id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070216.5 Rolnummer: F.06.0032.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 300 - laatst gezien 2026-07-03 11:43 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.5 Fiche De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 van het B.T.W.-Wetboek te toetsen, mag de wettelijkheid daarvan onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; de rechter mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie; dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen; de rechter die in zijn beoordeling expliciet wijst op het bewust karakter van de inbreuken, en vervolgens de opgelegde geldboete van 200 procent van de ontdoken belasting vermindert om de enkele reden dat die boete onevenredig is, mag niet nalaten te onderzoeken in welke mate het bestuur zelf gebonden was door een sanctie en op welke gronden het bestuur van de vaste schalen had moeten afwijken
(1).
(1)Zie Cass., 21 jan. 2005, AR C.02.0572.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31, nr 43 met concl. O.M.; Cass., 16 feb. 2007, AR F.05.0015.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3, www.cass.be; Cass., 16 feb. 2007, AR nr C.04.0390.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2, www.cass.be. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Administratieve sancties met repressief karakter - Wettelijkheid van de sanctie - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Artt. 70, § 1 en 84 Tekst van de conclusie F.06.0032.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE.
- De feiten kunnen als volgt worden samengevat. Verweerder had wegens zijn activiteit als groot- en kleinhandelaar in textielproducten de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige. Hij heeft zijn belastbare activiteit op 31 juli 1992 stopgezet. Ter gelegenheid van een controle verricht op 6 juli 1992 werden in zijn boekhouding voor de jaren 1990 en 1991 een aantal onregelmatigheden vastgesteld, die geacteerd werden in een proces-verbaal van 27 januari
- De daaruit gebleken fiscale schuld werd opgevorderd in een dwangbevel, uitgevaardigd op 22 april 1993, uitvoerbaar verklaard op 27 april 1993 en aan verweerder betekend op 11 mei
- Verweerder tekende verzet aan tegen dit dwangbevel. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, van 11 april 2002, werd het verzet afgewezen wat de verschuldigde belasting betreft. De boete werd door de rechtbank tot 50 procent van de ontdoken belasting herleid. Op het hoger beroep van verweerder werd bij het bestreden arrest de vastgestelde fiscale schuld in een beperkte mate verminderd en het verzet voor het overige afgewezen. Het incidenteel beroep van eiser, waarbij de vermindering van de opgelegde boete door eiser aangevochten werd, werd eveneens door dit arrest ongegrond verklaard. Tegen deze laatste beslissing heeft eiser zich in cassatie voorzien.
- In het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat de door het arrest uitgesproken vermindering van de opgelegde boete strijdig is met het voorschrift van art. 7O, § 1, van het B.T.W.-Wetboek, alsook met de bepalingen van het K.B. nr. 41 van 3O januari 1987 nu het toetsingsrecht van de administratieve geldboete niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit, en tegen wettelijke voorschriften in, de opgelegde boeten kan kwijtschelden of verminderen. Nu artikel 1, laatste lid, van het K.B. nr. 41 van 3O januari 1987 van toepassing was gelet op de vastgestelde bewust begane onregelmatigheden, was de toepassing van een verminderde boete in casu volgens eiser uitgesloten. Deze wetsbepaling, zo wordt geargumenteerd, laat de administratie geen enkele vrijheid van beoordeling zodat de rechter derhalve eveneens door de wettekst gebonden is.
- Verweerder in cassatie werpt in zijn memorie van antwoord op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het artikel 6 van het E.V.R.M. niet als geschonden aanwijst, terwijl het precies op grond van die verdragsbepaling is dat de appelrechters de litigieuze B.T.W.-boete hebben herleid tot 5O % van de ontdoken belasting. Krachtens de vaste rechtspraak van Uw Hof beantwoordt de opsomming van wetsbepalingen in een cassatiemiddel aan het voorschrift van artikel 1O8O van het Gerechtelijk wetboek zodra één van deze wetsbepalingen of algemene rechtsbeginselen tot vernietiging van het aangevochten beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing kan leiden (B. MAES, Cassatiemiddelen naar Belgisch recht, 1993, p. 98, en inzonderheid de cassatierechtspraak geciteerd onder noot nr. 57O). Bedoelde ontvankelijkheidsvoorwaarde houdt immers niet in dat noodzakelijkerwijze alle mogelijk geschonden wetsbepalingen en/of algemene rechtsbeginselen dienen te worden vermeld in het middel. Het komt inderdaad vaak voor dat meerdere rechtsregels worden geschonden door een rechterlijke beslissing en dat elk of één van deze onwettigheden volstaat om de vernietiging ervan te bekomen (B. MAES, o.c., p. 98). De aangevoerde schending van de B.T.W.-bepalingen die betrekking hebben op de omvang van de op te leggen geldboete, volstaat om ten deze tot cassatie te kunnen leiden, nu een onwettelijke vermindering van een B.T.W.-boete door de rechter noodzakelijk een schending oplevert van deze bepalingen. Zulks blijkt tevens uit de arresten van Uw Hof van 24 januari 2OO2 (o.m. F.OO.OO99.N en C.OO.O3O7.N-C.OO.O599.N) alsmede uit het arrest van 21 januari 2OO5 (C.O2.O572.N), waarbij op voorziening van de Belgische Staat het bestreden arrest dat beslist tot vermindering van de opgelegde B.T.W.-boete, telkens wordt vernietigd zonder dat artikel 6 van het E.V.R.M. in het middel als geschonden werd aangewezen. De door verweerder opgeworpen grond van onontvankelijkheid van het middel kan m.i. dan ook niet worden aangenomen.
- Artikel 7O, § 1 van het B.T.W.-Wetboek schrijft voor dat ¿voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting¿. De krachtens dat artikel opgelegde boete kan verminderd worden in de gevallen en onder de voorwaarden omschreven in het koninklijk besluit nr. 41 van 3O januari 1987 en in de daarbij gevoegde schalen. Krachtens het laatste lid van artikel 1 van dit koninklijk besluit zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Het arbitragehof oordeelde bij arrest van 24 februari 1999 dat artikel 7O van het B.T.W.-Wetboek de artikelen 1O en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen (Arbitragehof nr. 22/99, 24 februari 1999, B.S., 3O april 1999; T.F.R., 1999, 388). Inzake administratieve sancties houdt ¿de volle rechtsmacht¿ in dat de rechter minstens de feiten, de correcte toepassing van het recht en de evenredigheid tussen overtreding en sanctie moet kunnen controleren en in voorkomend geval alle feitelijke en juridische onderdelen van de beslissing ongedaan moet kunnen maken. De rechterlijke controle is ter zake een volledige rechtmatigheidscontrole die minstens moet slaan op de feiten (bv. de werkelijkheid van de overtreding), de overeenstemming met de wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen en de evenredigheid tussen de overtreding en de sanctie (Advies R.v.St. nr. 28.776, Parl. St. Kamer, 1998-99, nr. 2O31/1, p. 15-16). Inzake de rechterlijke toetsing van administratieve sancties opgelegd aan een B.T.W.-plichtige, oordeelde Uw Hof in een arrest van 5 februari 1999 dat de rechter de mogelijkheid moet hebben om de werkelijkheid na te gaan van de sanctionering en eveneens te beoordelen of de sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, en inzonderheid of zij niet indruist tegen specifieke wettelijke bepalingen of tegen algemene rechtsbeginselen, en of zij niet in strijd is met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur. De uitoefening van dit toetsingsrecht houdt evenwel niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de belastingplichtige zou kunnen bevrijden van verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid (Cass., 5 februari 1999, A.C., 1999, nr. 67). De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan evenwel niet voor gevolg hebben dat de boete niet kan worden verminderd, zelfs niet bij onevenredigheid met de overtreding. Met de rechtsleer kan worden aangenomen dat een dergelijke lezing van geciteerd arrest niet in overeenstemming te brengen is met de eis van volle rechtsmacht van artikel 6 van het E.V.R.M. die tevens tot uiting komt in voormelde rechtspraak van het Arbitragehof (o.m. J. PUT, ¿Rechtshandhaving door administratieve sancties in het recht¿, R.W., 2OO1-2OO2, nr. 34, 2O april 2OO2, 12O4, nr. 27; M. MAUS, ¿Kritische bemerkingen bij de arresten van het Hof van Cassatie van 5 februari 1999 inzake de fiscaal-administraieve sancties¿, A.J.T., 1998-99, 985-986). De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en in voorkomend geval de opgelegde administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (W. LAMBRECHTS, ¿Het zorgvuldigheidsbeginsel¿, in I. OPDEBEEK (red.), Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1993, 3O-31). De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstelling, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft. Bedoeld cassatiearrest moet dan zo worden gelezen dat de beslissing wel op zorgvuldigheid (inclusief evenredigheid) kan worden getoetst, maar niet op loutere opportuniteit en billijkheid (bv. verzachtende omstandigheden). De evenredigheid wordt dan een onderdeel van de rechtmatigheidscontrole ( J. PUT, o.c., 12O4, nr. 27, in fine). In arresten van 24 januari 2OO2 heeft Uw Hof overigens expliciet bevestigd dat het toetsingsrecht van administratieve sancties in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; dat hij hierbij inzonderheid acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld. Uw Hof wees er andermaal op dat dit toetsingsrecht niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass., 24 januari 2OO2, A.R. nrs. C.OO.O234.N-C.OO.O442.N; C.OO.O3O7.N-C.OO.O599.N; F.OO.OO99.N). In het arrest van 21 januari 2OO5 (C.O2.O572.N) voegde Uw Hof hieraan toe dat de rechter bij bedoeld toetsingsrecht ¿in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie¿. Eiser in cassatie gaat er in zijn voorziening terecht van uit dat onevenredigheid tussen een sanctie en de bestanddelen van een inbreuk wijst op een objectieve verhouding waarbij de feiten ten opzichte van de sanctie afgewogen worden, daarbij abstractie makend van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige. Aangaande de door verweerder begane inbreuken stelt het bestreden arrest o.m. vast dat: - ¿goederen frauduleus in België werden ingevoerd door middel van valse namen en B.T.W.-nummer¿, ¿zonder inschrijving in de boekhouding¿, en vervolgens werden verkocht zonder uitreiking van facturen (bestreden arrest, p. 4, in fine en p. 7, nrs. 5.6 en 5.7); - ¿er in dit verband dient op worden gewezen dat (verweerder) zich tot bewust schuldig heeft gemaakt aan een reeks onregelmatigheden¿ (arrest, p. 9); - ¿het bedrag van de ontdoken B.T.W. 4.467.O96 BEF (11O.736,42 EUR) bedraagt¿ (arrest, p. 9). Het bestreden arrest neemt aldus aan dat de overtreding werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, in de zin van voormeld artikel 1 van het K.B. nr. 41 van 3O januari
- Zulks impliceert dat het bestuur ten deze zelf gebonden was in verband met de hoegrootheid van de op te leggen sanctie nu krachtens deze bepaling de schalen voor vermindering van de geldboeten niet van toepassing zijn ten aanzien van dergelijke overtredingen. Door in deze omstandigheden de door de administratie opgelegde boete van 2OO % te verminderen omdat deze onevenredig zou zijn met de door verweerder begane inbreuken, schendt het arrest de aangewezen wetsbepalingen. Waar de appelrechters louter oordelen dat ¿een boete van 5O % van de ontdoken rechten in redelijkheid gerechtvaardigd is¿, stellen zij bovendien niet vast dat de administratie niet naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang gelet op de aard van de feiten, doch beperken zij zich ertoe hun subjectieve beoordeling in plaats te stellen van de wettelijk omschreven sanctie. Het middel komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de administratie geldboete en de kosten. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div