← België

ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070525.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070525.3 Rolnummer: C.05.0588.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-02 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-03 06:38 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.3 Fiche 1 Wanneer bij overeenkomst een verbintenis is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat een gebeurtenis zal plaatshebben en geen tijdspanne is bepaald waarbinnen de bedoelde gebeurtenis uiterlijk moet plaatshebben, kan die gebeurtenis in beginsel onbeperkt in de tijd plaatshebben en kan de voorwaarde pas voor onvervuld worden gehouden wanneer redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenis niet meer zal plaatshebben; de feitenrechter kan oordelen dat gelet op het verloop van tijd redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenis niet meer zal plaatshebben

(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Voorwaardelijke verbintenis - Opschortende voorwaarde Vrije woorden: Opschortende voorwaarde - Toekomstige en onzekere gebeurtenis - Zonder bepaling van tijd - Ogenblik waarop de voorwaarde geacht wordt onvervuld te zijn Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1168, 1176 en 1181, eerste en tweede lid Fiche 2 Wanneer bij overeenkomst de verbintenissen zijn aangegaan onder opschortende voorwaarde zonder bepaling van een tijdspanne en de voorwaarde voor onvervuld wordt gehouden, krijgen de voorwaardelijke verbintenissen nooit uitvoering en houdt de overeenkomst waarvan zij het voorwerp uitmaken, op te bestaan
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Voorwaardelijke verbintenis - Opschortende voorwaarde Vrije woorden: Opschortende voorwaarde - Toekomstige en onzekere gebeurtenis - Zonder bepaling van tijd - Voorwaarde voor onvervuld gehouden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1168, 1176 en 1181, eerste en tweede lid Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 25 mei 2007, AR C.05.0588.N, A.C., 2007, nr..... Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Voorwaardelijke verbintenis - Opschortende voorwaarde Vrije woorden: Opschortende voorwaarde - Toekomstige en onzekere gebeurtenis - Zonder bepaling van tijd - Ogenblik waarop de voorwaarde geacht wordt onvervuld te zijn Opschortende voorwaarde - Toekomstige en onzekere gebeurtenis - Zonder bepaling van tijd - Voorwaarde voor onvervuld gehouden Annotaties Publicaties: R.C.J.B. - VAN QUICKENBORNE Marc - 2009/3 - p. 285-324 Tekst van de conclusie C.05.0588.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. DE FEITEN.
  1. Bij onderhandse akte van 26 april 1994 koopt een echtpaar (de eiser tot cassatie en zijn echtgenote) een perceel grond van ander echtpaar (de verweerders in cassatie) onder de opschortende voorwaarden van het bekomen van een bouwvergunning, het verkrijgen van de toelating om een steenkapperij-bedrijf op te richten en het bekomen van een lening. Deze verkoopovereenkomst bepaalt geen termijn waarbinnen deze voorwaarden moeten worden vervuld. De partijen zitten gedurende meer dan vijf jaar stil. Nadat de verkopers uiteindelijk hun voornemen kenbaar maken om het perceel aan een derde te verkopen, verklaren de kopers, bij aangetekende brief van 21 september 1999, afstand te doen van voormelde voorwaarden en een notaris te hebben gelast met de voorbereiding van de authentieke akte. De verkopers weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de kopers om de authentieke akte te laten verlijden, waarop onderhavig geding wordt ingespannen. II. DE BESTREDEN BESLISSING.
  2. De appelrechter oordeelt dat gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval en het verloop van tijd (meer dan vijf jaar), redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenissen (het bekomen van een bouwvergunning, het verkrijgen van de toelating om een steenkapperij-bedrijf op te richten en het bekomen van een lening) niet meer zullen plaatshebben
(1). Op die grond beslist de appelrechter dat de opschortende voorwaarden voor onvervuld kunnen worden gehouden en de verkoopovereenkomst waarvan zij het voorwerp uitmaken ophoudt te bestaan, zodat de kopers geen afstand meer konden doen van de voorwaarden. Zodoende konden de kopers de verkopers niet meer dwingen om de authentieke akte te laten verlijden. III. BEOORDELING. 3. Artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een verbintenis voorwaardelijk is, wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft. De voorwaarde als modaliteit van een verbintenis is geen geldigheidsvoorwaarde: zij heeft geen betrekking op de totstandkoming van de verbintenis. Zij bepaalt integendeel de uitvoerbaarheid en de afdwingbaarheid van de beloofde prestatie
(2). De voorwaarde impliceert dat de uitvoerbaarheid en de afdwingbaarheid van de verbintenis van een toekomstige en onzekere gebeurtenis afhankelijk wordt of is gemaakt. Artikel 1181, eerste en tweede lid van hetzelfde wetboek bepalen dat een verbintenis onder een opschortende voorwaarde aangegaan, in de eerste plaats die is welke afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis en dat de verbintenis niet kan worden uitgevoerd dan nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad. Maar ook pendente conditione is de verbintenis bestaande
(3), al is zij gebeurlijk niet uitvoerbaar en evenmin afdwingbaar
(4). De niet-vervulling van de opschortende voorwaarde heeft tot gevolg dat de voorwaardelijke verbintenis tenietgaat.
  1. Artikel 1176 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, wanneer een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat een gebeurtenis binnen een bepaalde tijd zal plaatshebben, die voorwaarde voor onvervuld wordt gehouden, wanneer de tijd verlopen is zonder dat de gebeurtenis heeft plaatsgehad. Indien geen tijd bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden en wordt zij pas geacht onvervuld te zijn, wanneer het zeker geworden is dat de gebeurtenis niet zal plaatshebben.
  2. Uit voormelde bepalingen volgt dat, wanneer bij overeenkomst een verbintenis is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat een gebeurtenis zal plaatshebben
(5)en geen tijdspanne is bepaald waarbinnen de gebeurtenis uiterlijk moet plaatshebben
(6), die gebeurtenis in beginsel onbeperkt in de tijd kan plaatshebben en de voorwaarde pas voor onvervuld kan worden gehouden wanneer redelijkerwijze vaststaat dat de gebeurtenis niet meer zal plaatshebben
(7). Dit laatste beoordeelt de feitenrechter op een in beginsel onaantastbare wijze in feite
(8). Zo kan hij, naargelang de omstandigheden van het geval, oordelen dat gelet op het verloop van tijd (redelijkerwijze) vaststaat dat de bedoelde gebeurtenis niet meer zal plaatshebben
(9). Maar hij moet hoe dan ook uitmaken dat het (redelijkerwijze) vaststaat dat de bedoelde gebeurtenis niet meer zal plaatshebben. Wanneer bij overeenkomst een verbintenis is aangegaan onder opschortende positieve voorwaarde zonder bepaling van een tijdspanne en de voorwaarde zodoende voor onvervuld kan worden gehouden, krijgt de voorwaardelijke verbintenis nooit uitvoering en houdt de overeenkomst, waarvan zij het voorwerp uitmaakt, op te bestaan.
  1. Voormelde zienswijze dat, wanneer bij overeenkomst een verbintenis is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat een gebeurtenis zal plaatshebben en geen tijdspanne is bepaald waarbinnen de gebeurtenis uiterlijk moet plaatshebben, die gebeurtenis in beginsel onbeperkt in de tijd kan plaatshebben en de voorwaarde pas voor onvervuld kan worden gehouden wanneer (redelijkerwijze) vaststaat dat de gebeurtenis niet meer zal plaatshebben, sluit nauw aan bij de tekst van artikel 1176 B.W. en heeft herhaaldelijk (zij het in een nog ietwat strengere versie) bevestiging gevonden in de rechtspraak van het Hof van Cassatie in Frankrijk, alwaar dezelfde bepaling geldt. 6.
  2. In een geval waarbij een verkoopovereenkomst geen termijn bepaalde waarbinnen de opschortende voorwaarde moest worden vervuld, vernietigde het Franse Hof van Cassatie bij arrest van 4 maart 1975 de beslissing dat het waarschijnlijk in de bedoeling van de partijen lag dat de voorwaarde binnen een redelijke termijn had moeten worden vervuld (art. 1175 B.W.) en dat zij bij het verstrijken van deze redelijke termijn voor onvervuld kan worden gehouden
(10). Op die manier straft het Franse Hof van Cassatie een gecombineerde lezing van de artikelen 1175-1176 B.W. af en opteert het voor een vrij letterlijke lezing van artikel 1176 B.W. Waar artikel 1175 B.W. enkel de invulling kan betreffen van de wijze waarop de voorwaarde moet worden vervuld, gaat het in artikel 1176 B.W. enkel om de termijn waarbinnen de voorwaarde moet worden vervuld. Nu deze laatste bepaling duidelijk is, gaat het niet op aan de termijnkwestie te sleutelen in het licht van de waarschijnlijke bedoeling van de partijen. 6.2. In zijn arrest van 24 juni 1998 behandelt het Franse Hof van Cassatie een meer complex feitenrelaas
(11). Een gemeente doet ten behoeve van een vennootschap X een eenzijdige belofte tot verkoop van enkele terreinen onder enkele opschortende voorwaarden. De begunstigde vennootschap X heeft ongeveer vier en een half jaar tijd om op de belofte in te gaan, bij het verstrijken waarvan de gemeente een vergoeding omwille van de tijdelijke niet-verhandelbaarheid toekomt. Ongeveer twee jaar later doet vennootschap X op haar beurt ten behoeve van een andere vennootschap Y een eenzijdige belofte tot verkoop met betrekking tot dezelfde terreinen, zij het onder enkele opschortende voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de eerste verkoop doorgang vindt. De begunstigde vennootschap Y heeft ongeveer twee jaar tijd om op de belofte in te gaan, bij het verstrijken waarvan vennootschap X een vergoeding omwille van de tijdelijke niet-verhandelbaarheid toekomt. Kan deze verkoop niet doorgaan omdat een van de opschortende voorwaarden voor onvervuld wordt gehouden (inz. wanneer de eerste verkoop geen doorgang heeft gevonden), dan houdt de tweede verkoopbelofte op te bestaan zonder dat de partijen elkaar een vergoeding moeten betalen. De vergoeding omwille van de tijdelijke niet-verhandelbaarheid slaat enkel op de hypothese dat, niettegenstaande de opschortende voorwaarden voor vervuld worden gehouden, vennootschap Y niet op de belofte ingaat. Punt is dat de termijn die vennootschap Y geniet om op de belofte in te gaan, verstrijkt (ongeveer een half jaar) vóór de termijn die vennootschap X geniet om op de te haren behoeve gedane belofte in te gaan. Vennootschap X geniet zodoende een termijn die deze van vennootschap Y overstijgt. Nu blijkt de termijn die vennootschap Y geniet om op de te haren behoeve gedane belofte in te gaan, is verstreken zonder dat deze vennootschap op die belofte is ingegaan. Hierop vordert vennootschap X ten laste van vennootschap Y de bedongen vergoeding omwille van de tijdelijke niet-verhandelbaarheid. De feitenrechter wijst deze vordering af omdat (minstens) een van de opschortende voorwaarden van de tweede verkoopbelofte voor onvervuld moet worden gehouden, nu (bij het verstrijken van de termijn die vennootschap Y geniet om op de te haren behoeve gedane belofte in te gaan) de eerste verkoop geen doorgang heeft gevonden (omdat op dat ogenblik vennootschap X op de te haren behoeve gedane belofte nog steeds niet is ingegaan) en de tweede verkoopbelofte zodoende heeft opgehouden te bestaan. En, zoals aangegeven, moeten de partijen elkaar geen vergoeding betalen, wanneer de tweede verkoop niet kan doorgaan omdat een van de opschortende voorwaarden voor onvervuld wordt gehouden. Het Franse Hof van Cassatie vernietigt deze beslissing. De feitenrechter gaat er immers ten onrechte van uit dat, bij het verstrijken van de termijn die vennootschap Y geniet om op de te haren behoeve gedane belofte in te gaan, de eerste verkoop geen doorgang heeft gevonden (omdat op dat ogenblik vennootschap X op de te haren behoeve gedane belofte nog steeds niet is ingegaan). Want op dat ogenblik is de termijn die vennootschap X geniet om op de te haren behoeve door de gemeente gedane belofte in te gaan, niet verstreken. Op dat ogenblik heeft vennootschap X nog ongeveer een half jaar de tijd om op deze belofte in te gaan. De feitenrechter kan dan ook bezwaarlijk oordelen dat, bij het verstrijken van de termijn die vennootschap Y geniet om op de te haren behoeve gedane belofte in te gaan, de eerste verkoop geen doorgang heeft gevonden (omdat op dat ogenblik vennootschap X op de te haren behoeve gedane belofte nog steeds niet is ingegaan). De feitenrechter zou dit enkel kunnen wanneer hij vaststelt dat, bij het verstrijken van de termijn die vennootschap Y geniet om op de te haren behoeve gedane belofte in te gaan, zeker is dat de eerste verkoop geen doorgang heeft gevonden, quod non. 6.3. In zijn arrest van 19 december 2001 blijft het Franse Hof van Cassatie dezelfde zienswijze toegedaan, al is het feitenrelaas minder duidelijk
(12). Het echtpaar X verkoopt aan het echtpaar Y een deel van een ruimer perceel grond. De verkopers blijven eigenaar van het resterende deel en bedingen een erfdienstbaarheid van doorgang onder de ontbindende voorwaarde dat het resterende deel grond toegang krijgt tot de openbare weg dan wel dat de overheid een bijkomende openbare weg aanlegt. Tot zolang zouden de verkopers en hun rechtsopvolgers zich onthouden van enige bouwactiviteit op hun grond. Nagenoeg veertig jaar verstrijken en nog steeds heeft het resterende deel grond van het echtpaar X geen toegang gekregen tot de openbare weg, evenmin heeft de overheid een bijkomende openbare weg aangelegd. De heer X, die intussen de enige eigenaar is geworden en zijn grond wil te gelde maken met mogelijkheid van een bouwactiviteit, acht zich gevangen door het blijvende bouwverbod met niet-verhandelbaarheid tot gevolg. Om het tegendeel te verkrijgen, dagvaardt de heer X het echtpaar Y. De feitenrechter gaat hierop in. De idee achter de litigieuze verkoopovereenkomst is, aldus de feitenrechter, hoe dan ook dat de toegang tot de openbare weg, gebeurlijk de aanleg van de bijkomende openbare weg, zich binnen een redelijke termijn zou realiseren. Nu dit niet het geval blijkt, kunnen voormelde voorwaarden voor onvervuld worden gehouden, wat een ongeldig blijvend bouwverbod met niet-verhandelbaarheid tot gevolg heeft. Het Franse Hof van Cassatie vernietigt die beslissing. Het gaat niet op om een ontbindende positieve voorwaarde zonder bepaling van een tijdspanne aan een redelijke termijn te koppelen en vervolgens bij het enkele verstrijken van die redelijke termijn de voorwaarden voor onvervuld te houden. Wanneer bij overeenkomst een verbintenis is aangegaan onder de voorwaarde dat een gebeurtenis zal plaatshebben en geen tijdspanne is bepaald waarbinnen de gebeurtenis uiterlijk moet plaatshebben, kan die gebeurtenis in beginsel onbeperkt in de tijd plaatshebben en kan de voorwaarde pas voor onvervuld worden gehouden wanneer zeker is dat de gebeurtenis niet meer zal plaatshebben
(13). 7. Deze zienswijze en vaste rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie
(14)wordt sterk bekritiseerd door de zogeheten 'antirigoristen'
(15). Zij zijn van oordeel dat een al te strenge lezing van artikel 1176 B.W. de rechtszekerheid schade toebrengt. Oordelen dat, bij gebrek aan bepaling van een tijdspanne waarbinnen de bedoelde gebeurtenis uiterlijk moet plaatshebben, die gebeurtenis in beginsel onbeperkt in de tijd kan plaatshebben en de voorwaarde pas voor onvervuld kan worden gehouden wanneer vaststaat dat de bedoelde gebeurtenis niet meer zal plaatshebben, doet de betrokken partijen nodeloos lang, en desnoods eeuwigdurend, in de onzekerheid verkeren
(16). Bovendien is het vaak moeilijk en kunstmatig voor de feitenrechter om met zekerheid te oordelen dat de bedoelde gebeurtenis niet meer zal plaatshebben
(17). De anti-rigoristen pleiten dan ook, zo niet voor een soepele lezing van artikel 1176 B.W., minstens voor een gecombineerde lezing van de artikelen 1175-1176 B.W. Hebben de partijen geen tijdspanne bepaald waarbinnen de bedoelde gebeurtenis uiterlijk moet plaatshebben, dan moet de rechter nagaan wat de partijen aldus 'waarschijnlijk gewild en verstaan hebben'
(18)(art. 1175 B.W.). De repliek van de zogeheten 'rigoristen' is dan dat men bezwaarlijk aan een zo duidelijke wettekst als deze van artikel 1176 B.W. kan sleutelen om een misschien niet-gewilde en niet-verstane maar misschien en evengoed een wel-gewilde en wel-verstane onzekere situatie te verhelpen
(19). Hoe dan ook staat een gebrek aan tijdspanne geenszins gelijk met de eeuwigheid
(20). De aanhangers wijzen een gecombineerde lezing van de artikelen 1175-1176 B.W. af en opteren, met het Franse Hof van Cassatie, voor een vrij letterlijke lezing van artikel 1176 B.W. Waar artikel 1175 B.W. enkel de invulling kan betreffen van de wijze waarop de voorwaarde moet worden vervuld, gaat het in artikel 1176 B.W. enkel om de termijn waarbinnen de voorwaarde moet worden vervuld
(21). En voor het overige, moeten de partijen maar duidelijkere afspraken maken. In de marge wijzen zij nog op artikel 1178 B.W. dat de rechter toelaat de voorwaarde voor vervuld te houden, wanneer de schuldenaar die zich onder die voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan verhinderd heeft
(22). 8. In de lijn van de strenge rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie, lijkt de thans bestreden beslissing, althans prima facie, niet naar recht verantwoord. Uitgaande van een letterlijke lezing van het arrest, stelt de appelrechter immers vrij ongelukkig dat de niet aan een tijdspanne gekoppelde opschortende positieve voorwaarden binnen een redelijke termijn te vervullen zijn. Al was het in het licht van de waarschijnlijk achterliggende bedoeling van de partijen, kon de appelrechter bezwaarlijk oordelen dat, nu bij de verkoopovereenkomst de verbintenissen zijn aangegaan onder de opschortende voorwaarden dat bepaalde gebeurtenissen zullen plaatshebben en hierbij geen tijdspanne is bepaald waarbinnen de gebeurtenissen uiterlijk moeten plaatshebben, die gebeurtenissen binnen een redelijke termijn moeten plaatshebben en dat bij het verstrijken van deze redelijke termijn de voorwaarden voor onvervuld kunnen worden gehouden. De verdere beslissing dat, aangezien de bedoelde gebeurtenissen niet binnen de redelijke termijn van meer dan vijf jaar hebben plaats gehad, de voorwaarden voor onvervuld worden gehouden, zodat de verkoopovereenkomst waarvan de voorwaardelijke verbintenissen het voorwerp uitmaken ophoudt te bestaan en de eiser geen afstand meer kan doen van de voorwaarden, zou dan artikel 1176 B.W. miskennen, steeds vanuit de optiek van een letterlijke lezing van bepaalde overwegingen uit het arrest. Niettemin blijkt uit de bestreden beslissing, in haar geheel gelezen
(23), dat de appelrechter impliciet doch zeker oordeelt dat te dezen, gelet op het verloop van tijd (meer dan vijf jaar), redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenissen niet meer zullen plaatshebben. Anders dan op het eerste gezicht lijkt, laat de appelrechter niet na uit te maken dat het (gelet op het verloop van tijd, redelijkerwijze) vaststaat dat de gebeurtenissen niet meer zullen plaatshebben, zodat hij de opschortende voorwaarden voor onvervuld kan houden. Zodoende verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing naar recht.
  1. Het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie kan dan ook niet worden aangenomen.
  2. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat: - de appelrechter oordeelt dat, gelet op het verloop van de redelijke termijn van vijf jaar, de opschortende voorwaarden voor onvervuld kunnen worden gehouden; - de appelrechter op die grond beslist dat de verkoopovereenkomst waarvan de voorwaardelijke verbintenissen het voorwerp uitmaken ophoudt te bestaan en de eiser geen afstand meer kan doen van de voorwaarden. Het tweede onderdeel, dat er van uitgaat dat de appelrechter beslist dat de eiser geen afstand meer kan doen van de voorwaarden omdat hij gedurende vijf jaar heeft stil gezeten, mist feitelijke grondslag nu het berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Ook het derde onderdeel mist feitelijke grondslag waar het er van uitgaat dat de appelrechter beslist dat de voorwaardelijke verbintenissen gelet op het verloop van tijd zijn teniet gegaan
(24). Besluit: VERWERPING. ARREST ____________________
(1)Hoewel de appelrechter het (zoals verder, onder randnummer 8 aangegeven) wat ongelukkig formuleert als zouden de niet aan een tijdspanne gekoppelde opschortende positieve voorwaarden binnen een redelijke termijn te vervullen zijn, bedoelt de appelrechter blijkbaar dat te dezen, gelet op het verloop van tijd (meer dan vijf jaar), redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenissen niet meer zullen plaatshebben.
(2)Cass. 15 september 1983, Arr. Cass. 1983-84, 41, J.T. 1985, 185, Pas. 1984, I, 42, conclusie E. LIEKENDAEL, R.W. 1983-84, 2887.
(3)Cass. 5 juni 1981, A.P.T. 1984, 145, noot X. DIEUX, Arr. Cass. 1980-81, 1157, J.T. 1982, 344, Limb. Rechtsl. 1981, 109, Pas. 1981, I, 1149, R.C.J.B. 1983, 199, noot J. HERBOTS, R.W. 1981-82, 250, conclusie H. LENAERTS, Rec. gén. enr. not. 1986 (verkort), 387; Cass. 5 april 1993, Arr. Cass. 1993, 356, J.L.M.B. 1993, 1370, Pas. 1993, I, 353, R.W. 1993-94, 465, Soc. Kron. 1994 (verkort), 87, noot, T.S.R. 1993, 172; Cass. 18 februari 1993, Arr. Cass. 1993, 202, Pas. 1993, I, 187, R.W. 1993-94, 124, T. Aann. 1994 (verkort), 96, noot; Cass. 8 december 2003, Pas. 2003 (samenvatting), I, 1984, T.B.B.R. 2004, 515.
(4)Cass. 21 januari 2000, Act. jur. baux 2000, 121, Arr. Cass. 2000, 166, Huur 2000, 153, J.L.M.B. 2000, 1324, noot J. SACE, Pas. 2000, I, 163, R.W. 2002-03, 1053, noot.
(5)Bedoeld is dus het eerste geval van art. 1181 B.W., nl. de toekomstige onzekere gebeurtenis (en niet de gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is).
(6)Het gaat dus om een zogeheten opschortende positieve voorwaarden zonder bepaling van een tijdspanne (M. VAN QUICKENBORNE, "Modaliteiten van verbintenissen - Voorwaarde", Comm. Bijz. Ov. 2005, p. 96, nr. 143).
(7)Vgl.: L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, p. 196-198, nrs. 162-163; M. VAN QUICKENBORNE, l.c., p. 96-97, nr. 143.
(8)L. CORNELIS, o.c., p. 196, nr. 162; Y. LOUSSOUARN, "Jurisprudence française en matière de droit civil - Obligations et contrats spéciaux", R.T.D.civ. 1975, p. 706-707, nr. 9.
(9)Noot onder Cass. Fr. 4 maart 1975, Rec. Dalloz 1975 (samenvatting), 73-74.
(10)Cass. Fr. 4 maart 1975, J.C.P. 1976 (M.-Fr. NICOLAS), II, nr. 18510, Rec. Dalloz 1975 (samenvatting), 73, noot, Rép. du Notariat Defrénois 1975 (J.-L. AUBERT), p. 1269-1271, nr. 33, R.T.D.civ. 1975 (Y. LOUSSOUARN), p. 706-707, nr. 9.
(11)Cass. Fr. 24 juni 1998, Bull. Arr. Cass. 1998, III, nr. 139, p. 92, Rép. du Notariat Defrénois 1998 (D. MAZEAUD), p. 1411-1412, nr. 139.
(12)Cass. Fr. 19 december 2001, Rec. Dalloz 2002, Jur., 1586, noot H. KENFACK.
(13)Zie ook: Cass. Fr. 4 mei 2000, Bull. Arr. Cass. 2000, I, nr. 99, p. 66, R.D. Imm. 2000, 585, noot J.-Cl. GROSLIÈRE, R.T.D.civ. 2000 (J. MESTRE en B. FAGES), p. 572-574, nr. 8.
(14)Zie, benevens voormelde arresten, ook: Cass. Fr. 4 juni 1991, Bull. Arr. Cass. 1991, I, nr. 180, p. 118, Rec. Dalloz 1992 (samenvatting), 267, noot E. FORTIS, Rec. Dalloz 1992 (M.-O. GAIN), Jur., 170-172, Rép. du Notariat Defrénois 1992 (J.-L. AUBERT), p. 322-324, nr. 16, R.T.D.civ. 1991 (J. MESTRE), p. 737-738, nr. 6; Cass. Fr. 4 mei 2000, Bull. Arr. Cass. 2000, I, nr. 99, p. 66, R.D. Imm. 2000, 585, noot J.-Cl. GROSLIÈRE, R.T.D.civ. 2000 (J. MESTRE en B. FAGES), p. 572-574, nr. 8.
(15)J.-L. AUBERT, "Chronique de jurisprudence civile générale - Obligations ", Rép. du Notariat Defrénois 1975, p. 1269-1271, nr. 33; M.-Fr. NICOLAS, noot onder Cass. Fr. 4 maart 1975, J.C.P. 1976, II, nr. 18510.
(16)A. BÉNABENT, Droit civil - Les obligations, Parijs, Montchrestien, 2005, p. 245, nr. 323.
(17)Vgl. Cass. Fr. 9 oktober 1974, J.C.P. 1975, II, nr. 18149, noot H. THUILLIER.
(18)Cass. Fr. 3 februari 1982, Bull. Arr. Cass. 1982, III, nr. 37, p. 24, R.T.D.civ. 1983 (Fr. CHABAS), p. 131-134, nr. 1; J.-L. AUBERT, "Chronique de jurisprudence civile générale - Obligations et protection des consommateurs", Rép. du Notariat Defrénois 1992, p. 323-324, nr. 16; D. MAZEAUD, "Chronique de jurisprudence civile générale - Obligations et protection des consommateurs", Rép. du Notariat Defrénois 1998, p. 1412, nr. 139.
(19)H. KENFACK, "Défaillance de la condition: la Cour de Cassation maintient le cap dans l'application stricte de l'article 1176 du C.c.", noot onder Cass. Fr. 19 december 2001, Rec. Dalloz 2002, 1586-1587.
(20)Cass. Fr. 4 juni 1991, Bull. Arr. Cass. 1991, I, nr. 180, p. 118, Rec. Dalloz 1992 (samenvatting), 267, noot E. FORTIS, Rec. Dalloz 1992 (M.-O. GAIN), Jur., 170-172, Rép. du Notariat Defrénois 1992 (J.-L. AUBERT), p. 322-324, nr. 16, R.T.D.civ. 1991 (J. MESTRE), p. 737-738, nr. 6; E. FORTIS, noot onder Cass. Fr. 4 juni 1991, Rec. Dalloz 1992, 268.
(21)F. CHABAS, "Jurisprudence française en matière de droit civil - Obligations et contrats spéciaux", R.T.D.civ. 1983, p. 131-132, nr. 1.
(22)Cass. Fr. 9 januari 1963, Bull. Arr. Cass. 1963, I, nr. 24, p. 21; M.-O. GAIN, noot onder Cass. Fr. 4 juni 1991, Rec. Dalloz 1992, Jur., 171-172.
(23)De appelrechter oordeelt immers verder dat door tijdsverloop moet worden aangenomen dat de opschortende voorwaarden redelijkerwijze niet meer in vervulling zullen gaan.
(24)De appelrechter beslist immers niet dat eens uitvoerbare verbintenissen achteraf zijn teniet gegaan, maar wel dat de voorwaardelijke verbintenissen nooit uitvoering zullen krijgen. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.