id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070330.2 Rolnummer: C.04.0483.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Familierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-06-08 Raadplegingen: 353 - laatst gezien 2026-07-04 03:30 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.2 Fiches 1 - 4 De regel dat degene die last geeft tot tenuitvoerlegging van een vonnis, waarvan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, handelt op eigen risico, onverminderd de regels inzake kantonnement, vindt geen toepassing op de betalingen die al dan niet ingevolge een gedwongen tenuitvoerlegging worden gedaan in uitvoering van een beslissing die een provisionele uitkering na echtscheiding toekent in afwachting van een latere beslissing; zulks impliceert dat door de uitkeringsgerechtigde geen moratoire interesten verschuldigd zijn op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden indien zijn recht op uitkering naderhand komt te vervallen door de vaststelling van zijn schuld
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1398, tweede lid Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1398, tweede lid Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1398, tweede lid Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1398, tweede lid Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 30 maart 2007, AR C.04.0483.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Tekst van de conclusie C.04.0483.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Bij vonnis van 7 oktober 1999 werd de echtscheiding uitgesproken ten laste van verweerder en werden provisionele onderhoudsgelden toegekend, "die terugvorderbaar zijn op haar aandeel in de gemeenschap en haar eigen goederen voor het geval de echtscheiding in wederzijds nadeel wordt uitgesproken". De rechtbank verklaart het vonnis wat de vordering tot het onderhoudsgeld betreft uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing trad in kracht van gewijsde. Het bestreden arrest liet evenwel de echtscheiding ten laste van eiseres toe, met aanrekening van de betaalde uitkeringen en de rente, op die bedragen berekend vanaf de betaling, op haar eigen goederen en haar aandeel in de huwelijksgemeenschap. 2. (...) 3. In het eerste onderdeel van het tweede middel werpt eiseres op dat artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek enkel toepasselijk is op de uitvoering bij voorraad, terwijl het vonnis van 7 oktober 1999 definitief was, zodat artikel 1398, tweede lid, er niet kon op toegepast worden. Door op grond van deze wetsbepaling niettemin te oordelen dat ook intresten verschuldigd zijn op de door eiseres terug te betalen provisionele uitkeringen, heeft het bestreden arrest zijn beslissing niet wettig verantwoord, aldus eiseres. 4. De grief noopt tot een onderzoek van de draagwijdte van artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. 4.1. In een arrest van 7 april 1995 heeft Uw Hof op grond van artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek geoordeeld dat "de partij die een (...) vonnis [waarvan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan] doet uitvoeren, bij gehele of gedeeltelijke hervorming of vernietiging ervan, boven de teruggave van hetgeen zij ingevolge de hervormde of vernietigde beslissing heeft ontvangen, de schade dient te vergoeden die door de enkele tenuitvoerlegging is ontstaan, zonder dat daartoe enige kwade trouw of fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek is vereist".
(1)Uw Hof heeft aldus beslist dat een objectieve (risico-)aansprakelijkheid rust op diegene die een vonnis waarvan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, doet uitvoeren. Deze partij is dan intrest verschuldigd op de sommen die haar eerder werden uitgekeerd. Ook in Nederland impliceert de "gedaanmakingsplicht" dat de ontvanger intresten is verschuldigd te rekenen vanaf de betaling.
(2)4.2. Verscheidene auteurs onderscheiden deze situatie van de restitutieplicht na uitvoering van een beslissing in kort geding, gevolgd door een andersluidende beslissing van een bodemrechter.
(3)Omdat de bepaling een van het gemeen recht afwijkende aansprakelijkheidsregeling bevat, dient deze bepaling op restrictieve wijze te worden geïnterpreteerd en mag ze niet worden uitgebreid tot situaties die in wezen verschillend zijn.
(4)Aldus heeft Uw Hof eveneens geweigerd om de toepassing van artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek te aanvaarden in een geval waarbij de beschikkingen van de beslagrechter na de tenuitvoerlegging werden gewijzigd of ingetrokken ingevolge een vordering ex artikel 1419, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
(5)Krachtens deze bepaling kan "de beslagene (...) ingeval van veranderde omstandigheden de wijziging of de intrekking van de beschikking vragen door dagvaarding hiertoe van alle partijen voor de beslagrechter". Bovendien verschilt de werking van een beslissing in hoger beroep die een bestreden beslissing vernietigt fundamenteel van de werking van een andersluidende bodembeslissing op de beschikking van de stakings- of kortgedingrechter.
(6)Bij een andersluidende beslissing van de bodemrechter wordt de titel van het bewarend beslag niet tenietgedaan. Deze titel houdt enkel op uitwerking te hebben ten gevolge van een andersluidende uitspraak over de grond van de zaak. Bij een hervorming in hoger beroep vervalt daarentegen de titel die (voorlopig) ten uitvoer werd gelegd en wordt hetgeen ter uitvoering van de beslissing van de eerste rechter werd betaald onverschuldigd. Terloops weze opgemerkt dat de Nederlandse Hoge Raad het aanwenden van een procedure in kort geding en het ten uitvoer leggen van de door de voorzitter genomen maatregel op zichzelf als foutief beschouwt, wanneer dit gebeurde in de wetenschap dat nadien door de bodemrechter eventueel in andere zin zou worden geoordeeld.
(7)Volgens de Hoge Raad is deze oplossing maatschappelijk meer gerechtvaardigd dan de omgekeerde oplossing, die daarop neerkomt dat de partij die zich onder dreiging met executie aan het verbod heeft gehouden, in beginsel de schade moet dragen, ook al blijkt achteraf het door de eiser in kort geding gepretendeerde recht niet te bestaan. Het enkele feit dat de veroordeelde partij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis respectievelijk in het vonnis heeft berust, staat er volgens de Hoge Raad niet aan in de weg dat de andere partij in een individueel geval voor de schade van de veroordeelde partij aansprakelijk is.
(8)De tenuitvoerlegging kan m.i. evenwel moeilijk als foutief worden bestempeld. De partij maakt immers slechts gebruik van een haar door de wet of de rechter toegestane mogelijkheid.
(9)Dit verhindert uiteraard niet dat het instellen van een vordering in kort geding een onrechtmatige daad kan uitmaken indien er bij de eiser kwade trouw of ernstig verzuim in het spel is geweest. 4.3. De beslissing van de eerste rechter in onderhavige zaak is evenwel niet vergelijkbaar met een uitspraak in kort geding. In afwachting van de afhandeling van de echtscheidingsvordering van de echtgenoot, achtte de rechtbank een voorlopige toekenning van onderhoudsgelden aan de echtgenote opportuun. De definitieve toekenning van deze bedragen werd evenwel uitdrukkelijk afhankelijk gemaakt van het resultaat van de behandeling van de echtscheidingsvordering van de echtgenoot. Het feit dat de beslissing waarbij de sommen voorlopig werden toegekend in kracht van gewijsde trad, doet hieraan geen afbreuk. In tegenstelling tot het kortgeding kan de beslissing van de rechtbank in deze zaak niet los worden gezien van de eindbeslissing. De beslissing in kort geding is een ordemaatregel. Het strekt ertoe bij wijze van een voorlopige maatregel en zonder afbreuk te doen aan de beslechting van de zaak zelf, een regeling naar redelijkheid te treffen waarbij de rechten van (beide) partijen gevrijwaard blijven.
(10)4.
- Tegelijk is evenwel duidelijk dat het toepassingsgebied van artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek beperkt is tot het geval waarbij een partij gebruik maakt van de haar toegestane mogelijkheid om de rechterlijke beslissing voorlopig ten uitvoer te leggen. In dit geval trad de beslissing in kracht van gewijsde waardoor er geen sprake meer is van een voorlopige tenuitvoerlegging. Het bestreden arrest kon derhalve niet op grond van deze bepaling beslissen dat de echtgenote de intrest verschuldigd is op de eerder ontvangen uitkeringen. Een cassatie kan enkel worden vermeden wanneer Uw Hof een andere reden in de plaats stelt om de bestreden beslissing naar recht te verantwoorden. Dit kan indien Uw Hof het bestaan zou aanvaarden van een ruimer algemeen rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 1398 B.W., en krachtens hetwelk de uitvoering van een vonnis dat een provisie toekent in afwachting van een latere beslissing over het recht waarvoor de provisie is toegekend, geschiedt op risico van degene die de beslissing over de provisie uitvoert. Hierna wordt onderzocht waaruit dit algemeen rechtsbeginsel zou kunnen worden afgeleid. 4.
- Algemeen rechtsbeginsel als juridische grondslag. Volgens het Verslag van de Koninklijke Commissaris C. Van Reepinghen is de regel van artikel 1398, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek inderdaad afgeleid uit de algemene beginselen van het recht.
(11)Deze stelling wekt verwondering omdat er in rechtspraak en rechtsleer geen eensgezindheid bestond bij het bepalen van de juridische grondslag en de omvang van de plicht tot schadeherstel. Slechts een strekking in de rechtspraak, gesteund door verscheidene auteurs, baseerde de eventuele schadevergoedingsplicht bij hervorming van een voorlopig ten uitvoer gelegde rechterlijke beslissing op een objectieve of foutloze aansprakelijkheid.
(12)De vraag stelt zich of er naast artikel 1398 nog andere wetsbepalingen of toepassingen in de rechtspraak bestaan waaraan dergelijk algemeen rechtsbeginsel ten grondslag zou kunnen liggen. a) In de memorie van antwoord wordt verwezen naar de cassatierechtspraak bij te veel ontvangen onteigeningsvergoedingen. Uw Hof oordeelde inderdaad dat er niet alleen aanleiding is om het verschil tussen het bedrag van de definitieve en de voorlopige vergoeding terug te betalen, maar ook de intrest genoten op dit bedrag vanaf de betaling, zonder dat de rechter de kwade trouw van de onteigende moet vaststellen.
(13)De vergelijking met de hier besproken problematiek gaat evenwel niet volledig op omdat de overheid slechts in bezit wordt gesteld van het goed na consignatie. Dit kan verantwoorden dat het risico bij deze partij wordt gelegd. Hierdoor kan er slechts met enige voorzichtigheid worden gesproken over een algemeen rechtsbeginsel dat aan deze rechtspraak zou ten gronde liggen. b) Een toepassing van het algemeen rechtsbeginsel kan wel worden gevonden in de rechtspraak waarbij Uw Hof beslist dat het cassatiearrest waarbij een arrest van het hof van beroep wordt verbroken de partij in wiens voordeel het verbroken arrest was uitgesproken, verplicht terug te geven wat hij in uitvoering van het vernietigd arrest had ontvangen, zelfs indien dit niet wordt gevraagd en bevolen. Het cassatiearrest is aldus de titel om de andere partij tot restitutie te verplichten.
(14)Er wordt aangenomen dat deze partij ook de intrest op de ontvangen bedragen moet betalen. Onenigheid bestaat evenwel over de aard en de vertrekdatum voor de berekening van de intresten. - Verscheidene auteurs spreken over de vergoeding van (vertragings)intresten die maar moeten worden berekend vanaf de nieuwe uitspraak.
(15)Zij baseren zich hiervoor op het cassatiearrest van 15 september 1983 waarin Uw Hof besliste dat het de hervormende beslissing is die het onverschuldigd karakter van de betaling doet blijken en de terugbetaling van het bedrag opeisbaar maakt.
(16)- In Frankrijk heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de intresten verschuldigd zijn vanaf de betekening/ kennisgeving van de aanmaning tot terugbetaling en niet vanaf de betaling (1153 B.W.).
(17)Hij die terugbetaling vordert van het onverschuldigd betaalde op grond van artikel 1378 van de Code Civil, kan slechts intrest ontvangen vanaf de betaling indien de tegenpartij te kwader trouw was. Het is de hervormende beslissing die het onverschuldigd karakter van de betaling doet blijken. De cassatierechtspraak werd er aldus gewijzigd na invoering van artikel 19 van de wet van 3 juli 1967 dat niet langer toeliet om de uitvoering van een arrest waartegen een cassatievoorziening werd ingesteld als foutief te kwalificeren. Hierbij kan worden opgemerkt dat het Franse Hof van Cassatie de intresten ook bij een andersluidende appèlbeslissing pas laat lopen vanaf deze aanmaning.
(18)R. Perrot bekritiseert deze uitspraak en vraagt zich af wat de in eerste instantie veroordeelde partij moet doen, zeker indien hij ernstige grieven kan laten gelden voor de appèlrechter. Indien hij de beslissing die uitvoerbaar is bij voorraad naleeft, loopt hij het risico omdat hij de intresten niet kan verhalen vanaf de betaling. Deze oplossing leidt volgens de auteur eveneens tot vreemde effecten wanneer de som geconsigneerd was in handen van een derde.
(19)- Verscheidene auteurs oordelen daarentegen dat de risicoaansprakelijkheid als grondslag moet worden aangenomen van de herstelplicht na cassatie. Andere juridische grondslagen worden terecht uitgesloten. Omdat het arrest een uitvoerbare titel levert tot het verbroken werd, kan er geen sprake zijn van onverschuldigde betaling, zelfs al heeft deze verbreking een retroactieve werking. De uitvoering van een dergelijke titel kan evenmin als een fout worden gekwalificeerd, aangezien het de uitoefening betreft van een wettelijk erkend recht. Zij verdedigen aldus dat de partij vergoedende intrest moet betalen op de ontvangen bedragen vanaf de betaling.
(20)4.6. Verder stelt zich de vraag of het toepassingsgebied van het algemeen rechtsbeginsel beperkt is tot het geval waarbij een rechterlijke uitspraak wordt ten uitvoer gelegd. Deze vraag is relevant voor onderhavige zaak omdat het arrest niet vaststelt dat de provisionele uitkering toegekend door het vonnis, werd betaald ingevolge een tenuitvoerlegging. Het is bijgevolg in casu relevant om te weten wanneer een beslissing vrijwillig wordt uitgevoerd, waardoor het rechtsbeginsel niet van toepassing zou zijn. Over de inhoud van een vrijwillige uitvoering bestaat geen eensgezindheid. We onderscheiden twee opvattingen. Volgens een eerste opvatting is het voor de toepassing van de uit artikel 1398, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek afgeleide risicoaansprakelijkheid essentieel dat de begunstigde van het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis gebruik maakte om de normale schorsende werking van het hoger beroep te doorbreken. Indien de veroordeelde partij "vrijwillig", d.i. zonder daartoe door een uitvoeringsprocedure gedwongen te zijn, tot uitvoering overgaat, kan geen toepassing worden gemaakt van deze risicoaansprakelijkheid. Dan gelden de regels van de onverschuldigde betaling.
(21). De wetsbepaling legt het risico van de tenuitvoerlegging inderdaad bij "de partij die daartoe last geeft". Bovendien zou deze opvatting steun vinden in de rechtspraak van Uw Hof die toelaat dat een partij steeds kan afzien van de voorlopige tenuitvoerlegging.
(22)Uit deze keuzemogelijkheid wordt dan afgeleid dat het de partij is die er voor kiest om de tenuitvoerlegging af te dwingen, die het risico draagt. Deze redenering leidt tot het ongelukkige gevolg dat de slechte betaler er dan het best aan toe is. Een tweede opvatting gaat er daarom terecht van uit dat degene die een veroordeling vraagt, de rechter verzoekt dat hij zou opleggen dat moet worden betaald. Degene die dan ingevolge een veroordeling betaalt, betaalt omdat hem dat van bovenuit, te weten door een rechter, is opgelegd. Hij betaalt niet vrijwillig meer zijn schuld, maar de schuld die hem krachtens de rechterlijke uitspraak ter betaling is opgelegd. Het is bijgevolg niet nodig dat er uitvoeringsmaatregelen zouden zijn genomen opdat de betaling niet meer vrijwillig zou zijn. In het andere geval zou er een discriminatie bestaan. De regeling zou een verschillende behandeling in het leven roepen waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Wie het risico neemt een betaling door een rechter aan de beweerde schuldenaar te laten opleggen draagt daarvoor een objectieve aansprakelijkheid. Artikel 1398, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is hiervan een toepassing op een plaats waar juist de regeling en de gevolgen staan van een gedwongen tenuitvoerlegging. Gelet op deze plaats is het een toepassing van een algemener beginsel in de casus waarover het onderwerp in het Gerechtelijk Wetboek handelt. Om die reden is het onjuist om dit artikel in die zin de interpreteren dat er geen objectieve aansprakelijkheid zou kunnen bestaan in ieder geval dat de schuldenaar niet meer betaalt enkel ingevolge zijn verbintenis, maar dat hem die betaling door een overheid, te weten een rechter, is opgelegd. Als een betaling van een schuld of verbintenis die door een rechterlijke macht op vraag van de schuldeiser of een getroffene is opgelegd, zonder gedwongen tenuitvoerlegging, gelijk zou staan met een vrijwillige betaling van een schuld of verbintenis, zonder dat dit door een vonnis is opgelegd, zou de betekenis van een rechterlijke uitspraak tot niets worden herleid. Precies omdat degene die de veroordeling heeft nagestreefd daarvoor objectief aansprakelijk is, zal hij nochtans ook de kosten van eerste aanleg moeten betalen in geval van wijziging van het beroepen vonnis. De tweede opvatting wordt bevestigd door de eerder genoemde rechtspraak waarbij Uw Hof beslist dat het cassatiearrest waarbij een arrest van het hof van beroep wordt verbroken de partij in wiens voordeel het verbroken arrest was uitgesproken verplicht tot teruggave, zelfs indien dit niet wordt gevraagd en bevolen. Voor Uw Hof is het hierbij irrelevant of de appèlbeslissing vrijwillig dan wel gedwongen werd uitgevoerd. Deze opvatting vindt tevens aansluiting bij recente rechtspraak van de Hoge Raad. Het Nederlandse hoogste Hof lijkt immers recentelijk het onderscheid te hebben opgegeven dat het eerder maakte naar gelang vonnissen of arresten vrijwillig dan wel gedwongen worden uitgevoerd. De Hoge Raad oordeelde: "[e]venals in het eerder bedoelde geval van dreiging met executie weet ook degene aan wie aldus vrijwillig betaald wordt, dat de veroordeling waarop de betaling berust nog aan vernietiging blootstaat, en moet hij derhalve vanaf het tijdstip dat aan hem is betaald ermee rekening houden dat hij het betaalde na vernietiging van het vonnis als onverschuldigd zal moeten terugbetalen.
(23)Hiermee strookt het om ook in geval van vernietiging van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis waaraan vrijwillig is voldaan, aan te nemen dat degene aan wie onverschuldigd is betaald, zonder ingebrekestelling in verzuim is en derhalve wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip dat aan hem vrijwillig is betaald". 4.7. De omschrijving van het algemeen rechtsbeginsel. Het lijkt me aangewezen het algemeen rechtsbeginsel zodanig ruim te omschrijven dat het zowel de bepaling van artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek als de hier voorliggende problematiek omvat. Bovendien moet het beginsel aldus gelden voor elke gedwongen uitvoering, hetzij wegens een veroordeling, hetzij wegens de voorlopige tenuitvoerlegging. De formulering moet wel voldoende strikt zijn om de situatie van de restitutieplicht na uitvoering van een beslissing in kort geding gevolgd door een andersluidende beslissing van een bodemrechter uit te sluiten. De regel geldt echter wel indien de kortgedingbeslissing zelf wordt hervormd in hoger beroep. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met de recente cassatierechtspraak waarbij de toepassing van 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek werd geweigerd in een geval waarbij de beschikkingen van de beslagrechter na tenuitvoerlegging werden gewijzigd of ingetrokken ingevolge een vordering ex artikel 1419, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
(24)Vanuit deze optiek wordt voorgesteld om als rechtsgrondslag voor de bestreden beslissing te aanvaarden, het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de uitvoering van een vonnis waar tegen nog een rechtsmiddel openstaat of dat strekt tot een provisionele veroordeling die is afhankelijk gemaakt van een latere beslissing over dat recht, geschiedt op risico van degene die uitvoering benaarstigt. 4.
- Gelet op de eerdere bespreking kan het bestaan van een aldus geformuleerd rechtsbeginsel, volgens hetwelk het irrelevant is dat de betalingen al dan niet ingevolge een tenuitvoerlegging van een beslissing worden gedaan, niet zonder reserve worden afgeleid uit de cassatierechtspraak inzake onteigening. Evenmin kan een dergelijk ruim geformuleerd algemeen rechtsbeginsel worden afgeleid uit het artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, los van de opvatting dat deze strikte bepaling een dergelijk ruim geformuleerd algemeen rechtsbeginsel niet uitsluit. Het algemeen rechtsbeginsel kan wel worden afgeleid uit de eerder genoemde rechtspraak waarbij het cassatiearrest als titel geldt om terugbetaling te verkrijgen van diegene in wiens voordeel de verbroken beslissing was uitgesproken, ongeacht of de eerdere betaling was gebeurd na de tenuitvoerlegging van de beslissing. Een voorbehoud bij de eerder genoemde cassatierechtspraak is de onenigheid in rechtsleer en rechtspraak over de vertrekdatum voor de berekening van de intresten in het licht van het bekritiseerde cassatiearrest van 15 september 1983 (zie supra). In dit arrest besliste Uw Hof dat het de hervormende beslissing is die het onverschuldigd karakter van de betaling doet blijken en de terugbetaling van het bedrag opeisbaar maakt. Verscheidene auteurs verwerpen evenwel terecht de grondslag van de onverschuldigde betaling en aanvaarden een risicoaansprakelijkheid, waardoor ook de intresten vanaf de betaling verschuldigd zijn (zie supra). Deze in de plaats gestelde reden, gesteund op voormeld algemeen rechtsbeginsel, verantwoordt de bestreden beslissing dat eiseres ook intresten verschuldigd is op de door haar terug te betalen provisionele uitkeringen. Het eerste onderdeel van het tweede middel is derhalve niet ontvankelijk bij gebrek aan belang nu het niet tot cassatie kan leiden.
- (...)
- (...) Besluit: VERWERPING. ARREST _____________________
(1)Cass., 7 april 1995, A.R. C.93.0182.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950407.12, A.C., 1995, nr. 189; R.W., 1995-1996, p. 184, met noot K. BROECKX, "Risicoaansprakelijkheid bij voorlopige tenuitvoerlegging"; Gent 19 april 1996, T.B.H. 1996, 996; Luik 24 oktober 1997, J.L.M.B. 1998, 322; Antwerpen 28 september 1999, P.&B. 2001, p. 134; Brussel 22 maart 2002, P.&B. 2002, p. 180.
(2)Hoge Raad 19 mei 2000, http://zoeken.rechtspraak.nl
(3)A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, "Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter, T.P.R. 1985, p. 1080, nr. 39; E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, APR, Story-Scientia, 2001, p. 163, nr. 259.
(4)A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, l.c., 1985, p. 1080, nr. 39.
(5)Cass. 10 september 2004, A.R. C.03.136.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.7, www.cass.be.
(6)Zie ook: A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, l.c., 1985, p. 1080, nr. 39; E. KRINGS, "Conclusie voor Benelux-Gerechtshof 14 april 1983", R.W. 1983-1984, p. 226-227; E. DIRIX en K. BROECKX, o.c., p. 163, nr. 257.
(7)De Hoge Raad oordeelde dat "in beginsel [dient] te worden aangenomen dat degene die door dreiging met executie zijn wederpartij heeft gedwongen zich naar een in kort geding gegeven verbod te gedragen, onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hij, naar achteraf blijkt uit de uitspraak in het bodemgeschil, niet het recht had van de wederpartij te vergen dat deze zich van de betreffende handelingen onthield. Voorts mag er, gegeven de aard van het kortgedingvonnis, van worden uitgegaan dat degeen die als voormeld met executie dreigde, wist althans behoorde te weten dat hij zijn handelen baseerde op - kort gezegd - een voorlopige maatregel, zodat de door zijn handelen veroorzaakte schade in beginsel als door zijn schuld veroorzaakt heeft te gelden" (Hoge Raad 16 november 1984, N.J. 1985, p. 1726 - bijgevoegd); zie ook, weliswaar in verband met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: Hoge Raad 19 februari 1999, N.J. 1999, p. 1984 (bijgevoegd).
(8)Dit doet evenwel geen afbreuk aan het feit dat de partij die door de rechter in kort geding is veroordeeld, zich aan het verbod moet houden zolang dat van kracht is. Een andersluidend bodemgeschil staat er niet aan in de weg dat eenmaal verbeurde dwangsommen verschuldigd blijven (H.R. 16 november 1984, N.J. 1985, p. 1726; zie ook i.v.m. handhavingsbesluiten die de overheid neemt met het oog op overheidsvoorschriften: H.R. 17 december 2004, http://zoeken.rechtspraak.nl).
(9)A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, l.c., 1985, p. 1085, nr. 43; E. DIRIX en K. BROECKX, o.c., p. 164, nr. 259; M. PLANIOL en G. RIPERT, Traité, VI, 814, nr. 583.
(10)E. KRINGS, l.c., p. 226; zie: Cass. 4 juni 1993, A.R. 8067, A.C., 1993, nr. 269: het Hof oordeelde aldus dat de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht kan bevelen, indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt. Volgens het Hof overschrijdt de rechter in kort geding de grenzen van zijn bevoegdheid niet wanneer hij zich ertoe beperkt de ogenschijnlijke rechten van partijen te onderzoeken, zonder daarbij rechtsregels te betrekken die de voorlopige maatregel die hij beveelt niet redelijk kunnen schragen.
(11)C. VAN REEPINGHEN, Verslag over de Gerechtelijke Hervorming, I, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1964, 507.
(12)Zie hierover: A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, l.c., p. 1061-1065.
(13)Cass. 14 september 1995, A.R. C.93.0307.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950914.1, A.C.. 1995, nr. 382; Cass. 10 november 1994, A.R. C.94.O108.F, A.C., 1994, nr. 483.
(14)Cass., 15 februari 1973, A.C., 1973, 599.
(15)G. DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Larcier, 2003, p. 254; J. VAN COMPERNOLLE, "Droit judiciaire privé. Les voies de recours. Examen de jurisprudence", R.C.J.B. p. 193, nr. 57.
(16)Cass., 15 september 1983, A.R. 6870, A.C., 1983-84, nr. 29; Pas., 1984, I, nr. 29 met concl. van adv.-gen. Liekendael.
(17)Cass. fr., 22 oktober 1981, Gaz. Pal. 1982, I, 140; Cass. fr., 12 april 1983, Bull. Civ. IV, p. 95; JCP 1983, IV, 190; Cass. fr., 20 februari 1990, Bull. Civ. V, nr. 65; J. BORÉ en L. BORÉ, La cassation en matière civile, Dalloz, 2003, 101.49, p. 526
(18)Cass. fr., 16 juli 1987, Gaz. Pal. 1987, 2, Pan. 233; Cass. fr., JCP 1988, IV, 66.
(19)Rev. Trim. Dr. Civ. 1987, p. 402-404: kritische commentaar R. Perrot.
(20)A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Faculté de droit de Liège, 1987, p. 560, nr. 874; E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, APR, Story-Scientia, 2001, p. 160, nr. 255.
(21)E. DIRIX, "Beslag en collectieve schuldenregeling. Overzicht van rechtspraak", T.P.R. 2002, p. 1211, nr. 24.
(22)Cass. 20 november 1953, Pas., 1954, I, 220.
(23)Hoge Raad 19 mei 2000 (C98/331HR), www.zoeken.rechtspraak.nl.
(24)Cass. 10 september 2004, A.R. C.03.0136.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.7, www.cass.be. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950407.12 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950914.1 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250911.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div