← België

ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070119.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070119.6 Rolnummer: F.05.0095.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-07-03 06:58 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.6 Fiche 1 Indien een provinciale- of gemeentelijke belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte, wordt, bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, de belasting in beginsel ambtshalve ingekohierd; de ter zake bevoegde overheid beschikt evenwel over de mogelijkheid te oordelen dat er motieven bestaan om bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn toch niet de belasting van ambtswege te vestigen, met name omdat het mogelijk is de aanslag alsnog te vestigen op grond van een laattijdige aangifte

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VESTIGING DOOR ANDERE OVERHEDEN - Algemeen (inkomstenbelasting - vestiging door andere verheden) Vrije woorden: Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn - Procedure van aanslag van ambtswege - Laattijdige aangifte Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-1996 - Art. 6 Fiche 2 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 19 jan. 2007, AR F.05.0095.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn - Procedure van aanslag van ambtswege - Laattijdige aangifte Annotaties Publicaties: T.gem. - Elly VAN DE VELDE; Kan of moet de lokale overheid de procedure van ambtshalve inkohiering toepassen naar aanleiding van een laattijdige belastingafgifte? Een toelichting bij het oordeel van het Hof van cassatie en het Grondwettelijk Hof. - 2007, 307-318 Tekst van de conclusie F.05.0095.N Advocaat- generaal Dirk THIJS heeft in substantie gezegd:
  1. Verweerder diende een laattijdige aangifte in inzake de door de stad Antwerpen voor het jaar 2001 gevestigde ¿krotbelasting¿. Niettemin vestigde de stad een ¿gewone aanslag¿ overeenkomstig de gegevens van de laattijdige aangifte zonder de bij artikel 6 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen voorziene procedure van ambtshalve aanslag na te leven. Bij het thans bestreden arrest bevestigt het Hof van beroep te Antwerpen het vonnis van de eerste rechter waarbij de betwiste aanslag vernietigd wordt wegens de niet naleving van de procedure van aanslag van ambtswege die volgens de rechtbank een substantiële vormvereiste uitmaakt.
  2. In het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie voert eiseres aan dat zij in geval van laattijdige aangifte niet altijd verplicht is de procedure voorzien in voormeld artikel 6 te volgen, maar van de ambtshalve vestiging van de belastingaanslag vermag af te zien door de belasting te vestigen op een wijze die niet afwijkt van de gegevens vervat in de laattijdige aangifte, hetgeen het verzenden bij aangetekende brief van een kennisgeving van aanslag van ambtswege overbodig maakt. Artikel 6, lid 1, van de wet van 24 december 1996 stipuleert: ¿Indien de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte, wordt, bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, de belasting ambtshalve ingekohierd¿. Artikel 6, lid 2, van die wet luidt als volgt: ¿ Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, betekent de overheid die krachtens artikel 4 bevoegd is om het kohier vast te stellen, aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.¿ De uitlegging die het bestreden arrest geeft van deze bepalingen is volstrekt in overeenstemming te brengen met de duidelijke wettekst waaruit blijkt dat in geval van laattijdige aangifte de procedure van ambtshalve aanslag verplicht moet worden gevolgd. De wettekst laat geen ruimte voor interpretatie en dient hoe dan ook strikt te worden uitgelegd nu de erin vervatte fiscale procedurevoorschriften de openbare orde aanbelangen en er op gericht zijn in geval van ambtshalve inkohiering van de belasting de rechten van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren. De procedure van ambtshalve inkohiering maakt aldus een substantiële formaliteit uit waarvan de miskenning aanleiding geeft tot de nietigheid van de in strijd ermee gevestigde aanslag. In tegenstelling tot artikel 351 W.I.B.
(1992)voorziet voornoemd artikel 6 niet in de mogelijkheid (¿kan¿) maar in de verplichting (¿de belasting wordt ambtshalve ingekohierd¿) om een ambtshalve aanslag te vestigen in geval van laattijdige aangifte. Zulks blijkt ook het standpunt te zijn van de rechtsleer (J. PIETERS, ¿Inzake gemeentebelastingen is aanslag van ambtswege toch verplicht¿, Fisc. Act., 2004, nr. 22, p. 3-5; M. DE JOCKHEERE, ¿de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en invordering van de provinciale en gemeentebelastingen¿, A.F.T., 1997, p. 121). Eiseres standpunt faalt dan ook naar recht. In de toelichting bij zijn voorziening argumenteert eiseres dat het woord ¿ambtshalve¿ in artikel 6, lid 1, van de wet niet meer betekent dan dat het bestuur zelf zonder de medewerking van de belastingplichtige tot de inkohiering moet kunnen overgaan om over diens verzuim van correcte medewerking te kunnen heenstappen. Zulks neemt evenwel niet weg dat het tweede lid van artikel 6 duidelijk voorschrijft dat ¿vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag¿ de overheid een aangetekend bericht van aanslag van ambtswege dient te betekenen aan de belastingplichtige. Het afzien van de verplicht voorgeschreven procedure van aanslag van ambtswege lijkt mij overigens in strijd te zijn met het legaliteitsbeginsel nu de litigieuze belastingverordening voor het dienstjaar 2001 voorziet in de toepassing van een belastingverhoging in geval van een ambtshalve inkohiering, zoals artikel 7 van de wet van 24 december 1996 de mogelijkheid daartoe verleent. Door de wettelijk verplichte ambtshalve procedure niet toe te passen, wordt meteen vrijstelling verleend van een nochtans wettelijk voorziene belastingverhoging. Daarenboven dient gewezen op een gevaar voor misbruiken in de gevallen waarin de verjaring nakend is, en de verjaring eenvoudig zou kunnen worden vermeden door de wettelijk voorziene procedure niet toe te passen. Ten overvloede weze opgemerkt dat het naleven van de correcte procedure voor de lokale belastingoverheid belangrijk is, nu die overheid niet over de mogelijkheid tot hertaxatie beschikt in de gevallen waarin een aanslag nietig wordt verklaard wegens het niet naleven van de procedure van ambtshalve aanslag. Anders dan het geval is inzake de directe rijksbelastingen (cfr. de artt. 355 en 356 W.I.B.
(1992)), heeft de lokale belastingoverheid niet de mogelijkheid om een nieuwe of subsidiaire aanslag te vestigen nadat een aanslag nietig is verklaard wegens schending van een andere regel dan de verjaring. (¿) Besluit: VERWERPING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.