id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070622.2 Rolnummer: C.04.0189.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 275 - laatst gezien 2026-07-03 09:31 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.2 Fiches 1 - 2 Of een partij al dan niet in een rechterlijke beslissing heeft berust, is een feitelijk gegeven waarover de rechter onaantastbaar oordeelt; het Hof gaat alleen na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, dergelijke berusten wettig heeft kunnen afleiden
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BERUSTING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Berusting Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing - Beoordeling door de bodemrechter - Toetsing door het Hof Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1044 en 1045 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Berusting Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Berusting - Stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing - Beoordeling door de bodemrechter - Toetsing door het Hof Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1044 en 1045 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 22 juni 2007, AR C.04.0189.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: BERUSTING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Berusting Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing - Beoordeling door de bodemrechter - Toetsing door het Hof Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Berusting Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Berusting - Stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing - Beoordeling door de bodemrechter - Toetsing door het Hof Tekst van de conclusie C.04.0189.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- In het enig middel tot cassatie komt eiseres op tegen de beslissing van de Rechtbank van eerste Aanleg te Leuven om haar hoger beroep onontvankelijk te verklaren, beslissing die is gestoeld op de overweging dat zij vrijwillig het vonnis van de eerste rechter had uitgevoerd, zonder enig voorbehoud te maken, en dit terwijl het vonnis niet uitvoerbaar was bij voorraad.
- In het eerste onderdeel voert eiseres aan dat "louter op basis van de betaling in uitvoering van een vonnis", het bestreden vonnis niet kon stellen dat eiseres uitdrukkelijk in het vonnis had berust, noch op grond van deze loutere vaststelling wettig kon beslissen dat eiseres duidelijk te kennen had gegeven zeker in het vonnis van de eerste rechter te berusten.
- Het onderdeel gaat er vooreerst verkeerdelijk van uit als zou het bestreden vonnis hebben beslist dat eiseres uitdrukkelijk in het vonnis van de vrederechter hebben berust in de zin van artikel 1O45, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Voorts heeft het bestreden vonnis de door eiseres bekritiseerde beslissing dat zij stilzwijgend heeft berust in het vonnis van de vrederechter niet "louter" gesteund op de betaling in uitvoering van een vonnis. Na te hebben vastgesteld dat eiseres op eenvoudig verzoek van de raadsman van de tegenpartij volledig betaalde en dit op 29 oktober 2001, hebben de appèlrechters bovendien uitdrukkelijk overwogen: - dat "[d]e volledige vrijwillige tenuitvoerlegging van een niet-uitvoerbaar vonnis door de veroordeelde partij, zonder enig voorbehoud, impliceert dat [eiseres], op dat ogenblik, onweerlegbaar, in het vonnis berust"; - dat "[h]et betalen van hoofdsom én gerechtskosten, hoewel het vonnis niet uitvoerbaar was bij voorraad, [in]houdt (...) dat [eiseres] het vonnis niet langer betwistte"; - dat "[eiseres] (...) hier voorbij[gaat] aan het feit dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was en dus niet gedwongen ten uitvoer kon gelegd worden" en dat "[z]ij (...) zich hierop dus niet [kan] beroepen om aan te tonen dat zij niet zou berust hebben in het vonnis"; - dat "[d]e beoordeling over al dan niet berusting (...) in casu immers [dient] te gebeuren op 29 oktober 2001, zijnde de datum van volledige uitvoering" en dat "[n]och voordien, noch op dat ogenblik (...) er enig geven [was] dat kon laten vermoeden dat [eiseres] de tegen haar uitgesproken veroordeling toch nog zou aanvechten" (eigen onderlijning). Het onderdeel mist dan ook feitelijke grondslag nu het berust op een verkeerde en onvolledige lezing van het bestreden vonnis.
- Ten overvloede weze opgemerkt dat het onderdeel, hoe dan ook, niet kan worden aangenomen. Luidens art. 1044 Ger.W. is 'berusten in een beslissing' afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend
(1). Toegepast inzake hoger beroep betreft berusting een persoonlijke, eenzijdige
(2)en onherroepelijke rechtshandeling, houdende de afstand van het recht op hoger beroep in se
(3). Het is een daad van beschikking, waarbij men het rechtsmiddel van hoger beroep zelf prijsgeeft. Deze afstand (van verdere rechtsvordering) doet het recht teniet om verder (anders) te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de eerste rechter is gebracht
(4). Krachtens art. 1045, 1ste lid Ger.W. kan een dergelijke berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn, waarna het 3de lid preciseert dat "de stilzwijgende berusting alleen (kan) worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing". De stilzwijgende berusting door een partij in een gewezen rechterlijke beslissing kan derhalve enkel worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende handelingen of feiten, waaruit blijkt dat die partij het vaste en ondubbelzinnige voornemen heeft haar instemming te betuigen met die beslissing
(5). Hoewel de appèlrechter deze handelingen of feiten op een in cassatie onaantastbare wijze vaststelt, gaat het Hof van Cassatie na of de feitenrechter op grond van die vaststellingen wettelijk tot een stilzwijgende berusting heeft kunnen besluiten
(6). Nu de afstand van een recht strikt moet worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn, is de rechtspraak moeilijk te vinden voor een stilzwijgende berusting
(7). De beslissing van de appelrechters dat eiseres stilzwijgend in het vonnis van de vrederechter heeft berust, is in casu naar recht verantwoord, nu de appelrechters zulks wel degelijk hebben afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten. Naast de betaling van de gerechtskosten, werden de volledige én vrijwillige uitvoering, de afwezigheid van enig voorbehoud, en het niet-uitvoerbaar karakter van het vonnis ter zake in aanmerking genomen. Het bestreden vonnis vertoont aldus grote gelijkenissen met een arrest op 21 maart 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen waarin om sterk vergelijkbare redenen eveneens werd besloten tot de impliciete berusting van eiser in het aangevochten vonnis. Het Hof van Cassatie oordeelde in die zaak dat de appèlrechters door aldus te oordelen hun beslissing dat eiser stilzwijgend heeft berust in het beroepen vonnis, naar recht verantwoorden (Cass., 25 april 2002, A.R. C.00.0373.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020425.8, met concl. adv.-gen. m.o. D. THIJS). De appèlrechters hadden hun beslissing toen in het bijzonder gegrond op het feit dat eiser de uitgesproken veroordeling op geen enkel punt had aangevochten en enkel om gemak van betaling had verzocht, dat de betalingen zonder enig voorbehoud zijn verricht en gedaan ter uitvoering van een zelf vooropgesteld afbetalingsplan en dat ten onrechte is aangevoerd dat de betalingen zijn verricht ingevolge de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis, daar de eerste rechter niet tot de uitvoerbaarheid had besloten. De appèlrechters gaven volgens het Hof zodoende niet enkel aan uit welke overeenstemmende feiten het vaste voornemen van eiser blijkt om in het beroepen vonnis te berusten, maar tevens sluiten zij hierdoor uit dat eiser de afbetalingen heeft gedaan ter uitvoering van de voorafgaandelijke consignatieplicht of dat eiser zijn schuld heeft betwist omdat de aangeschreven ambtenaar niet is aangewezen om in hoger beroep kennis te nemen van de grieven tegen het beroepen vonnis of dat eiser geen opdracht zou hebben gegeven aan zijn fiscaal raadgever. Het Hof van Cassatie geeft door deze overweging duidelijk te kennen dat er geen sprake kan zijn van een berusting in het vonnis of het arrest indien er nog een andere mogelijke verklaring zou bestaan voor het gedrag van een partij. Er kan in die optiek maar sprake zijn van een vast voornemen om in de uitspraak te berusten indien alternatieve verklaringen kunnen worden uitgesloten. In de Nederlandse rechtsleer wordt in dezelfde zin als vuistregel vooropgesteld dat de rechter in het algemeen geen berusting behoort aan te nemen wanneer een andere verklaring van de handelwijze van de appellant geredelijk mogelijk is (Concl. Procureur Generaal bij een arrest van de Hoge Raad van 11 april 2003
(8), met verwijzing naar MOLLEMA, losbl. Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 1-3 op artikel 334, aantek. 2)In het voorliggende geval hebben de appèlrechters in dezelfde zin geoordeeld dat het gedrag van eiseres "op geen enkele andere wijze [kan] worden uitgelegd". 5. (...) Besluit: VERWERPING. ARREST ___________________
(1)Cass. 19 juni 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1254.
(2)Anders dan de afstand van het geding (in hoger beroep), die -zodra de gedaagde partij (in hoger beroep) ten gronde heeft geconcludeerd- (door de geïntimeerde) moet worden aanvaard, moet de berusting niet worden aanvaard.
(3)K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, p. 324, nrs. 722-723; A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit, d'economie et de sciences sociales de Liège, 1985, p. 473-474, nrs. 698-701.
(4)Art. 821, 2de lid Ger.W.; K. BROECKX, o.c., p. 329-330, nrs. 732-734.
(5)Cass. 15 april 1982, Arr. Cass. 1981-82, 993; Cass. 23 april 1982, Arr. Cass. 1981-82, 1024; Cass. 24 juni 1982, Arr. Cass. 1981-82, 1341; Cass. 26 januari 1984, Arr. Cass. 1983-84, 620; Cass. 19 juni 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1254; Cass. 26 oktober 1989, Arr. Cass. 1989-90, 284; Cass. 2 juni 1994, Arr. Cass. 1994, 569.
(6)Cass. 19 juni 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1254; Cass. 2 juni 1994, Arr. Cass. 1994, 569.
(7)Zie inzonderheid : Cass. 4 maart 1982, Arr. Cass. 1981-82, 835 (de spontane uitvoering 'onder voorbehoud' van een veroordeling); Cass. 24 juni 1982, Arr. Cass. 1981-82, 1341 (het verzoek tot uitbreiding van een deskundigenopdracht); Cass. 22 oktober 1982, Arr. Cass. 1982-83, 279 (de spontane uitvoering van een veroordeling); Cass. 7 januari 1983, Arr. Cass. 1982-83, 587 (zich naar de wijsheid gedragen); Cass. 24 november 1983, Arr. Cass. 1983-84, 359 (de spontane uitvoering van een veroordeling, een brief van een niet bijzonder gevolmachtigde advocaat); Cass. 1 december 1983, Arr. Cass. 1983-84, 385 (een brief van een niet bijzonder gevolmachtigde advocaat); Cass. 26 maart 1984, Arr. Cass. 1983-84, 975 (de spontane uitvoering van een veroordeling); Cass. 13 februari 1985, Arr. Cass. 1984-85, 805 (de betaling in uitvoering van een bij voorraad uitvoerbare beslissing); Cass. 10 november 1988, Arr. Cass. 1988-89, 287 (doorhaling van de zaak van de rol); Cass. 19 juni 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1254; Cass. 26 oktober 1989, Arr. Cass. 1989-90, 284 (de betekening van een vonnis zonder voorbehoud); Cass. 27 oktober 1989, Arr. Cass. 1989-90, 285 (een nieuwe dagvaarding in eerste aanleg); Cass. 18 december 1989, Arr. Cass. 1989-90, 544 (de betaling door de veroordeelde partij op verzoek van de tegenpartij, na een brief van de advocaat van de veroordeelde partij waarvoor geen bijzondere volmacht blijkt); Cass. 10 juni 1991, Arr. Cass. 1990-91, 997 (het zonder voorbehoud meewerken aan de uitvoering van een deskundigenonderzoek, het verzoek tot aanstelling van een college van deskundigen); Cass. 27 juni 1991, Arr. Cass. 1990-91, 938 (de enkele omstandigheid dat de veroordeelde partij de beslissing gedeeltelijk heeft uitgevoerd); Cass. 16 januari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 433 (de betaling van de gerechtskosten, brieven van de advocaat waarvoor geen bijzondere volmacht blijkt); zie ook : K. BROECKX, o.c., p. 325-326, nrs. 725-726).
(8)In casu had de veroordeelde partij per fax een brief gestuurd aan de tegenpartij waarin werd opgegeven hetgeen zij per saldo verschuldigd was en waarin een bevestiging werd gevraagd van de tegenpartij dat met betaling van de bedragen op haar derdenrekening en op de rekening van een derde overeengekomen partij de schuld jegens haar "algeheel en finaal" is gekweten. Volgens de procureur generaal was er geen sprake van berusting omdat een andere verklaring van de handelwijze geredelijk mogelijk was. Hoewel de woorden "algeheel en finaal gekweten" in het algemeen wijzen op een beëindiging van het materiële geschil, is de correspondentie in dit geval evenwel grotendeels gewijd aan de vraag of de veroordeelde partij het bedrag dat zij verschuldigd was aan haar tegenpartij, gedeeltelijk mocht voldoen door betaling rechtstreeks aan een derde. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020425.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div