id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070209.2 Rolnummer: C.05.0308.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht Invoerdatum: 2007-02-26 Raadplegingen: 234 - laatst gezien 2026-07-03 06:49 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070209.2 Fiches 1 - 2 Het bijzonder recht om de rechtspleging inzake faillissement zonder verwijl en zo efficiënt mogelijk te laten verlopen primeert de algemene regeling van het derdenverzet en sluit uit dat alsnog derdenverzet kan worden gedaan tegen een arrest dat een faillissementsvonnis bevestigt
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: DERDENVERZET Vrije woorden: Faillissement - Vonnis van faillietverklaring - Hoger beroep - Bevestiging - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Art. 14, tweede en derde lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Vrije woorden: Vonnis van faillietverklaring - Hoger beroep - Bevestiging - Derdenverzet - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Art. 14, tweede en derde lid Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Dubrulle, Cass., 9 feb. 2007, AR C.05.0308.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: DERDENVERZET Vrije woorden: Faillissement - Vonnis van faillietverklaring - Hoger beroep - Bevestiging - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Vrije woorden: Vonnis van faillietverklaring - Hoger beroep - Bevestiging - Derdenverzet - Ontvankelijkheid Tekst van de conclusie C.05.0308.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
- Bij arrest van het hof van beroep te Gent van 8 december 2003 werd het hoger beroep van de derde verweerster tegen het vonnis, dat haar in staat van faillissement verklaarde, als ongegrond afgewezen. Tegen dit arrest werd door de eisers derdenverzet gedaan. Het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent van 28 februari 2005 verklaarde dit derdenverzet onontvankelijk. Hierbij werd onder meer overwogen: - dat het derdenverzet, dat overeenkomstig het artikel 14 van de Faillissementswet kan worden gedaan tegen elk vonnis van faillietverklaring door de belanghebbenden, die daarbij geen partij zijn geweest, slechts ontvankelijk is, zo het wordt gedaan binnen vijftien dagen na de opneming van het vonnis in het Belgisch Staatsblad; - dat de eisers hun derdenverzet niet instelden binnen de aldus voorziene termijn, zodat het vonnis van faillietverklaring te hunnen opzichte definitief is geworden en hun derdenverzet dientengevolge als laattijdig en onontvankelijk dient worden afgewezen; - dat de verwijzing naar de bepalingen van de artikelen 1124 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek niet relevant is, nu de faillissementswet als bijzondere wet primeert op de gemeenrechtelijke procedureregels; - dat de eisers foutief voorhouden dat het derdenverzet, nu het geschil ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep aan de eerste rechter was onttrokken, enkel kon worden ingesteld tegen het arrest, te meer de nuttige termijn voor het aantekenen van derdenverzet reeds verstreken was op het ogenblik dat door de gefailleerde hoger beroep werd ingesteld.
- In hun enig cassatiemiddel voeren de eisers de schending aan van de artikelen 1122 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede van het artikel 14 van de Faillissementswet van 8 augustus
- Het tweede lid van dit artikel 14 bepaalt dat "tegen ieder vonnis van faillietverklaring of ieder vonnis waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld verzet (kan) worden gedaan door de verstekdoende partijen en derdenverzet door de belanghebbenden die daarbij geen partij zijn geweest". Het derde lid bepaalt dat "het derdenverzet slechts ontvankelijk is wanneer het wordt gedaan binnen vijftien dagen na de opneming van het uittreksel van het vonnis in het Belgisch Staatsblad". Eisers stellen dat uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat het geen betrekking heeft op het in graad van hoger beroep gewezen arrest, waarbij het vonnis van faillietverklaring wordt bevestigd. Zulks zou onder meer dienen te worden afgeleid uit het feit dat geen wetsbepaling voorschrijft dat zodanig arrest bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Wanneer het derdenverzet gericht is tegen zulk arrest zouden de artikelen 1122 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek dienen te worden toegepast.
- De door het artikel 14, derde lid van de Faillissementswet bepaalde termijn van vijftien dagen voor (verzet en) derdenverzet is alleen toepasselijk op "ieder vonnis van faillietverklaring of ieder vonnis waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld", zoals in het eerste lid bedoeld. Hij is derhalve niet toepasselijk op het vonnis dat de faillietverklaring afwijst, waarop, voor het instellen van een derdenverzet, de termijnen van gemeen recht van toepassing zijn
- Daarmede is de vraag evenwel niet beantwoord of, ingeval hoger beroep werd ingesteld tegen een vonnis van faillietverklaring, de belanghebbenden, die geen partij waren in het geding, derdenverzet kunnen aantekenen tegen de beslissing van het hof van beroep, die de faillietverklaring bevestigt. In het bestreden arrest wordt, nauw aansluitend bij de tekst van de wet, gesteld dat een derdenverzet slechts ontvankelijk is zo het wordt gedaan binnen vijftien dagen na de opneming van het in eerste aanleg gewezen vonnis in het Belgisch Staatsblad. Veel aandacht aan de problematiek wordt in de rechtsleer niet besteed, terwijl er ter zake ook geen gepubliceerde rechtspraak voorhanden is. St. Loosveld, die wel dieper daarop ingaat, lijkt de mening toegedaan te zijn dat de belanghebbende derden die mogelijkheid hebben, met dien verstande dat niet de korte door de Faillissementswet voorziene termijn, doch wel de gemeenrechtelijke termijn om derdenverzet in te stellen toepasselijk zou zijn
- Ik ben van mening dat het cassatiemiddel, dat het rechtsmiddel zelf en niet de termijn om dat aan te wenden blijkt te betreffen en volgens hetwelk eisers ook nog recht hebben op derdenverzet, hoewel ze dat niet deden tegen het vonnis van faillietverklaring, noch, uiteraard, tussenkwamen in de beroepsprocedure, niet kan slagen. In zijn uitgangspunt - namelijk: "art. 14 is niet toepasselijk op een arrest dat de faillietverklaring bevestigt" - viseert het middel enkel een bevestigend arrest, in welk geval de publicatie niet vereist is, zodat dan ook de termijn van 15 dagen niet kan lopen, en niet een faillietverklaring door de appelrechter zelf, na hervorming, uitgesproken, in welk geval de publicatie wel vereist is en de termijn van verzet of derdenverzet ook doet lopen. Het middel faalt, m.i., naar recht omdat het met de doelstelling van de wet niet verenigbaar is, in zoverre het stelt dat de belanghebbende die bij het vonnis van faillietverklaring geen partij is geweest en geen derdenverzet heeft gedaan binnen de door de wet bepaalde bijzondere termijn, alsnog verzet zou kunnen doen tegen het arrest dat dit vonnis bevestigt. Die van het gemeen recht afwijkende bepalingen beogen inderdaad de rechtspleging inzake faillissement, die uit haar aard geen verwijl duldt, zo efficiënt als mogelijk te laten verlopen. Het gemeen recht, d.i. artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek, is weliswaar in algemene termen gesteld en laat derdenverzet toe tegen elke "beslissing" gewezen door een burgerlijk gerecht (of door een strafgerecht) die de rechten van een derde benadeelt
- Enkel tegen arresten van het Hof staat geen derdenverzet open (art. 1123 Ger. W.). Het is echter niet aanvaardbaar dat een faillietverklaring in vraag kan gesteld worden gedurende de lange termijn van het gemeen recht, volgens hetwelk derdenverzet verjaart door verloop van dertig jaren (art. 1128 Ger. W.), behoudens betekening aan een derde, in welk geval de termijn voor derdenverzet drie maanden bedraagt (art. 1129 Ger. W.). Een vernietiging van het vonnis van faillietverklaring ingevolge derdenverzet volgens het gemeen recht zou bovendien gelden ten aanzien van alle partijen, in zover de tenuitvoerlegging van dat vonnis onverenigbaar is met de tenuitvoerlegging van de vernietigende beslissing (art. 1130, tweede lid Ger. W.). En de tenuitvoerlegging van het vonnis van faillietverklaring, die per definitie reeds ruimschoots gerealiseerd is en waarbij talrijke schuldeisers kunnen betrokken zijn, zal inderdaad niet verenigbaar zijn met de tenuitvoerlegging van het veel latere arrest dat de faillietverklaring zou intrekken. Een dergelijke situatie op louter zeer laattijdig initiatief van een derde - en dan nog in tweede graad - is niet denkbaar. Daarom voorziet de afwijkende Faillissementswet voor zulke intrekking een korte termijn.
- Het middel gaat er dan ook verder ten onrechte vanuit dat, wanneer het derdenverzet niet is gericht tegen het vonnis van faillietverklaring maar tegen het in graad van hoger beroep gewezen arrest dat dit vonnis bevestigt, de gemeenrechtelijke bepalingen inzake het derdenverzet moeten worden toegepast. Overigens lijkt de toelaatbaarheid van dit rechtsmiddel, spijts de voormelde algemene termen van artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek, in die omstandigheden niet verenigbaar met de verdere bepalingen van dat gemeen recht. Artikel 1125 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers: "Derdenverzet wordt, met dagvaarding aan alle partijen, gebracht voor de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen." Het kan incidenteel bij schriftelijke conclusie worden gebracht voor de rechter bij wie het geschil aanhangig is, indien deze de gelijke of de meerdere is van de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen, voor zover alle partijen tussen wie deze beslissing is gevallen, in het geding zijn. Bij niet-nakoming van de in dit artikel gestelde regels wordt het derdenverzet niet toegelaten." De wet voorziet dus geen derdenverzet tegen de beslissing van de meerdere zelf, althans niet uitdrukkelijk. Het Hof heeft, in zijn arrest van 11 juni 19984, geoordeeld dat de door het tweede lid bepaalde mogelijkheid "inzonderheid geboden wordt aan de derde die bij ontstentenis van dergelijke bepaling verplicht zou kunnen worden de uitspraak in hoger beroep af te wachten vooraleer een principaal derdenverzet in te stellen voor de appelrechter." Het Hof benadrukt het autonoom karakter van het derdenverzet, dat dus niet kan worden aangetast doordat een partij hoger beroep heeft ingesteld. Daarom werd de beslissing vernietigd die de eerste rechter onbevoegd achtte om een derdenverzet, hangend het hoger beroep van een partij, te beoordelen. Waar het Hof aldus weliswaar terecht de keuzevrijheid erkent van de derde om zijn verzet te doen voor de eerste rechter, spijts dat hoger beroep, wordt daardoor meteen toch ook de opvatting bevestigd dat de wetgever de bedoelde verplichting voor de derde om slechts tegen de beslissing van de appelrechter verzet te doen inderdaad niet heeft gewenst. Artikel 1125, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek heeft dus tot doel, om proceseconomische redenen, te verhinderen wat de eisers precies beogen. Hoewel ze deze tweede hen door de wet geboden mogelijkheid om de faillietverklaring aan te vechten, door rechtstreeks (incidenteel en dus proceseconomisch) derdenverzet te doen voor de appelrechter, evenmin hebben benut - menen ze dit alsnog te kunnen doen, louter nadat de gefailleerde - waarvan ze vennoten, resp. zaakvoerders zijn - als appelante daar zelf niet in slaagde. De wet biedt zulke derde kans niet.
- Het middel lijkt me voor het overige, wat zijn subsidiaire grief betreft, feitelijke grondslag te missen. Het bestreden arrest verklaart immers het derdenverzet "strekkende tot vernietiging van het faillietverklarend vonnis" onontvankelijk wegens laattijdigheid, niet, zoals in deze grief wordt gesteld, wegens het verstrijken van de termijn van 14 dagen volgend op het bevestigend arrest, waartegen het derdenverzet gericht was, maar van de termijn volgend op de publicatie van het faillietverklarend vonnis. Ook al is dit niet echt zoals het hoort, de appelrechters zeggen toch ook uitdrukkelijk dat derdenverzet tegen dat arrest niet mogelijk was.
- Conclusie: verwerping. _______________
(1)Ph. Gérard, J. Windey en M. Grégoire, "Le concordat judiciaire et la faillite, Lois des 17 juillet et 8 août 1997", in Les dossiers du Journal des Tribunaux, 17, Larcier, nr. 139; in dezelfde zin: S. Loosfeld, "Het toepassingsgebied van art. 14 Faill.W.", noot onder Hof Antwerpen, 2 november 1998, R.W. 1998-1999, 1282, nr. 5; B. Mailleux, "De Faillisementsuitspraak" in Het faillissementsrecht geactualiseerd, Deel 2, Die Keure, 1998, 54, nr. 2.a; K. Wagner, "Derdenverzet", in A.P.R., E.Story-Scientia, 2004, 81, nr. 108; klaarblijkelijk meer terughoudend evenwel: B. Windey, Commentaar op artikel 14 Faillissementswet 1997, in Handels- en economisch recht, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 7, nr. 12.
(2)St. Loosveld, "Het toepassingsgebied van art. 14 Faill.W.", noot onder Hof Antwerpen, 2 november 1998, R.W. 1998-1999, 1282, nr. 5.
(3)A. Le Paige, Précis de droit judiciaire, T. IV Les voies de recours, Larcier, Brussel, 1973, p. 160, nr. 177.
(4)A.R. C.95.0130.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980611.4, A.C., 1998, nr. 303 alsook R.W., 1998-1999, p. 1263. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070209.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980611.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div