id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070216.3 Rolnummer: F.05.0015.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 306 - laatst gezien 2026-07-03 09:24 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3 Fiche De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 E.V.R.M., mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; de rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie; dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen
(1).
(1)Zie Cass., 21 jan. 2005, AR C.02.0572.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31, nr 43, met concl. O.M.; Cass., 16 feb. 2007, AR C.04.0390.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2, www.cass.be; Cass., 16 feb. 2007, AR F.06.0032.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.5, www.cass.be. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Administratieve sancties met repressief karakter - Wettelijkheid van de sanctie - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Artt. 70, § 1 en 84 Tekst van de conclusie F.05.0015.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE.
- Naar aanleiding van een controle bij een leverancier van verweerder werd vastgesteld dat hem, in de jaren 1992 tot en met 1995, goederen werden geleverd met valse facturen, zodat die goederen door hem werden voortverkocht met ontduiking van de BTW en van de inkomstenbelasting. Uit hoofde van die feiten werd een dwangbevel uitgevaardigd lastens verweerder tot invordering van de ontdoken B.T.W. en bijhorigheden, waaronder de wettelijke boete, berekend in toepassing van artikel 7O, § 1, van het B.T.W.- Wetboek op tweemaal het bedrag van de ontdoken rechten. Ingevolge het verzet van verweerder werd de administratieve boete bij vonnis van 7 december 2OOO van de rechtbank van eerste aanleg te Gent herleid tot 1O % van de ontdoken belasting. Bij het thans bestreden arrest stelt het Hof van Beroep te Gent het bedrag van de administratieve boete vast op 5O % van de ontdoken belasting.
- In het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat de door het arrest uitgesproken vermindering van de opgelegde boete strijdig is met het voorschrift van art. 7O, § 1, van het B.T.W.-Wetboek, alsook met de bepalingen van het K.B. nr. 41 van 3O januari 1987 nu het toetsingsrecht van de administratieve geldboete niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit, en tegen wettelijke voorschriften in, de opgelegde boeten kan kwijtschelden of verminderen. Uit de in het arrest gedane vaststellingen blijkt volgens eiser dat de vermindering van de administratieve boete louter gesteund is op de subjectieve appreciatie van de appelrechters.
- Artikel 7O, § 1 van het B.T.W.-Wetboek schrijft voor dat ¿voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting¿. De krachtens dat artikel opgelegde boete kan verminderd worden in de gevallen en onder de voorwaarden omschreven in het koninklijk besluit nr. 41 van 3O januari 1987 en in de daarbij gevoegde schalen. Krachtens het laatste lid van artikel 1 van dit koninklijk besluit zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Het Arbitragehof oordeelde bij arrest van 24 februari 1999 dat artikel 7O van het B.T.W.-Wetboek de artikelen 1O en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen (Arbitragehof nr. 22/99, 24 februari 1999, B.S., 3O april 1999; T.F.R., 1999, 388). Inzake administratieve sancties houdt ¿de volle rechtsmacht¿ in dat de rechter minstens de feiten, de correcte toepassing van het recht en de evenredigheid tussen overtreding en sanctie moet kunnen controleren en in voorkomend geval alle feitelijke en juridische onderdelen van de beslissing ongedaan moet kunnen maken. De rechterlijke controle is ter zake een volledige rechtmatigheidscontrole die minstens moet slaan op de feiten (bv. de werkelijkheid van de overtreding), de overeenstemming met de wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen en de evenredigheid tussen de overtreding en de sanctie (Advies R.v.St. nr. 28.776, Parl. St. Kamer, 1998-99, nr. 2O31/1, p. 15-16). Inzake de rechterlijke toetsing van administratieve sancties opgelegd aan een B.T.W.-plichtige, oordeelde Uw Hof in een arrest van 5 februari 1999 dat de rechter de mogelijkheid moet hebben om de werkelijkheid na te gaan van de sanctionering en eveneens te beoordelen of de sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, en inzonderheid of zij niet indruist tegen specifieke wettelijke bepalingen of tegen algemene rechtsbeginselen, en of zij niet in strijd is met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur. De uitoefening van dit toetsingsrecht houdt evenwel niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de belastingplichtige zou kunnen bevrijden van verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid (Cass., 5 februari 1999, A.C., 1999, nr. 67). De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan evenwel niet voor gevolg hebben dat de boete niet kan worden verminderd, zelfs niet bij onevenredigheid met de overtreding. Met de rechtsleer kan worden aangenomen dat een dergelijke lezing van geciteerd arrest niet in overeenstemming te brengen is met de eis van volle rechtsmacht van artikel 6 van het E.V.R.M. die tevens tot uiting komt in voormelde rechtspraak van het Arbitragehof (o.m. J. PUT, ¿Rechtshandhaving door administratieve sancties in het recht¿, R.W., 2OO1-2OO2, nr. 34, 2O april 2OO2, 12O4, nr. 27; M. MAUS, ¿Kritische bemerkingen bij de arresten van het Hof van Cassatie van 5 februari 1999 inzake de fiscaal-administratieve sancties¿, A.J.T., 1998-99, 985-986). De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en in voorkomend geval de opgelegde administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (W. LAMBRECHTS, ¿Het zorgvuldigheidsbeginsel¿, in I. OPDEBEEK (red.), Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1993, 3O-31). De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstelling, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft. Bedoeld cassatiearrest moet dan zo worden gelezen dat de beslissing wel op zorgvuldigheid (inclusief evenredigheid) kan worden getoetst, maar niet op loutere opportuniteit en billijkheid (bv. verzachtende omstandigheden). De evenredigheid wordt dan een onderdeel van de rechtmatigheidscontrole ( J. PUT, o.c., 12O4, nr. 27, in fine). In arresten van 24 januari 2OO2 heeft Uw Hof overigens expliciet bevestigd dat het toetsingsrecht van administratieve sancties in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; dat hij hierbij inzonderheid acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld. Uw Hof wees er andermaal op dat dit toetsingsrecht niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass., 24 januari 2OO2, A.R. nrs. C.OO.O234.N-C.OO.O442.N; C.OO.O3O7.N-C.OO.O599.N; F.OO.OO99.N). In een arrest van 21 januari 2OO5 specifieerde Uw Hof dat in het kader van bedoeld toetsingsrecht de rechter ¿ in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.¿ (Cass., 21 januari 2OO5, A.R. nr. C.O2.O572.N, www. cass.be, met concl. van ondergetekende). Eiser in cassatie gaat er in zijn voorziening terecht van uit dat onevenredigheid tussen een sanctie en de bestanddelen van een inbreuk wijst op een objectieve verhouding waarbij de feiten ten opzichte van de sanctie afgewogen worden, daarbij abstractie makend van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige. Aangaande de door verweerster begane inbreuken stelt het bestreden arrest vast dat verweerder ¿zich bewust schuldig gemaakt heeft aan fraudepraktijken, dit over een periode van vier jaar¿. Het bestreden arrest neemt aldus enerzijds aan dat de overtreding werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, in de zin van voormeld artikel 1 van het K.B. nr. 41 van 3O januari 1987, zodat de toepassing van een verminderde boete ingevolge die bepaling uitgesloten was en ¿het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie¿ (cfr. Cass., 21 januari 2OO5, supra). Anderzijds vermindert het hof van beroep de boete tot 5O % van het bedrag van de ontdoken rechten op grond dat ¿een boete van 2OO % onevenredig is met de door (verweerder) begane inbreuken¿, terwijl ¿5O % van de ontdoken rechten in redelijkheid (is) gerechtvaardigd.¿ De appelrechter stelt aldus niet vast dat de administratie niet naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang gelet op de aard van de feiten, doch hij beperkt zich ertoe zijn subjectieve beoordeling in plaats te stellen van de wettelijk omschreven sanctie. Het middel komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de administratie geldboete en de kosten. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div