strafrechter is beoordeeld. De omstandigheid dat de vordering van de eiser op grond van artikel 29bis van de WAM-wet niet gegrond is op enige fout van de bestuurder wordt door de eiser vanzelfsprekend niet aangevochten en betreft de rechtsgrond waarop de vordering van de eiser is gesteund. De omstandigheid dat deze rechtsgrond verschillend is heeft evenwel niet automatisch tot gevolg dat de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet zou voortspruiten uit een ander feit dan het feit dat door de strafrechter is beoordeeld. Uit het vonnis op strafrechtelijk gebied, gewezen door de Correctionele Rechtbank te Hasselt op 26 oktober 2000, blijkt dat door de strafrechter aldaar hetzelfde feit werd beoordeeld, met name het verkeersongeval dat zich op 23 januari 1998 omstreeks 5u in de ochtend te Lommel heeft voorgedaan. De omstandigheid dat in de strafrechtelijke procedure de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eiser voor dit ongeval is beoordeeld terwijl in onderhavige procedure voor de appelrechters dit ongeval werd beoordeeld in het kader van artikel 29bis van de WAM-wet, belet niet dat de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet wel degelijk betrekking heeft op hetzelfde feit waarvoor eiser voor de strafrechter werd vervolgd en vrijgesproken. In zoverre de appelrechters oordelen dat de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet geen burgerlijke vordering is, voortspruitend uit het feit waarvoor de eiser voor de strafrechter werd vervolgd en vrijgesproken, geven zij van het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 26 oktober 2000 een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schenden zij derhalve de bewijskracht van voormeld vonnis (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Derde onderdeel De appelrechters oordelen dat het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 26 oktober 2000 ten aanzien van de burgerlijke rechter wel degelijk bekleed is met gezag van gewijsde doch dat dit gezag van gewijsde niet zover gaat dat de burgerlijke rechter zou dienen aan te nemen dat eiser geen bestuurder doch wel passagier in het voertuig was. Hiermee oordelen de appelrechters impliciet doch zeker dat de beslissing van de strafrechter hetzelfde feit betreft als wat in onderhavig burgerlijk geschil tot de betwisting behoorde. Op blz. 16, voorlaatste alinea van het bestreden vonnis, oordelen de appelrechters evenwel dat de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet geen burgerlijke vordering voortspruitend is uit het feit waarvoor de eiser voor de strafrechter werd vervolgd en vrijgesproken. Het vonnis bevat dan ook tegenstrijdige motieven, zodat het niet regelmatig met redenen omkleed is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (WAM-wet); - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters oordelen dat de vordering van de eiser op grond van artikel 29bis van de WAM-wet ongegrond is aangezien de eiser niet aantoont dat hij een vergoedingsgerechtigd persoon in de zin van voormeld artikel is. Met betrekking tot de bewijslast op grond van artikel 29bis van de WAM-wet, oordelen de appelrechters dat de eiser dient aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden om een vergoeding overeenkomstig artikel 29bis van de WAM-wet te bekomen en dat zulks betekent dat hij niet alleen moet aantonen dat hij schade heeft geleden door een verkeersongeval doch dat hij tevens dient aan te tonen dat hij één van de personen is die zich op artikel 29bis van de WAM-wet kan beroepen. Zulks houdt volgens de appelrechters in dat hij dient aan te tonen dat hij geen bestuurder was. Met betrekking tot de bewijslast oordelen de appelrechters als volgt: "Van cruciaal belang voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van (de eiser) op grond van artikel 29bis van de WAM-wet is de vraag op wie de bewijslast rust. Dient (de eiser) te bewijzen dat hij passagier was in het voertuig en dus geen bestuurder was? In dat geval is de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet ongegrond aangezien dit bewijs niet geleverd wordt. Of volstaat het dat (de eiser) aantoont dat hij in het voertuig zat en schade heeft geleden en dient P&V Verzekeringen aan te tonen dat (de eiser) de bestuurder was? In dat geval is de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet gegrond aangezien P&V Verzekeringen niet het bewijs levert dat (de eiser) de bestuurder was. Het toepassingsgebied van de vergoedingsregeling van artikel 29bis van de WAM-wet wordt onder meer beperkt doordat slechts een bepaalde categorie van personen recht heeft op vergoeding, hetgeen blijkt uit de samenlezing van de eerste en de tweede paragraaf van artikel 29bis. Vergoedingsgerechtigd op grond van artikel 29bis van de WAM-wet is elk slachtoffer dat geen bestuurder was. De persoon die een schadevergoeding overeenkomstig artikel 29bis van de WAM-wet vordert, dient aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden om deze vergoeding te bekomen (artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Dit betekent dat hij niet alleen moet aantonen dat hij schade heeft geleden door een verkeersongeval en de verzekeraar van wie hij vergoeding vordert verzekeraar is van de eigenaar, bestuurder of houder van het betrokken motorrijtuig, doch dat hij tevens dient aan te tonen dat hij één van de personen is die zich op artikel 29bis van de WAM-wet kan beroepen. Dit heeft tot gevolg dat hij dient aan te tonen dat hij geen bestuurder was (vgl. Pol. Brugge 17 februari 2003, V.A.V. 2004/3, 247-250; Pol. Brugge 15 oktober 2002, De Verz. 2003, 774, noot J. Bogaert). (...) In het kader van artikel 29bis van de WAM-wet geldt geen vermoeden van het niet zijn van een bestuurder. Dat de bewijslast rust op diegene die de vergoeding op grond van artikel 29bis van de WAM-wet vordert, geldt des te meer in huidige zaak, waar het niet betwist is dat M. B. oorspronkelijk de bestuurder van het voertuig was. (De eiser), die beweert dat hij op een bepaald ogenblik stopte en dat vanaf dan M.D. het stuur overnam, dient het bewijs daarvan te leveren. Hij levert dit bewijs echter niet. Zoals reeds gesteld, liggen er enkel tegenstrijdige verklaringen van (de eiser) en M.D. voor en wisselende verklaringen van S. S. . Er is geen reden om één van de verklaringen boven de andere te verkiezen of meer geloofwaardig te achten. Er konden geen voldoende objectieve vaststellingen aan de wagen meer worden gedaan, gelet op de manipulatie van het voertuig. Bovendien kan louter uit de lichamelijke schade van de verscheidene betrokken personen evenmin worden afgeleid wie de bestuurder van het voertuig was op het ogenblik van het ongeval. Aangezien (de eiser) niet aantoont dat hij een vergoedingsgerechtigd persoon in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet is, dient zijn vordering op grond van artikel 29bis ongegrond te worden verklaard, zoals terecht door de eerste rechter werd geoordeeld. Dit geldt eveneens voor de vordering van het NVSM, dat gesubrogeerd is in de rechten van (de eiser) voor de door haar gedane betalingen, en derhalve niet meer rechten kan doen gelden dan (de eiser) zelf". (bestreden vonnis, blz. 17 t.e.m. 19) Grieven Overeenkomstig artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen kunnen slachtoffers en hun rechthebbenden m.b.t. schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels of overlijden, een recht op vergoeding laten gelden lastens de verzekeraar die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig dekt. Overeenkomstig §1 in fine van artikel 29bis van de WAM-wet moet worden aangenomen dat het hier gaat om een principiële bij wet ingevoerde vergoedingsplicht. In paragraaf 2 van artikel 29bis van de WAM-wet wordt bepaald dat de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet kunnen beroepen op de bepalingen van dat artikel tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt. De appelrechters oordelen, met verwijzing naar twee uitspraken van de politierechtbank te Brugge, dat de persoon die een schadevergoeding overeenkomstig artikel 29bis van de WAM-wet vordert ook dient aan te tonen dat hij geen bestuurder was. Zodoende dient de persoon die zich op artikel 29bis van de WAM-wet beroept het negatief bewijs te leveren van het feit dat hij geen bestuurder is. Vermits de uitsluiting van de bestuurder in artikel 29bis een exceptie betreft op een algemene regel dient diegene die deze exceptie inroept, m.n. de verzekeraar, hiervan ook het bewijs te leveren. Nu de appelrechters oordelen dat de vordering van de eiser ongegrond is omdat hij niet aantoont dat hij ten tijde van het ongeval geen bestuurder van het voertuig was, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken.
- Uit het bestreden vonnis blijkt dat de eiser bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 26 oktober 2000 in hoger beroep is vrijgesproken van het misdrijf van onopzettelijke slagen en verwondingen en van inbreuken op het Wegverkeersreglement omdat er ten aanzien van geen van beide beklaagden, de eiser en D. , voldoende objectieve elementen in het strafdossier waren die toelieten met zekerheid één van beiden als bestuurder aan te wijzen.
- Het bestreden vonnis beslist dat de strafrechter niet zeker en noodzakelijk heeft beslist dat de eiser geen bestuurder doch wel inzittende was. De vrijspraak is gesteund op twijfel omtrent deze hoedanigheid, maar hieruit volgt niet volgens het vonnis dat de rechtbank thans, in het kader van de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet, dient aan te nemen dat de eiser geen bestuurder, doch wel passagier in het voertuig was. Aldus geeft het bestreden vonnis te kennen dat de uitgesproken twijfel omtrent de hoedanigheid van bestuurder van de eiser of D. zich uitstrekt tot hun hoedanigheid van louter inzittende niet-bestuurder. Door hieruit af te leiden dat het eventuele oordeel dat de eiser niet bewijst dat hij een inzittende niet-bestuurder was in het voertuig Mercedes of dat de verweerster niet bewijst dat de eiser wel bestuurder was van dit voertuig, niet tegenstrijdig is met de vrijspraak van de eiser voor de correctionele rechtbank, schenden de appelrechters het gezag van het strafrechtelijk gewijsde van voormeld vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen dat bij de beoordeling van de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet geen fout in hoofde van de bestuurder dient te worden vastgesteld, zodat er in dat verband geen tegenstrijdigheid kan ontstaan met het vonnis van de strafrechter. Aldus geven zij van het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 26 oktober 2000 een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Anders dan het middel aanvoert, oordelen de appelrechters zonder tegenstrijdigheid, enerzijds, dat zowel de beslissing van de strafrechter als de hierbij horende burgerlijke betwisting betrekking hebben op de hoedanigheid van de eiser als bestuurder van het voertuig en, anderzijds, dat de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet, in tegenstelling tot de strafvordering en de burgerlijke vordering op grond van het misdrijf, niet gesteund is op enige fout van de bestuurder. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Krachtens artikel 29bis, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna WAM-wet), zoals te dezen van toepassing, zijn de verzekeraars die de aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, de bestuurder of de houder van motorrijtuigen die bij een verkeersongeval zijn betrokken, verplicht, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade te vergoeden voortvloeiend uit lichamelijk letsel of het overlijden dat wordt geleden door slachtoffers van een dergelijk ongeval en hun rechthebbenden. Krachtens artikel 29bis, §2, van de WAM-wet, zoals te dezen van toepassing, kunnen de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel. Artikel 29bis, zoals te dezen van toepassing, strekt ertoe uitsluitend een vergoeding toe te kennen aan personen die niet als bestuurder slachtoffer zijn van een verkeersongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken.
- Artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, in zijn eerste lid, dat degene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen, en in zijn tweede lid, dat degene die beweert bevrijd te zijn het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek is slechts de veralgemening van die in voornoemd artikel 1315 neergelegde regel.
- De eiser die beweert ingevolge artikel 29bis van de WAM-wet, zoals te dezen van toepassing, aanspraak te kunnen maken op een vergoeding, moet met toepassing van artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bewijzen dat het verwezenlijkte risico valt binnen de omschrijving van het verzekerde risico. De eiser moet derhalve bewijzen dat hij behoort tot de door artikel 29bis van de WAM-wet beschermde categorie en dus niet de bestuurder was van een bij het verkeersongeval betrokken voertuig.
- Het middel dat aanvoert dat de verzekeraar moet bewijzen dat de eiser een bestuurder is vermits de uitsluiting van de bestuurder in artikel 29bis van de WAM-wet een exceptie betreft op een algemene regel, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 640,25 euro jegens de eisende partij en op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 20 december 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190320.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221102.2F.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040923.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.6 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090424.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div