id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070316.5 Rolnummer: F.04.0055.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 248 - laatst gezien 2026-07-03 20:24 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.5 Fiche 1 De minimum belastbare grondslag van de coördinatiecentra omvat niet de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/vennootschappen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN - Algemeen (inkomstenbelasting - vennootschappen) Vrije woorden: Coördinatiecentra - Forfaitair vastgestelde belastbare grondslag - Minimum belastbare grondslag - Niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-12-1982 - Art. 5, § 1, eerste en tweede lid Fiche 2 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 16 maart 2007, AR F.04.0055.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN - Algemeen (inkomstenbelasting - vennootschappen) Vrije woorden: Coördinatiecentra - Forfaitair vastgestelde belastbare grondslag - Minimum belastbare grondslag - Niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten Annotaties Publicaties: Fiscoloog - X; ...geen belasting op belasting van coördinatiecentra - 2007,4-6 Fisc Act. - V. DE BRABANDER; T. DE WIT; Coördinatiecentra ... - 2007, 5-7 T.F.R. - M. VAN GILS; Tax-on-tax: requiescat in pace? - 2007,608-620 Tekst van de conclusie F.04.0055.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. De rechtsvraag die in onderhavige betwisting voorligt betreft de vraag of de vennootschapsbelasting al dan niet moet worden aangezien als onderdeel van de "minimum belastbare basis" van een coördinatiecentrum, en inzonderheid of de vennootschapsbelasting al dan niet ressorteert onder de notie "niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten" in de zin van artikel 5, § 1, tweede lid, van het K.B. nr. 187 van 3O december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra.
(1)- In het eerste middel voert eiseres aan dat het bestreden arrest onder meer voormelde wetsbepaling schendt door te beslissen dat de vennootschapsbelasting wel degelijk deel uitmaakt van de "minimum belastbare grondslag" en de Administratie dan ook terecht de vennootschapsbelasting heeft opgenomen in de belastbare grondslag van de lastens eiseres over de aanslagjaren 1994, 1996 en 1997 gevestigde vennootschapsbelasting.
- Uit de wetsgeschiedenis van het K.B. nr. 187 van 3O december 1982 blijkt dat oorspronkelijk ten behoeve van de coördinatiecentra slechts werd voorzien in een tijdelijke vrijstelling van de vennootschapsbelasting beperkt tot de gereserveerde winst en de winst uitgekeerd aan de aandeelhouders en vennoten. Bij artikel 39 van de wet van 27 december 1984 werd artikel 5, § 1, van dat K.B. herschreven ingevolge Europese bezwaren m.b.t. het stelsel van vrijstelling die een staatssteun zou uitmaken onverenigbaar met de artikelen 92 en 93 van het Verdrag van Rome. Dientengevolge werd voorgesteld de coördinatiecentra te onderwerpen aan het gemeenrechtelijk stelsel inzake vennootschapsbelasting, behalve voor wat betreft de vaststelling van de belastbare winst (Wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Memorie van Toelichting, Par. St., Kamer, 1984-1985, 1O1O/1, p. 14 en 15; Verslag van de Commissie voor de Financiën, Par. St., Kamer, 1984-1985, 1O1O/13, p. 9-1O en 1O8-11O; Ontwerp van wet houdende fiscale bepalingen, Verslag namens de Commissie voor de Financiën, Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 78O/2, p. 9 en 37-38). Artikel 5, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van de coördinatiecentra, zoals ingevoegd bij artikel 39, §1, 4° van de wet van 27 december 1984, luidt als volgt: "In afwijking van de artikelen 96 tot 115, 142 en 144 tot 148 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, wordt het belastbaar inkomen van het centrum op forfaitaire wijze vastgesteld." Die forfaitaire vaststelling van de winst (het belastbaar inkomen) van een coördinatiecentrum geschiedt, krachtens het tweede lid van voormelde bepaling, op basis van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeels- en de financiële kosten. Men spreekt in dit verband over de 'cost-plus methode' of de 'winstopslagformule': de forfaitaire winst van coördinatiecentra wordt vastgesteld op een percentage van het totale bedrag van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeelskosten en de financiële kosten. Het op de uitgaven en werkingskosten toe te passen winstpercentage moet in principe geval per geval worden vastgesteld, rekening houdend met de werkelijk door het centrum uitgeoefende activiteiten. Indien het centrum zelf bepaalde gepresteerde diensten aanrekent tegen een prijs die overeenstemt met de kosten verhoogd met een winstopslag, mag het percentage in aanmerking worden genomen voor zover het niet abnormaal is. Bij ontstentenis van objectieve criteria om het in aanmerking te nemen winstpercentage te bepalen, moet dat percentage in de regel op 8 procent gesteld worden (Circ. nr. Ci. RH. 421/368.883 van 31 juli 1987, Bull. Bel., 1987, nr. 664/8,
(1778), 1802). Indien het erkende coördinatiecentrum een Belgische vennootschap is, blijft ze onderworpen aan de vennootschapsbelasting, maar de gemeenrechtelijke bepalingen in verband met de vaststelling van het belastbaar inkomen zijn op haar niet van toepassing. Is het centrum een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap dan is ze onderworpen aan de belasting van niet-verblijfhouders, met uitzondering evenwel van de bepalingen in verband met de vaststelling van het belastbare inkomen. Op grond van een omzendbrief van het fiscaal bestuur wordt aangenomen dat de door het coördinatiecentrum verschuldigde vennootschapsbelasting of belasting van de niet-verblijfhouders niet begrepen is in de uitgaven en werkingskosten (cf. Circulaire nr. Ci. RH. 421/439.244 van 29 november 1993, Bull. Bel., 12/1993, 3377). Ma.w. deze belastingen maken geen deel uit van de cost-plus basis voor coördinatiecentra. Het (op basis van de cost-plus methode) berekende forfaitaire belastbare inkomen mag niet lager zijn dan een minimaal belastbaar inkomen. Deze minimumbasis is door de wetgever voorzien om artificiële winstoverdrachten naar de coördinatiecentra te vermijden. Het aldus (op basis van de cost-plus methode) vastgestelde inkomen mag niet lager zijn dan het bedrag gevormd door het totaal van: a) de "niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten"; b) de andere tantièmes dan die bedoeld in artikel 108, 1°, van hetzelfde Wetboek; c) de abnormale en goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend (artikel 5, §1, tweede lid K.B. nr. 187 van 30 december 1982, zoals gewijzigd door artikel 39 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen). Het nieuwe artikel 5, §1 herneemt op dit punt een regel van het oorspronkelijke K.B. nr. 187, die met betrekking tot de tantièmes en vergoedingen en beheerders uitdrukkelijk in het Verslag aan de Koning werd vermeld (BLANCKAERT, B., "Een up to date benadering van de coördinatiecentra der multinationale ondernemingen in België vanuit fiscaalrechtelijk en economisch standpunt", Jura Falconis, 1985-86,
(181), 206). 4. In de rechtspraak bestaat er betwisting over de vraag of de vennootschapsbelasting al dan niet moet worden aanzien als onderdeel van de minimum belastbare basis van een coördinatiecentrum. In het gemeen recht is de vennootschapsbelasting als beroepskost niet aftrekbaar. Artikel 109, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)(thans artikel 198, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992) bepaalt in dit verband: "Als beroepskosten zijn niet aftrekbaar : 1° de vennootschapsbelasting, met inbegrip van de desbetreffende verhogingen (...)". 5. De Administratie stelt zich op het standpunt dat de tekst van artikel 5, §1 van het K.B. nr. 187 duidelijk is en dat niets belet dat bij het bepalen van de minimale belastbare basis teruggrepen wordt naar artikel 198 W.I.B. 1992 (oud artikel 109 W.I.B. 1964) om te bepalen wat onder het begrip "niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten" valt. Dit standpunt kan worden bijgetreden. Tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 39 van de wet van 27 december 1984werd de term "niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten" omschreven als "uitgaven en lasten die niet als bedrijfsuitgaven of -lasten aftrekbaar zijn" en als "fiscaal niet aftrekbare uitgaven" (Wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Memorie van Toelichting, Par. St., Kamer, 1984-1985, 1O1O/1, p. 14 en 15; Verslag van de Commissie voor de Financiën, Par. St., Kamer, 1984-1985, 1O1O/13, p. 9-1O en 1O8-11O; Ontwerp van wet houdende fiscale bepalingen, Verslag namens de Commissie voor de Financiën, Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 78O/2, p. 9 en 37-38). Het is in fiscalibus duidelijk welke uitgaven en lasten voor een normaal belaste vennootschap niet aftrekbaar zijn (zie het huidig artikel 198 WIB 1992; In die zin W. HEYVAERT, "Coördinatiecentra betalen geen "belasting op belasting" (noot onder Rb. Gent, 24 januari 2002), T.F.R., 2002,
(573), 576). Hieruit volgt dan dat het begrip de "niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten" slaat op alle door het centrum gedane uitgaven en lasten, welke overeenkomstig de gewone fiscale regels niet als bedrijfsuitgaven aftrekbaar zouden zijn (Zie o.m. Th. DENAYER, " Deel
- Enkele forfaitaire regimes", in Het Belgisch internationaal belastingrecht in ontwikkeling. Nieuwe wegen voor het Belgisch internationaal belastingrecht ?, G. JOSEPH, L. HINNEKENS, J. MALHERBE, J. VAN HOORN Jr. (eds.), Deurne, Kluwer, 1993,
(285), 304; P. JACQUEMIN, " Les centres de coördination ", Doc. Fin., 1990,
(89), 105; G. KEYMEULEN, Belastingvrije coördinatiecentra. Analyse van het K.B. nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra gewijzigd door de wet van 27 december 1984 in Fiscale praktijkstudies nr. 2, Antwerpen, Kluwer, 1985, 21 (deze auteurs beschouwen de niet-aftrekbare belastingen als een niet als bedrijfsuitgave aftrekbare uitgave; Anders o.m. G. COPS en K. DE MEUE, noot onder Gent, 6 april 2004, A.F.T., 2004, 40-45; D. DESCHRIJVER, noot onder Gent, 6 april 2004 (het bestreden arrest), T.R.V., 2004, 243-244; vgl. J.-P. LAGAE en C. DOCCLO, "Le régime fiscal des centres de coördination ", J.D.F., 1995, 271-272). Voorbeelden hiervan zijn uitgaven met een onvoldoende bedrijfsmatig karakter in de zin van artikel 49 WIB 1992; pensioenbijdragen in de mate zij de aftrekbeperking van artikel 59 WIB 1992 te boven gaan en de belastingen die niet aftrekbaar zijn. De administratie gaat er dan ook terecht van uit dat de notie "niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten" niet anders kan begrepen worden dan de uitgaven zoals bepaald in de artikelen 5O, 5Obis en 1O9 van het W.I.B.
(1964), omdat, behoudens de vaststelling van de belastbare grondslag, de gemeenrechtelijke bepalingen m.b.t. de vennootschapsbelasting toepasselijk blijven op de coördinatiecentra. De notie "niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten" vindt overigens zijn oorsprong in artikel 65, A, 2°, van het K.B/W.I.B.
(1964), alwaar deze post werd opgenomen als een categorie van winst tot vaststelling van het belastbaar inkomen. De "niet als bedrijfsuitgaven of -lasten aftrekbare bedragen" worden omschreven in de artikelen 5O en 5Obis van het W.I.B.
(1964)voor de personenbelasting, en specifiek voor de vennootschapsbelasting in artikel van het 1O9 W.I.B.
(1964). Zoals de appelrechters hebben vastgesteld, volgt uit de samenlezing van artikel 65, A, 2° K.B./W.I.B.
(1964)en artikel 1O9 W.I.B.
(1964)dat onder het begrip "niet als bedrijfsuitgaven of -lasten aftrekbare bedragen" de vennootschapsbelasting moet worden begrepen. Ook eiseres in cassatie blijkt de mening te zijn toegedaan dat "door de 'niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten' als een element van de minimum belastbare grondslag van coördinatiecentra te beschouwen, artikel 5, § 1, van het Koninklijk Besluit nr. 187 (...) impliciet verwijst naar bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen die de aftrek van bepaalde uitgaven voor de vaststelling van de gemeenrechtelijke belastbare winst uitsluiten" (voorziening, p. 12, in fine). Er bestaat dan ook aanleiding toe om het begrip fiscaal niet-aftrekbare uitgave te definiëren vanuit het gemeen recht, zodat deze niet-aftrekbare uitgaven (zo goed als) gelijkgesteld kan worden met de notie "verworpen uitgaven" (In die zin, met de nodige nuanceringen: Th. DENAYER, "Deel
- Enkele forfaitaire regimes", in Het Belgisch internationaal belastingrecht in ontwikkeling. Nieuwe wegen voor het Belgisch internationaal belastingrecht?, 304 - deze auteur neemt aan dat bestanddelen die weliswaar aangiftetechnisch onder de verworpen uitgaven worden opgenomen, maar die niet de aard van een eigenlijke uitgave of last hebben, niet bedoeld worden). De te betalen vennootschapsbelasting moet dan als verworpen uitgave opgenomen worden in de alternatieve (minimale) belastbare grondslag van artikel 5, §1, tweede lid, KB nr.
- Tegen deze interpretatie wordt echter ingebracht dat uit de tekst van artikel 5, §1 van het K.B. nr. 187 letterlijk blijkt dat "in afwijking van de artikelen 96 tot 115, 142 en 144 tot 148 WIB
(1964)" het belastbaar inkomen van een coördinatiecentrum op forfaitaire wijze wordt vastgesteld, waardoor in het algemeen de bepalingen van de vennootschapsbelasting, maar ook via artikel 96 W.I.B. 1964 (artikel 183 W.I.B. 1992) van de personenbelasting betreffende de winstbepaling buiten werking worden gesteld. Dit argument overtuigt echter niet. De afwijking van die bepalingen van de vennootschapsbelasting brengt tot uitdrukking dat voor coördinatiecentra bij wijze van uitzonderingsmaatregel een andere belastbare grondslag wordt gehanteerd. Ze belet niet dat het begrip "niet als bedrijfsuitgave aftrekbare uitgaven en lasten" wordt geïnterpreteerd aan de hand van het Wetboek van de inkomstenbelastingen dat hier als referentiekader kan fungeren.
- Het lijkt aangewezen een beknopt overzicht te geven van de wetsgeschiedenis van artikel 5, §1, van het K.B. nr. 187 van 3O december
- Het Verslag aan de Koning bij de oorspronkelijke tekst van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra vermeldt in verband met het artikel 5 het volgende: "Artikel 5 voorziet in een vrijstelling, respectievelijk van de vennootschapsbelasting, respectievelijk van de belasting der niet-verblijfhouders voor een periode van 10 jaar. Bij het beëindigen van deze periode zal de onderneming onderworpen zijn aan het normale belastingsregime. Ten einde bepaalde misbruiken te voorkomen, beperkt het ontwerp de vrijstelling van de vennootschapsbelasting tot de gereserveerde winst en de winst uitgekeerd aan de aandeelhouders en vennoten. Zijn derhalve aan belasting onderworpen (i) de tantièmes en vergoedingen betaald aan beheerders die normaal geen aftrekbare uitgaven uitmaken (ii) de verworpen uitgaven (bv. geheime commissielonen, uitgaven die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen). De vrijstelling van de belasting der niet-verblijfhouders wordt in dezelfde zin beperkt. Om te vermijden dat winsten van de ondernemingen van de groep naar het centrum zouden overgeheveld worden, bepaalt het ontwerp dat de vrijstelling niet verleend wordt aan de abnormale en goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend. De begrippen abnormale en goedgunstige voordelen zijn ontleend aan de artikelen 24, 53 en 115 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen" (B.S., 13 januari 1983,
(502), 503). Het oorspronkelijke artikel 5 KB nr. 187 van 30 december 1982 luidde als volgt: "§1. De winsten van het centrum dat opgericht is in de vorm van een vennootschap die in België haar maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer heeft, zijn vrijgesteld van de vennootschapsbelasting wanneer die winsten worden uitgekeerd aan de aandelen en deelbewijzen van de belegde kapitalen of wanneer zij in het vermogen van het centrum worden gehouden. §2. De winsten van het centrum dat opgericht is in de vorm van een Belgische inrichting van een vennootschap die haar maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer niet in België heeft, zijn vrijgesteld van de belasting der niet-verblijfhouders voor hun totaal bedrag zo zij in de rekening van de Belgische inrichting behouden worden en voor de helft indien zij aan de maatschappelijke zetel of de buitenlandse inrichtingen van de vennootschap worden overgedragen. §3. De vrijstellingen bedoeld in §§1 en 2 zijn echter niet van toepassing op de abnormale en goedgunstige voordelen die het centrum behaalt" (...). In het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State wordt het volgende opgemerkt: "Uit het verslag aan de Koning en uit de verklaringen van de gemachtigde van de Minister blijkt dat het centrum aan de belastingen onderworpen zal kunnen worden voor "de tantièmes en de vergoedingen betaald aan de beheerders, die normaal geen aftrekbare uitgaven uitmaken, voor de verworpen uitgaven en voor de abnormale voordelen die aan het centrum worden verleend". Het feit dat de toepassing van artikel 126, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen wordt uitgesloten, heeft dan ook tot gevolg dat die bestanddelen aan de belasting worden onderworpen, zonder aftrek (lees: vermindering)" (B.S., 13 januari 1983, 507). Het fiscaal stelsel van de coördinatiecentra werd vervolgens aangepast door artikel 39 van de wet van 27 december 1984 dat onder meer artikel 5 KB nr. 187 wijzigde. De Memorie van Toelichting verduidelijkt enigszins de draagwijdte van het nieuwe artikel 5: "Zoals dat in het koninklijk besluit nr. 187, reeds het geval was, wil het wetsontwerp bepaalde misbruiken voorkomen. Het voorziet dat de belastbare winst niet lager mag zijn dan de som van (
- i)de uitgaven en lasten die niet als bedrijfsuitgaven of -lasten aftrekbaar zijn, (
- ii)de andere tantièmes, dan deze bedoeld in het art. 108, 1°, W.I.B., t.w. de tantièmes en vergoedingen betaald aan beheerders die normaal geen aftrekbare uitgaven uitmaken, en (iii) de abnormale of goedgunstige voordelen zijn ontleend aan de artikelen 24, 53 en 115 W.I.B. Vermits de winst van het centrum op een forfaitaire wijze wordt vastgesteld, zijn de artikelen 96 tot 115, 142, 144 tot 148 W.I.B. op hen in feite niet van toepassing. Om die redenen zijn de bepalingen in verband met de investeringsaftrek (art. 42ter W.I.B., de aftrek van definitief belaste inkomsten (art. 111 W.I.B.) en de aftrek van overgedragen verliezen (art. 115 W.I.B.) evenmin van toepassing" (Kamer, Parl. St., 1984-85, nr. 1010/1, 14). In het Verslag LAGAE wordt het fiscaal regime van de coördinatiecentra als volgt toegelicht: "De voornaamste wijziging betreft het fiscaal stelsel van de coördinatiecentra. Het huidig belastingstelsel van de coördinatiecentra voorziet in een belastingvrijstelling van hun reserves en dividenden, d.w.z. dat zij in feite slechts belast worden op hun verworpen uitgaven, op de tantièmes die zij uitkeren, alsmede op de uitzonderlijke voordelen die zij behalen. Aangezien de Commissie van de Europese Gemeenschappen zich de vraag stelt of het vrijstellingsstelsel van het koninklijk besluit nr. 187 geen steun uitmaakt die onverenigbaar is met de artikelen 92 en 93 van het Verdrag van Rome, wordt voorgesteld de coördinatiecentra voortaan te onderwerpen aan het gemeen recht (vennootschapsbelasting of belasting der niet-verblijfhouders), behalve wat betreft de vaststelling van de belastbare winst. Met name wordt voorgesteld de belastbare winst te bepalen op een forfaitaire wijze in functie van de uitgeoefende werkzaamheid en op basis van de uitgaven en werkingskosten. Dergelijke belastingheffing is een methode die in feite reeds lang door de Belgische administratie en door die van de andere landen van de E.E.G. wordt toegepast. Evenwel wordt gepreciseerd dat de personeels- en financiële kosten uitgesloten zijn van de uitgaven en werkingskosten en dat de belastbare grondslag niet lager mag zijn dan het totaal van de fiscaal niet-aftrekbare uitgaven en tantièmes verhoogd met de abnormale en goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend". (Verslag LAGAE, Senaat, Parl. St., 1984-85, nr. 780/2, 37). 8. Uit voormeld overzicht van de wetsgeschiedenis van artikel 5, § 1 van het K.B. nr. 187 blijkt niet dat de wetgever op enig ogenblik de bedoeling heeft gehad bepaalde bedrijfsuitgaven die inzake vennootschapsbelasting niet aftrekbaar zijn, zoals onder meer de vennootschapsbelasting, uit te sluiten uit de notie "niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten." De wetgever was zich destijds kennelijk niet bewust van het feit dat in sommige gevallen het opnemen van de vennootschapsbelasting in de belastbare grondslag van de coördinatiecentrum kan leiden tot belasting op belasting (het zogenaamde "sneeuwbaleffect) (Zie hierover onder meer J.P. LAGAE en C. DOCCLO, Le régime fiscal des centres de coördination, J.D.F., 1995, 271-272; W. HEYVAERT, "Coördinatiecentra betalen geen "belasting op belasting" (noot onder Rb. Gent, 24 januari 2002), T.F.R., 2002, 576-577). 9. Hierin is kennelijk verandering gekomen. Artikel 5 van het K.B. nr. 187 van 30 december 1982 werd vervangen door artikel 29, 4° Wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken. De nieuwe tekst van artikel 5, §1 luidt als volgt: " In afwijking van de artikelen 183, 185, 189 tot 207, 233, eerste lid, en 235 tot 240 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het belastbaar inkomen van het centrum vastgesteld op basis van de uitgaven en de werkingskosten. Het aldus vastgestelde inkomen mag niet lager zijn dan het bedrag gevormd door het totaal van:
- a)de niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven en kosten, met uitzondering van die welke zijn vermeld in de artikelen 198, eerste lid, 1° en 3°, en 238 van hetzelfde Wetboek;
- b)de abnormale en goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend". Noch uit de wettekst, noch uit de parlementaire voorbereiding kan m.i. worden opgemaakt dat artikel 29, 4° Wet van 24 december 2002 een interpretatieve wetsbepaling is. Integendeel. We citeren uit de Memorie van Toelichting: "Met betrekking tot de in de alternatieve basis opgenomen niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven rees er in het verleden regelmatig een discussiepunt of de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/vennootschappen in die alternatieve belastbare grondslag diende te worden opgenomen. Indien de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/ vennootschappen, overeenkomstig de uitdrukkelijke wettelijke bepalingen, aldus in de belastbare grondslag wordt opgenomen leidt zulks tot belasting op belasting. Daarom wordt in het ontwerp thans bepaald dat de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/vennootschappen uit de alternatieve basis wordt geweerd" (Kamer, Parl. St., 2001-2002, nr. 1918/001,72). De nieuwe tekst van de wet is voortaan duidelijk: de vennootschapsbelasting is geen (of niet langer een) "verworpen uitgave". De verwijzing naar "de uitdrukkelijke wettelijke bepalingen" krachtens dewelke de vennootschapsbelasting in de belastbare grondslag van de coördinatiecentra opgenomen wordt, impliceert dat ook de wetgever de mening is toegedaan dat bedoelde wetsbepalingen duidelijk zijn en niet voor interpretatie vatbaar. Ter zake moet worden opgemerkt dat de Koning nog steeds niet de datum van inwerkingtreding van artikel 29, 4° Wet van 24 december 2002 vastgesteld heeft (cfr. artikel 32, vijfde lid Wet 24 december 2002), zodat de versie van artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 187, gewijzigd door de Wet van 27 december 1984, voorlopig onverkort van toepassing blijft (en de discussie in verband met het mogelijk interpretatief karakter van artikel 29, 4° Wet 24 december 2002 voorbarig is). (Zie hierover ook W. HEYVAERT, "Betalen coördinatiecentra toch "belasting op belasting", noot onder Gent, 6 april 2004, T.F.R., 2004,
(913), 916-917; Anders G. COPS en K. DE MEUE, noot onder Gent, 6 april 2004, A.F.T., 2004,
(38), 43-44 die ten onrechte stellen dat de Wet van 24 december 2002 reeds van toepassing was op het moment van de beslissing van het Hof van Beroep). De regering wacht naar alle waarschijnlijkheid met de inwerkingtreding tot de Europese Commissie een definitieve beslissing heeft genomen over de verenigbaarheid van het fiscaal stelsel van de coördinatiecentra met de Europese regels inzake staatssteun (TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2OO4, 325). 1O. Het middel, dat ervan uitgaat dat bij de bepaling van de minimum belastbare grondslag van de coördinatiecentra in artikel 5 van het K.B. nr. 187 onder de "niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten" de vennootschapsbelasting niet is begrepen, faalt naar recht nu voor die interpretatie geen aanknopingspunt kan worden gevonden in de duidelijke wettekst, evenmin als in de wetsgeschiedenis van deze bepaling. (...) Besluit: VERWERPING. ARREST _________________
(1)Zoals gewijzigd door de wetten van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen en van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div