id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070316.1 Rolnummer: C.05.0248.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Unierecht Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-07-03 06:45 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.1 Fiches 1 - 2 Een verklaring van lossing, die overeenkomstig artikel 18, 2, c, van de Verordening (EEG) nr. 3665/87 is opgesteld door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma die is erkend door een Lid-Staat, en waaruit blijkt dat het product het havengebied heeft verlaten of althans dat het, voor zover deze firma bekend, niet opnieuw is verladen met het oog op wederuitvoer, vormt kennelijk een weerlegbaar bewijs van het feit dat de goederen daadwerkelijk de markt van het land van bestemming hebben bereikt en aldaar in de handel zijn gebracht
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Beginselen Europees Recht - Verdrag Werking EU - Algemeen Vrije woorden: Landbouw - Restituties bij uitvoer - Betalingsvoorwaarden - Invoer tot verbruik in het derde land - Bewijs - Verklaring van lossing Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 27-11-1987 - Artt. 17 en 18 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Beginselen Europees Recht - Verdrag Werking EU - Algemeen Vrije woorden: Gemeenschapsrecht - Landbouw - Restituties bij uitvoer - Betalingsvoorwaarden - Invoer tot verbruik in het derde land - Bewijs - Verklaring van lossing Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 27-11-1987 - Artt. 17 en 18 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 16 maart 2007, AR C.05.0248.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Beginselen Europees Recht - Verdrag Werking EU - Algemeen Vrije woorden: Landbouw - Restituties bij uitvoer - Betalingsvoorwaarden - Invoer tot verbruik in het derde land - Bewijs - Verklaring van lossing Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Beginselen Europees Recht - Verdrag Werking EU - Algemeen Vrije woorden: Gemeenschapsrecht - Landbouw - Restituties bij uitvoer - Betalingsvoorwaarden - Invoer tot verbruik in het derde land - Bewijs - Verklaring van lossing Tekst van de conclusie C.05.0248.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- In juni 1996 voerde tweede verweerster 13 ton bevroren rundvlees uit naar Libanon, waarvoor zij aanspraak maakte op landbouwrestituties op grond van de EG-Verordening nr. 781/96 van de Commissie van de EG van 29 april 1996 "tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees". De partij vlees werd aangegeven voor uitvoer naar derde landen onder dekking van twee aangiftes ten uitvoer. Op 19 juli 1996 ging eiser over tot uitbetaling "bij voorschot" van de uitvoerrestituties aan tweede verweerster overeenkomstig artikel 22 van de EG-Verordening nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 "houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten". Met het oog op de definitieve verwerving van de restituties diende tweede verweerster conform artikel 47 van laatst vermelde verordening binnen de twaalf maanden na de aanvaarding van de aangiftes ten uitvoer het bewijs voor te leggen dat de goederen in ongewijzigde staat effectief in Libanon werden ingevoerd. Daarvoor deed tweede verweerster een beroep op eerste verweerster, die als gespecialiseerde onderneming in controle en toezicht, in een verklaring van 19 juni 1987 bevestigde dat de goederen in Beiroet waren gelost en door de Libanese douane waren vrijgegeven ten verbruik voor menselijke consumptie. Uit een onderzoek dat in de loop van 1998 en 1999 door de economische inspectie werd uitgevoerd bij eerste verweerster, bleek evenwel dat de goederen in Libanon niet ten verbruik werden aangegeven, doch dat ze in beschadigde toestand waren gelost in de haven van Beiroet waar de goederen na instemming van de Hogere Douaneraad werden vernietigd toen bleek dat de goederen ongeschikt waren voor menselijke consumptie. Daarop vorderde eiser de aan tweede verweerster uitbetaalde landbouwrestituties terug van eerste verweerster, die als gespecialiseerde firma kon worden aangesproken op grond van artikel 7 van de Verordening nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 "betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen". Eiser vorderde de terugbetaling van het voorschot, verhoogd met 15 % om reden dat de restitutie in voorschot werd betaald, en met een sanctie van 2OO % aangezien opzettelijk onjuiste gegevens zouden zijn verstrekt. Bij het bestreden arrest wordt eisers vordering tegen eerste verweerster ongegrond verklaard.
- In het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat de appelrechters de artikelen 5, lid 1, 17, leden 1 en 3, en 18 van de EG-Verordening nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 hebben geschonden door te oordelen dat het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld, geacht moet worden te zijn geleverd door de verklaring die eerste verweerster op 19 juni 1997 afleverde en die door het hof van beroep wordt beschouwd als "een verklaring van lossing" in de zin van artikel 18, lid 2, c van bedoelde verordening, ofschoon de appelrechters vaststelden dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik van de bewuste goederen in Libanon de facto niet werden vervuld en integendeel de toegang van de goederen tot het Libanees grondgebied werd geweigerd en de goederen werden vernietigd.
- Eerste verweerster kan niet worden gevolgd waar zij opwerpt dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat het artikel 16 van voormelde verordening niet als geschonden aanwijst, nu de aangevoerde schending van de artikelen 17 en 18 van deze verordening volstaat om een eventuele cassatie te verantwoorden. De artikelen 17 en 18 bepalen immers de voorwaarden waaronder een gedifferentieerde restitutie kan worden toegekend.
- De EG- en EURATOM-Verordening nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 "betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen" voorziet op een algemene wijze in maatregelen en sancties die moeten worden toegepast wanneer er bij de uitbetaling van voordelen aan marktdeelnemers op grond van de Europese wetgeving, onregelmatigheden worden begaan. Het bestreden arrest betwist niet dat deze verordening ook van toepassing is op de sector van de landbouwrestituties, zoals te dezen de landbouwrestituties die aan tweede verweerster werden uitbetaald voor de uitvoer van rundvlees naar een derde land, meer in het bijzonder naar Libanon.
(1)Krachtens het te dezen toepasselijk artikel 13, lid 9, van de Verordening nr. 8O5/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, wordt een gedifferentieerde restitutie uitbetaald op voorwaarde dat het bewijs wordt geleverd dat de producten de bestemming hebben bereikt waarvoor de restitutie is vastgesteld.
(2)Krachtens artikel 5, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, geldt voor betaling van de al dan niet gedifferentieerde restitutie niet alleen de voorwaarde dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat:
- a)wanneer ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van het product, of
- b)wanneer het product opnieuw in de Gemeenschap zou kunnen worden ingevoerd als gevolg van het verschil tussen het restitutiebedrag voor het uitgevoerde product en het bedrag van de rechten bij invoer voor eenzelfde product op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, het product binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in een derde land en, in voorkomend geval, in een bepaald derde land is ingevoerd, tenzij het tijdens het vervoer als gevolg van overmacht verloren is gegaan. Deze bepaling stelt verder dat in deze gevallen artikel 17, lid 3 en artikel 18 van toepassing zijn. Krachtens artikel 16, eerste lid, van die verordening wordt, in geval van toepassing van een gedifferentieerde restitutievoet naar gelang van de bestemming, de restitutie slechts betaald als de in de artikelen 17 en 18 vastgestelde bijkomende voorwaarden zijn vervuld. Artikel 17, eerste lid, vereist in dit verband dat het product in ongewijzigde staat moet zijn ingevoerd in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld. Volgens artikel 17, derde lid, wordt het product als ingevoerd beschouwd wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld. Het bewijs dat deze formaliteiten zijn vervuld, wordt krachtens het te dezen toepasselijk artikel 18, eerste lid, geleverd door overlegging van het douanedocument of een verklaring van lossing en invoer voor verbruik. Artikel 18, tweede lid, van de verordening somt nog andere documenten op voor het geval dat de exporteur, na daartoe de nodige stappen te hebben ondernomen, de in het eerste lid aangegeven documenten niet kan verkrijgen of indien er twijfels bestaan over de authenticiteit van het overgelegd document. Artikel 18, lid 2,
- c)verwijst daarbij naar een verklaring van lossing die is opgesteld door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma die is erkend door een Lid-Staat, en waaruit blijkt dat het product het havengebied heeft verlaten of althans dat het, voor zover deze firma bekend, niet opnieuw is verladen met het oog op wederuitvoer. 5. In onderhavige zaak gaat het hof van beroep ervan uit dat niet alleen het bewijs moest worden geleverd dat de goederen het douanegebied van de gemeenschap hebben verlaten, doch tevens dat het bewijs voorhanden moest zijn dat de goederen daadwerkelijk in Libanon werden ingevoerd.
(3)Hoewel in casu door het hof van beroep wordt vastgesteld dat de verklaring van eerste verweerster dd. 19 juni 1997 behalve de lossing van de goederen in Beiroet op 9 juli 1996 tevens doch ten onrechte bevestigde dat de douaneformaliteiten werden vervuld en de goederen voor menselijke consumptie op 3O december 1996 werden vrijgegeven, en in het bestreden arrest integendeel als vaststaand wordt aangenomen dat de toegang van de goederen tot het Libanees grondgebied werd geweigerd en de goederen werden vernietigd, wordt desondanks toch geoordeeld dat het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld, 'geacht moet worden te zijn geleverd" door de verklaring van lossing van 19 juni 1997, aangezien deze door het hof van beroep wordt beschouwd als een verklaring in de zin van artikel 18, lid 2, c, van de Verordening nr. 3665/
- Het hof van beroep verantwoordt deze beslissing door erop te wijzen dat eerste verweerster weliswaar ten onrechte een verklaring van lossing en invoer voor verbruik opstelde in de zin van artikel 18, lid 1, b, van bedoelde verordening - waarbij ten onrechte werd verklaard dat de douaneformaliteiten werden vervuld en de goederen voor menselijke consumptie werden vrijgegeven - doch dat die verklaring hoe dan ook kon beschouwd worden als een verklaring in de zin van artikel 18, lid 2, c, van die verordening, zodat de vervulling van de douaneformaliteiten niet meer effectief diende te worden vastgesteld, doch zonder meer kon afgeleid worden uit de omstandigheid dat de goederen werden gelost en het product het havengebied heeft verlaten of althans, voor zover bekend, met het oog op de wederuitvoer ervan, niet opnieuw is verladen. Deze beslissing is echter niet naar recht verantwoord. Zoals eiser in cassatie aanvoert, mag lid 2, c van artikel 18 van de verordening immers geenszins als een onweerlegbaar vermoeden worden beschouwd van het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld. Die bepaling schrijft immers louter voor dat, wanneer de exporteur de in lid 1 van artikel 18 vermelde documenten niet kan verkrijgen -wat te dezen overigens niet wordt vastgesteld door de appelrechters- of er twijfels bestaan omtrent de authenticiteit van die documenten, het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld, kan worden geacht te zijn geleverd door overlegging van onder meer een dergelijke verklaring van lossing. Inderdaad, indien de in controle en toezicht gespecialiseerde firma verklaart dat, voor zover haar bekend, de goederen niet opnieuw zijn verladen met het oog op wederuitvoer, dan is er kans en kan men vermoeden dat die goederen zijn ingevoerd in het derde land. Het bewijs van de vervulling van de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik kan evenwel niet worden geleverd door overlegging van een dergelijke verklaring in gevallen, zoals ten deze, waarbij het vaststaat dat bedoelde formaliteiten niet werden vervuld, doch dat integendeel de toegang van de goederen tot het grondgebied van het derde land werd geweigerd, en de goederen werden vernietigd.
- Dat artikel 18, lid 2, c, een weerlegbaar vermoeden behelst, kan ook afgeleid worden uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in verband met het oude artikel 2O van de bij de Verordening nr. 3665/87 opgeheven Verordening nr. 273O/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten. Artikel 2O, lid 3, van de Verordening nr. 273O/79 bepaalde dat het bewijs dat de douaneformaliteiten zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van het douanedocument of van het 'certificaat van inklaring'. Artikel 2O, lid 4, van die verordening voorzag nog andere documenten voor het geval dat geen van de in lid 3 aangegeven documenten door omstandigheden buiten de wil van de exporteur konden worden overgelegd of dat die documenten onvoldoende werden geacht. Met betrekking tot de bewijskracht van een 'certificaat van inklaring', oordeelde het Hof van Justitie bij arrest van 31 maart 1993 dat artikel 2O, lid 4, van de Verordening nr. 273O/79 aangeeft dat andere documenten kunnen worden overgelegd, indien de in lid 3 van dat artikel vermelde documenten onvoldoende worden geacht. Volgens het Hof van Justitie volgt hieruit dat het certificaat van inklaring, hoewel een belangrijker middel dan de in artikel 2O, lid 4, van Verordening nr. 273O/79 genoemde documenten voor het bewijs dat invoer heeft plaatsgevonden, niettemin geen onweerlegbaar bewijs vormt. Het Hof van Justitie besluit daaruit dat de normaal aan het certificaat van inklaring klevende bewijskracht kan komen te vervallen, wanneer er goede gronden zijn om te betwijfelen of de goederen daadwerkelijk de markt van het land van bestemming hebben bereikt en aldaar in de handel zijn gebracht.
(4)Indien onder de oude regelgeving een certificaat van inklaring een weerlegbaar bewijs vormt van de vervulling van de douaneformaliteiten, vormt een verklaring van lossing, in de zin van artikel 18, lid 2, c, van de Verordening nr. 3665/87, mutatis mutandis eveneens een weerlegbaar bewijs van het feit dat de goederen daadwerkelijk het land van bestemming hebben bereikt en aldaar in de handel zijn gebracht.
(5)7. Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat het van essentieel belang is dat de met de gedifferentieerde restitutie gesteunde producten de markt van bestemming werkelijk bereiken en aldaar in de handel worden gebracht. Zo oordeelde het Hof van Justitie meermaals dat het stelsel van gedifferentieerde restituties tot doel heeft de markten van de betrokken derde landen toegankelijk te maken of te houden, waarbij de differentiatie van de restitutie berust op de wens rekening te houden met de bijzonderheden van iedere invoermarkt waarop de Gemeenschap zich wil doen gelden.
(6)In een recent arrest van 21 juli 2OO5 oordeelde het Hof van Justitie in deze context dat aan het stelsel van gedifferentieerde restituties de bestaansgrond zou komen te ontvallen wanneer het ter verkrijging van een hoger restitutiebedrag zou volstaan dat de waar eenvoudig werd gelost zonder de markt van het bestemmingsgebied te bereiken en dat dit de reden is waarom artikel 17, lid 3, van de Verordening nr. 3665/87 de betaling van de gedifferentieerde restitutie afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld, aangezien de vervulling van die formaliteiten in beginsel waarborgt dat de waren daadwerkelijk toegang hebben tot de markt van het bestemmingsgebied.
(7)Steeds in dezelfde context oordeelde het Hof van Justitie dat waar het product in beginsel eerst toegang krijgt tot de markt van bestemming nadat de inklaringsformaliteiten zijn vervuld, het met het oog op betaling van de gedifferentieerde restitutie niet kan worden geacht te zijn ingevoerd in het land van bestemming wanneer het voor de inklaring ervan is vernietigd.
(8)8. Nu de appelrechters vaststelden dat in strijd met de verklaring van eerste verweerster van 19 juni 1997 de goederen in bedorven toestand zijn gelost in Beiroet, waar hun toegang tot het Libanees grondgebied werd geweigerd en dat de goederen uiteindelijk de haven hebben mogen verlaten en op 3O december 1996 werden vernietigd, konden zij niet naar recht oordelen dat de douaneformaliteiten, overeenkomstig artikel 18, lid 2, c, van de Verordening nr. 3665/87 niettemin geacht moeten worden te zijn vervuld omdat voldaan werd aan de in dit artikel vereiste overlegging van een verklaring van lossing. Het onderdeel komt gegrond voor in zoverre het schending aanvoert van artikel 18, 2, c, van de Verordening nr. 3665/87 nu de appelrechters een interpretatie hebben gegeven aan de verklaring van lossing die onverenigbaar is met de tekst van deze bepaling en de context van de toepasselijke Europese regelgeving waarin de bepaling dient te worden gesitueerd. Nu de tekst van bedoelde bepaling duidelijk is en geen ruimte laat voor interpretatie, mede gelet op voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, bestaat er ten deze, conform de 'acte claire' theorie, geen aanleiding toe een prejudiciële vraag te stellen zoals door eiser in ondergeschikte orde wordt voorgesteld. Besluit: VERNIETIGING. ARREST ______________________
(1)In randnr. 2.3.1 op p. 19-21 van het bestreden arrest worden de desbetreffende bepalingen weergegeven.
(2)Eiser voert in casu evenwel geen schending aan van deze bepaling. Het verschil met niet-gedifferentieerde restituties wordt duidelijk verwoord in het arrest van het Hof van Justitie van 9 augustus 1994, inzake Boterlux, C-347/93. In randnrs. 21 en 22 oordeelt het Hof: "Bij een niet-gedifferentieerde restitutie daarentegen, die wordt toegekend ter dekking van het verschil tussen de prijs van een product in de Gemeenschap en die in de internationale handel, wordt het restitutiebedrag niet vastgesteld naar gelang van de invoermarkt waarvoor het product bestemd is. Om die reden verlangt artikel 6, lid 1, van verordening nr. 876/68 enkel het bewijs dat het product uit de Gemeenschap is uitgevoerd."
(3)Zie p. 22, 23 en vooral p. 24 van het bestreden arrest: "dat voor betaling van de gedifferentieerde restitutie dan ook vereist was dat het vlees binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard en, in voorkomend geval, in een bepaald derde land is ingevoerd, tenzij het tijdens het vervoer als gevolg van overmacht verloren is gegaan".
(4)H. v. J. EG, 31 maart 1993,Möllman-Fleish, C-27/92.
(5)Art. 2O, lid 3 van de Verordening nr. 273O/79 bevat immers een gelijkaardige bepaling als artikel 18, eerste lid, van de Verordening nr. 3665/87, terwijl art. 2O, lid 4 van de eerstgenoemde verordening een analoge bepaling behelst als art. 18, lid 2, van laatstgenoemde verordening.
(6)H.v.j. EG, 21 juli 2OO5, Eichsfelder Schlachtbedrieb, C-515/O3; 31 maart 1993, Moellmann-Fleisch, C-27/92; 11 juli 1984, Dimex, 89/83; 2 maart 1977, 44/76, Eier-Kontor; 2 juni 1976, Eier-Kontor, 44/76; 9 augustus 1994, Boterlux, C-347/93.
(7)H.v.j. EG, 21 juli 2OO5, Eichsfelder Schlachtbedrieb, C-515/O3.
(8)H.v.j. EG, 11 juli 1984, inzake Dimex, nr. 89/
- Dat arrest oordeelt verder: "
- Hetzelfde geldt wanneer de vernietiging of wederuitvoer plaatsvindt nadat in het land van bestemming de formaliteiten zijn vervuld waarvan dat land de inklaring of verhandeling van het product op zijn grondgebied afhankelijk stelt, voor zover de vernietiging of wederuitvoer van het product een uitvloeisel is van beslissingen, door de bevoegde diensten van het land van bestemming genomen tijdens de vervulling van die formaliteiten, en voor zover het bederf dat daarvoor de reden is, voor de vervulling van die formaliteiten is opgetreden. Ook in dit geval immers is toegang tot de markt van bestemming feitelijk onmogelijk.
- Op de derde vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat een product dat na zijn lossing in het gebied van bestemming vernietigd of weer uitgevoerd moest worden, niet kan worden geacht te zijn ingevoerd in de zin van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 876/68 juncto artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75, wanneer die vernietiging of wederuitvoer een uitvloeisel is van beslissingen, door de bevoegde diensten van het land van bestemming genomen tijdens de vervulling van de formaliteiten waarvan dat land de inklaring of verhandeling van het product op zijn grondgebied afhankelijk stelt, en wanneer het bederf dat daarvoor de reden is, voor de vervulling van die formaliteiten is opgetreden." Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 876/68 van 28 juni 1968 bevat een analoge bepaling als artikel 13, lid 9, van verordening 8O5/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees. Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 betreft een gelijkaardige bepaling als art. 5 van de verordening nr. 3665/87 (Verorening nr. 192/75 werd ingetrokken door verordening 273O/79, die op zijn beurt is ingetrokken door verordening 3665/87). Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div