← België

ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070112.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070112.4 Rolnummer: C.06.0012.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-31 Raadplegingen: 283 - laatst gezien 2026-07-04 04:56 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.4 Fiches 1 - 2 Het cassatiemiddel van de partij die een rechter wraakt, afgeleid uit de nietigheid van de procedure van wraking, omdat de tegenpartij niet werd opgeroepen om tegenspraak te voeren betreffende de gevorderde wraking, is bij gebrek aan belang bij deze kritiek niet ontvankelijk

(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Oproepverplichting - Verzuim - Cassatiemiddel - Belang - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838, tweede lid Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang Vrije woorden: Wraking - Oproepverplichting - Verzuim - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838, tweede lid Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 12 jan. 2007, AR C.06.0012.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Oproepverplichting - Verzuim - Cassatiemiddel - Belang - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang Vrije woorden: Wraking - Oproepverplichting - Verzuim - Ontvankelijkheid Tekst van de conclusie C.06.0012.N Conclusie van de Heer Advocaat-generaal Dubrulle:
  1. Het arrest wijst de wraking van de rechters, leden van de rechtbank van koophandel te Brugge, zoals samengesteld op 1 september 2005, minstens van de voorzitter van die kamer, door eiseres af.
  2. Vooreerst moet, m.i., de vraag gesteld worden of het cassatieberoep tegen deze beslissing nog een belang vertoont voor eiseres, aangezien het, zoals blijkt uit de voorziening, werd ingesteld op 20 oktober 2005, dit is nadat de gewraakte rechters hun eindbeslissing reeds hadden gewezen, namelijk op 5 oktober
  3. Deze vraag lijkt me bevestigend te moeten worden beantwoord. Die eindbeslissing heft inderdaad een gebeurlijke onregelmatigheid in de wrakingprocedure niet op. Bovendien kan men uit deze loutere chronologie uiteraard niet afleiden dat eiseres deze beslissing van de door haar gewraakte rechters aanvaardt ... noch dat ze bijgevolg meteen zou aanvaard hebben dat die rechters dus toch verder konden zetelen en de vordering van verweerster en haar verweer op onpartijdige en onafhankelijke wijze konden beoordelen.
  4. Het eerste cassatiemiddel voert een schending aan van, o.m., artikel 838, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat over de wraking binnen acht dagen in laatste aanleg uitspraak wordt gedaan door het bevoegde gerecht (i.c. het hof van beroep), op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen. De grief is dat verweerster niet werd opgeroepen in de wrakingprocedure.
  5. Er kunnen een aantal vragen gesteld worden t.a.v. de ontvankelijkheid van dit middel. 4.1 Vooreerst dient vastgesteld te worden dat, volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 mei 2005 van het hof van beroep, eiseres geen onregelmatigheid heeft opgeworpen, afgeleid uit het thans aangeklaagde verzuim. Het middel kan aldus zonder belang zijn of ook nieuw. Als die oproepverplichting een vormvoorschrift is dat de openbare orde raakt, zoals bij wraking in strafzaken
(1), is het antwoord evident: eiseres kan de miskenning ervan alsnog inroepen. Komt de openbare orde niet in het gedrang, dan kan eiseres dat verzuim niet meer aanklagen, bij gebrek aan belang, daar ze dat niet deed toen daaraan kon verholpen worden. Dit vormvoorschrift lijkt me echter niet in verband te staan met de rechterlijke organisatie, doch enkel met een burgerlijke rechtspleging, zodat de openbare orde niet in het gedrang komt ... en het middel dus niet ontvankelijk is. 4.2 Maar, in de onderstelling dat haar actueel belang toch kan aangetoond worden en dat ze aldus voor het eerst in cassatie een dergelijke grief kan aanvoeren, kunnen voorts toch ook nog volgende vragen gesteld worden. 1. Heeft dit verzuim wel de nietigheid van het arrest over de wraking tot gevolg, zoals eiseres aanvoert, hoewel artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zelfs geen enkele sanctie voorziet en dus allerminst de nietigheid van de proceshandeling (de oproeping) beveelt (zoals door artikel 860, eerste lid, van hetzelfde wetboek vereist) en terwijl het arrest zelf niet als zodanig kan aangemerkt worden?
(2)
  1. Moet eiseres niet aantonen hoe ze door dit verzuim - dat toch vooral de verweerster aanbelangt - zelf geschaad werd, zodat ze het hof van beroep kon verzoeken de oproeping, overeenkomstig het artikel 861 van dat wetboek, nietig te verklaren (of dat verzuim te herstellen)?
  2. Werd het door de wet beoogde doel - dit is hoofdzakelijk het horen van de verzoeker tot wraking - niet bereikt, zoals bepaald in artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek, in welk geval het verzuim evenmin tot nietigheid kan leiden? Eiseres heeft mogelijks een belang in volgende opvatting: de stelling van de behoorlijk opgeroepen en - zo aanwezig - gehoorde tegenpartij, in de wrakingprocedure, kan het hoofdgeding en de houding van de gewraakte rechter(s) in dat geding in een bepaald daglicht plaatsen, waarbij de wraking zelfs steun krijgt, ook al zou die tegenpartij zich daar formeel tegen verzetten. Dit belang lijkt me evenwel niet aangetoond te zijn.
  3. Is dat middel dan, in zoverre het de schending van voormeld artikel 838, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aanvoert, gegrond? Het Hof besliste inderdaad, bij arrest van 28 oktober 2005
(3), dat de wrakingprocedure tegensprekelijk is, niet alleen ten aanzien van de partij die de wraking vordert maar ook ten aanzien van de overige partijen in het hoofdgeding, aangezien zij op de zitting moeten worden opgeroepen en het recht hebben om aldaar mondeling of door neerlegging van een geschrift hun opmerkingen te maken over de in de wrakingakte aangevoerde middelen, over de antwoorden die de rechter wiens wraking wordt gevorderd, daarop, onderaan die akte, heeft gegeven en over de conclusie van het openbaar ministerie. Het aangevochten arrest werd toen vernietigd wegens schending van artikel 838, tweede lid, Ger. W., alsook van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging, omdat het hof van beroep conclusies van de verzoeker tot wraking had geweigerd. Een tegensprekelijk debat vereist dus weliswaar een oproeping van alle partijen, zoals trouwens expliciet in de wet bepaald. Hier heeft eiseres echter klaarblijkelijk zelf niet aangedrongen op een debat dat ook tegensprekelijk zou zijn t.a.v. de niet opgeroepen en (dus) afwezige verweerster. De voormelde rechtspraak lijkt me dus niet tot een zelfde besluit te kunnen leiden wanneer enkel de verweerder in dat debat niet betrokken wordt. (...) Conclusie: verwerping. ARREST ______________________
(1)Cass., 18 november 1997, A.R. P.96.1364.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971118.3, nr. 485, met concl. AG Bresseleers.
(2)In zijn arrest van 21 april 2006 (A.R. C.06.0132.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.13, www.cass.be) heeft het Hof geen negatief gevolg verbonden aan het niet naleven van een termijn van 24 uren, voorgeschreven door artikel 654 Ger.W. (in een procedure tot onttrekking) door de griffier van het Hof, nadat het O.M., in zijn schriftelijke conclusie (te publiceren in Pas.), opmerkte dat de wet daarop geen onmiddellijke sanctie stelt.
(3)A.R. C.04.0264.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051028.3, www.cass.be. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971118.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051028.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.